Fish for fish

A little while ago I came across a little blue fishing boat on the beach of Weligama in Sri Lanka which bore the name Texelaar. My family hails from the Dutch Wadden Island of Texel, people from the Island are called Texelaar. I realized there was a delightfull connection between my ancestral land and this place which I now call home. An ad was placed in the Texelsche Courant to find out more about this boat.

Two women responded to my ad. They were fishers wives. After the tsunami in Sri Lanka they had met at a birthday party and came up with the idea to donate boats to fishermen who had lost their source of income. Five of these vessels were called Texelaar and donated to people in Weligama. The other boat in the picture below with its proud new owner was named the TX 36 Jan van Toon after their own cutter. The action was called Fish for Fish.

Kopermijn bedreigt Boeddhistische stad in Afghanistan (Dutch)

Zittend Boeddhabeeld in Mes Aynak. Foto van Brent Huffman.

Dat IS werelderfgoed aan gruzelementen slaat en plat bulldozert was de laatste maanden wereldnieuws. In Afghanistan loopt een Boeddhistische stad het gevaar geruimd te worden. Niet door moslimfundamentalisten, maar om plaats te maken voor een kopermijn. Met instemming van de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap. Zij zien mijnbouw als de redding van het land dat na het vertrek van de westerse troepen op de rand van de financiële afgrond staat. De antieke stad is van onschatbare waarde voor het werelderfgoed.

Het contract voor de exploitatie van de Mes Aynak-mijn in Afghanistan, een van de grootste koperdeposito’s ter wereld, werd in 2007 toegekend aan het mijnbouwbedrijf China Metallurgical Group Corporation (MCC). Het Chinese staatsbedrijf beloofde 909 miljoen US$ te investeren en verwierf daarmee voor dertig jaar de rechten voor de winning van koper. Tijdens de eerste afgravingen in Mes Aynak – wat ‘kleine koperput’ betekent – stuitten de mijnwerkers op een boeddhistisch klooster uit de vijfde eeuw. Een team van Afghaanse archeologen kreeg drie jaar de tijd om de meest waardevolle antieke relikwieën te redden. Het bleek te gaan om een complex van boeddhistische kloosters en tempels dat bijna 400,000 vierkante meter besloeg, een stad. Internationale archeologen zijn er van overtuigd dat de waarde van Mes Aynak vergelijkbaar is met die van Machu Picchu of Pompeii. Het zou kunnen behoren tot de belangrijkste archeologische vondsten ooit gedaan.  

Boeddha in toga

Afghanistan wordt in Nederland vooral geassocieerd met oorlog. Dat het Afghaanse landschap ooit bezaaid was met overblijfselen uit het verleden die getuigden van een rijke en turbulente geschiedenis is weinig bekend. Van al die oudheidkundige schatten is na ruim drie decennia van conflict weinig over. Hadda, een boeddhistische stad gelegen in het oosten van het land waar aan het begin van de twintigste eeuw opgravingen plaats hadden gevonden, werd verwoest tijdens de burgeroorlog. De in Mes Aynak gevonden beelden portretteren de Boeddha gekleed in Griekse toga. Voordat het gebied dat we tegenwoordig Afghanistan noemen halverwege de zevende eeuw in aanraking kwam met de islam was het een Boeddhistisch centrum van betekenis. Tijdens het Romeinse Rijk bloeide er de grootse Gandhara-beschaving, een versmelting van Indische en Griekse invloeden, die door de volgelingen van Alexander de Grote over Azië werd verspreid. Pelgrims uit alle delen van India en China reisden naar Afghanistan op bedevaart. Een van meest uitzonderlijke vondsten in Mes Aynak tot nu toe is die van een verguld Boeddhahoofd met Aziatische trekken, dat op Chinese invloeden wijst.

Onschatbare waarde

Naast honderden levensgrote Boeddhabeelden werden in Mes Aynak ook gouden en koperen munten, juwelen en muurschilderingen aangetroffen. Duizend jaar oude manuscripten konden in Mes Aynak bewaard blijven door de unieke klimatologische omstandigheden in het gebied. De teksten tonen aan dat er meer dan duizend jaar geleden op die locatie een beschaving leefde die het schrift kende. De oudheidkundigen vonden aanwijzingen dat er in die tijd al koper werd gemijnd en tot munten en beelden verwerkt. Mogelijk was dit de reden voor de bloei van deze antieke stad. Deze ontdekkingen leveren een bijdrage aan het herschrijven van het verleden en zijn daarmee van onschatbare waarde voor het werelderfgoed. Mes Aynak is een getuigenis van een belangrijk hoofdstuk uit de turbulente geschiedenis van het Centraal-Aziatische land: een periode van welvaart en vreedzaamheid die in schril contrast staat met de laatste decennia van conflict. Tot op heden is maar 10% van de vindplaats onderzocht. De archeologen zijn nog niet toegekomen aan de onderste grondlaag, die vijfduizend jaar oude artefacten uit de Bronstijd bevat.

Weerstand

De Afghaanse archeologen in Mes Aynak staan onder hoge tijdsdruk om, onder zware omstandigheden en met beperkte middelen, een opgraving te doen die normaliter 20 tot 30 jaar in beslag zou nemen. Brent Huffman deed in 2011 onderzoek voor een documentaire over het team dat probeerde om zoveel mogelijk kunstschatten uit Mes Aynak te redden. De Amerikaan stuitte op weerstand van experts van de Wereldbank en de Amerikaanse ambassade in Afghanistan. Zij beschouwden de kopermijn als een godsgeschenk voor het land dat voor 90% van haar budget afhankelijk was van internationale donoren. Koperwinning in Mes Aynak kan lokaal vijfduizend banen creëren en jaarlijks 541 miljoen US$ aan inkomsten voor de Afghaanse overheid genereren. Bovendien beloofde MCC te investeren in een spoorweg, elektriciteitscentrale, koolmijn en koperverwerkingsfabriek. Huffman werd onder druk gezet om van de documentaire af te zien. Tijdens de wereldpremière van ‘Saving Mes Aynak’ op het IDFA in Amsterdam noemde hij ‘vernietiging van een antieke stad door Chinese mijnbouwers’ een ‘onmogelijk verhaal’.

Raketten

De site zou al geruimd zijn geweest, als de Chinese mijnbouwers zich niet terug hadden getrokken uit Mes Aynak nadat hun kamp bestookt werd met raketten door de Taliban. Door de verslechtering van de Chinese economie en de daling van koperprijzen op de wereldmarkt kwam het ze niet slecht uit, om de investering op de lange baan te schuiven. De Afghaanse overheid zet MCC onder druk om zich aan de oorspronkelijke afspraken te houden. Haar economie, die door militaire bestedingen en buitenlandse hulp tien jaar lang een spectaculaire groei had doorgemaakt, stortte in 2013 in. De Afghaanse president Ashraf Ghani, een voormalig medewerker van de Wereldbank, heeft ambitieuze plannen om de afhankelijkheid van buitenlandse hulp snel af te bouwen. Daarin speelt mijnbouw een belangrijke rol. Ghani denkt dat zijn land binnen 15 jaar de grootste leverancier van koper en ijzer in de wereld kan worden.

 

Dit verhaal werd gepubliceerd in het Parool op 15 augustus 2015

 

Tien vragen over de vredesonderhandelingen met de Taliban (Dutch)

Dit artikel werd gepubliceerd door The PostOnline op 10 juli 2015

Eergisteren kwam het nieuws naar buiten dat de Afghaanse regering voor het eerst direct gesprekken heeft gevoerd met afgevaardigden van de Taliban in Islamabad, in het bijzijn van westerse en Chinese waarnemers. Tien vragen over de vredesonderhandelingen.

1. De Taliban, wie zijn dat ook al weer?
Tijdens de oorlog tegen de Russen waren veel Afghaanse vluchtelingen terecht gekomen in tentenkampen in Pakistan. Door de lange duur van de conflicten in hun land groeide daar een hele generatie buiten het vaderland op. Dat was waar de Taliban-beweging, koranstudenten aan religieuze madrassa’s, ontstond. Ze grepen de macht in Afghanistan om een einde te maken aan een gruwelijke burgeroorlog. De bevolking was aanvankelijk opgelucht; ze hoefden niet meer bang te zijn voor plunderingen en verkrachtingen. De opgetogen stemming sloeg om toen de Taliban de Sharia oplegden om een Islamitische heilstaat te creëren. Ze verboden muziekinstrumenten, videocassettes, Tv’s, voetbal, vliegeren, make-up, nagellak. Vooral tegen vrouwen voerden ze een wreed beleid. De religieuze politie handhaafde de orde. Het land werd bijna volledig van de buitenwereld afgesloten. Alleen Pakistan, de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi Arabië erkenden het regime.

2. Wat is de oorzaak van het conflict?
Onder de Taliban werd Afghanistan een broeinest van terrorisme. Osama Bin Laden en zijn organisatie Al-Qaeda konden zich er vestigen. Na de aanslagen op de Twin Towers en het Pentagon in september 2001 weigerden de Taliban de terroristenleider uit te leveren aan de VS. ‘Ben je niet met ons dan ben je tegen ons,’ zei president George W. Bush. Hij bracht een grootschalige internationale troepenmacht op de been. Na een week van hevige bombardementen op Kabul in oktober 2001 vluchtten de Taliban en haar beschermelingen naar het grensgebied met Pakistan. In de VS worden de Taliban en Al-Qaeda verwarrend vaak onder één noemer geschaard. Osama Bin Laden zag de VS als aanstichter van de verdrukking van de Islam. El-Qaeda was verantwoordelijk voor de aanslagen op Amerikaans doelwitten. De Taliban willen de macht in Afghanistan.

3. Waarom kon dit niet eerder?
Na de val van de Taliban in 2001 werden ze niet betrokken bij de vredesonderhandelingen in Bonn. Dat was door 9/11 een ‘no-go’ voor de Amerikanen. De door hen geleide invasiemacht dacht de Al-Qaeda en de Taliban definitief te hebben verslagen. De leiders van deze organisaties, Osama Bin Laden en Moellah Omar, wisten te ontsnappen en sloegen kamp op in de Federally Administered Tribal Area (FATA) in Pakistan, waar ze zich hergroepeerden en –bewapenden. De Taliban namen hun toevlucht tot guerrillatactiek met zelfmoordaanslagen tegen de buitenlandse ‘bezetters’ en de regering in Afghanistan. Toen de Taliban later gevraagd werden aan de onderhandelingstafel plaats te nemen hadden ze hun positie zo verstevigd dat ze weinig meer genegen waren tot concessies. Zij wilden niet onderhandelen met de Afghaanse regering die zij zagen als ‘marionetten’ van de VS. Voormalig president Hamid Karzai probeerde om het vredesproces op gang te brengen, maar slaagde er niet. Af en toe vonden er op lager niveau toch gesprekken plaats, die tot niets leiden omdat de opstandelingen vast hielden aan de eis pas te willen onderhandelen als alle buitenlanders het land uit waren.

4. Hoe zijn de gesprekken dan nu tot stand gekomen?
Pakistan zou een bondgenoot in de oorlog tegen terreur moeten zijn, maar het lijkt er op dat conservatieve krachten binnen het Pakistaanse leger en de veiligheidsdienst bleken dubbelspel spelen. Zij bieden niet alleen onderdak aan extremistische en terroristische groeperingen, maar zijn mogelijk zelfs betrokken bij training en bewapening. De nieuwe Afghaanse eenheidsregering onder leiding van President Ashraf Ghani heeft de deur weten te zetten voor vredesbesprekingen met de Taliban door Pakistan te vragen te bemiddelen. Het buurland heeft in de afgelopen maanden een offensief uitgevoerd tegen de opstandelingen die in hun federale gebieden huizen. Mogelijk voelt de Taliban zich ook in hun bestaan bedreigd door IS, die vorig jaar opdook in Afghanistan en zich tegen hen heeft gekeerd.

5. Wat doet China er ineens bij?
China heeft zich afgelopen jaar ontpopt tot een belangrijke strategische partner van Afghanistan, om het daar economisch belangen bij heeft. Bovendien ziet zij niet graag dat binnenlandse moslimterroristen een veilige haven in Afghanistan krijgen, en vandaar aanslagen in de Xinjiang Provincie kunnen uitvoeren. De grootmacht is een belangrijke investeerder in Pakistan en kon voor zorgen dat dit land mee zou werken aan een oplossing voor het conflict in Afghanistan. Een van de eerste gesprekken met Taliban-afgevaardigden vond plaats in China.

6. En de strijd tegen vrouwen dan?
Toen er voor het eerst sprake was van gesprekken met de Taliban vroegen vrouwenorganisaties in Afghanistan om een rol in het proces. Die kregen ze niet. Hun angst is dat de vrouwenrechten worden opgeofferd voor de vrede. Afghanistan is een conservatief, traditioneel en diep religieus land. Opvattingen over de traditionele rol van vrouwen zijn diepgeworteld en hardnekkig, al is er in de steden een moderne en kosmopolitische middenklasse. Het Afghaanse parlement stemde deze week tegen toen Ashraf Ghani een vrouwelijke kandidaat voor het oppergerecht voorstelde. Ook bij deze gesprekken zat er geen vrouw aan tafel. Aan de voorbereidingen op dit vredesberaad die in Noorwegen plaatsvonden nam wel een vrouw deel, opmerkelijk omdat veel Taliban niet met vrouwen willen praten.

7. Staat iedereen hier achter?
De Taliban heeft zich weinig populair gemaakt doordat veel burgers getroffen werden door hun aanslagen. Veel Afghanen zijn er van overtuigd dat de moslimfundamentalisten geen vrede willen en dat het daarom geen zin heeft om met ze te onderhandelen. Dat komt voort uit een diep wantrouwen tegenover buurland Pakistan en de overtuiging dat zij de Taliban aansturen, en daarmee effectief de aanstichters zijn van het conflict in Afghanistan. De Afghaanse inlichtingdienst beschuldigde haar Pakistaanse tegenhanger onlangs van betrokkenheid bij de grootschalige aanslag op het parlementsgebouw in Kabul. Wat enorme verontwaardiging en woede veroorzaakte is dat Ashraf Ghani verregaande politieke concessies heeft gedaan om Pakistan zo ver te krijgen mee te werken aan deze onderhandelingen. Men verwacht dat het buurland zich niet aan gemaakte afspraken zal houden.

8. Wat was het doel van dit gesprek?
Ondanks het voortgaand vredesproces is er geen sprake van een staakt-het-vuren. De moslimextremisten zetten een grootschalig lenteoffensief in met bijna dagelijks aanvallen op openbare gelegenheden in Kabul en politieposten en legerbases in het hele land. Bij de gewelddadigheden vielen onder de Afghaanse veiligheidstroepen in de eerste 15 weken van het jaar 330 slachtoffers per week. Het aantal doden en gewonden onder de burgerbevolking in de eerste drie maanden van dit jaar bedroeg 50% meer dan vorig jaar. Verschillende districten vielen in de handen van de Taliban, om daarna weer door de Afghaanse veiligheidstroepen te worden ingenomen. Het doel van de Afghaanse regering is een einde maken aan alle gewelddadigheden. Dat is waar de Afghaanse bevolking naar snakt. Met de val van de Taliban leek er een einde gekomen aan drie decennia van oorlogen in Afghanistan. Niets bleek minder waar. De Afghaanse bevolking leed in de afgelopen veertien jaar nog steeds onder oorlogsgeweld.

9. Heeft het kans van slagen?
Een complicerende factor bij de vredesonderhandelingen is dat er eigenlijk niet zoiets is als ‘de Taliban’. Er zijn meerdere groeperingen met een vergelijkbare ideologie die losjes met elkaar zijn geassocieerd maar verschillende doelstellingen nastreven. Zo is er een onderscheid tussen de Afghaanse Taliban en de Pakistaanse Taliban. Andere partijen zijn het Haqqani netwerk en de Hezb-i Islami groepering van mujahedeen Gulbuddin Hekmatyar. De laatste heeft zich loyaal verklaard aan IS in de strijd tegen de Taliban. Voetsoldaten zijn vooral huurlingen, die voor geld vechten, niet voor ideologie. Armoede biedt een voedingsbodem voor extremistische organisaties om nieuwe rekruten te winnen. Het feit dat de partijen met elkaar om de tafel zaten is op zich reden tot optimisme, maar om dit een grote doorbraak te noemen zou te ver voeren. In een brief naar de New York Times schreef de woordvoerder van het Taliban-kantoor in Qatar dat ‘de afgevaardigden in Islamabad niet geautoriseerd waren om onderhandelingen te voeren.’ Ze zouden zijn gedwongen door de Pakistani om deel te nemen. Zolang niet alle strijdende partijen om de tafel zitten blijft vrede ongrijpbaar.

10. Wat heeft dit met ons te maken?
Nederland heeft grote offers gebracht voor militaire missie in Afghanistan. Die heeft 26 landgenoten het leven gekost. Het is voor Nederlandse militairen misschien een hard gelag, dat de Afghaanse overheid nu onderhandelt met de vijand. Maar de harde waarheid is dat de westerse troepen de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van het land in 2014 overdroegen aan het Afghaanse Nationale Leger zonder de vijand daadwerkelijk te hebben verslagen. Als de Afghaanse overheid er niet in slaagt om een vredesakkoord te sluiten dan is de kans erg groot dat Nederland weer gevraagd wordt om een militaire bijdrage. In de VS wordt al voorzichtig gesproken over een uitbreiding van de missie in Afghanistan, om te voorkomen dat islamitische extremisten daar de macht grijpen

Afghanistan heeft economische ontwikkeling nodig (Dutch)

Traffic jam

Vorige week kwam het bericht in de pers dat politieposten in Uruzgan waren ingenomen door de Taliban. Het veroorzaakte grote ophef in Nederland, vooral onder militairen die zich afvroegen of hun inspanningen en opofferingen tevergeefs waren geweest. Hier en daar werd de suggestie gewekt dat we er langer waren hadden moeten blijven. De westerse troepenmacht is er in veertien jaar niet in geslaagd om de Taliban te verslaan. De belangrijkste reden dat de missie in deze opzet faalde, was dat zij de Afghaanse bevolking geen duurzaam economisch toekomstperspectief kon bieden.

Het aan Uruzgan grenzende Helmand is exemplarisch voor wat er mis ging. De zuidelijke provincie, thuisland van de Taliban, was het toneel van de zwaarste gevechten in de oorlog. Van wederopbouw was weinig terechtgekomen. Er was nauwelijks industriële bedrijvigheid; werkeloosheid was hoog. Poppy tierde welig. Tegen het einde van 2010 verklaarde het Britse leger de provincie veilig. In Lashkar Gah, de provinciale hoofdstad, sprak ik begin 2011 met Afghaanse zakenmensen over economische projecten. Zij wilden best investeren, maar er was geen land beschikbaar. Ze verwachtten geen hulp van de regering in Kabul en beschouwden de lokale bestuurders als corrupt. Een van de ondernemers legde het verband met de grote aanwas van de moslimfundamentalisten in de provincie. ‘Hadden we een graansilo of een katoenfabriek, dan zouden jonge mannen zich niet aansluiten bij de Taliban.’ Britse ontwikkelingswerkers, verbonden aan de militaire basis, zeiden toe een state-of-the-art industrieterrein in de stad aan te leggen om werkgelegenheid te creëren. Zij vertrokken met de militairen in 2014 en droegen de verantwoordelijkheid voor het project over aan de Afghaanse overheid die daar de capaciteit noch de middelen voor had. Het industrieterrein kwam er niet.

Ontwikkelingssamenwerking in Afghanistan was vaak ondergeschikt aan politieke en militaire motieven. Economische projecten werden daardoor gekenmerkt door overambitieuze doelstellingen, niet afgestemd op de lokale behoeften of omstandigheden. Westerse organisaties namen als een parallelle overheid de primaire dienstverlening voor hun rekening. De regering ontwikkelde geen structureel economisch beleid. Corruptie roomde ontwikkelingsbudgetten af.  De economie die door de aanwezigheid van hulporganisaties en militaire contracten was opgebloeid stortte in toen de westerse soldaten zich begonnen terug te trekken in 2013.  Na veertien jaar buitenlandse interventie is Afghanistan nog steeds een van de armste landen ter wereld. Werkeloosheid is 40%. Binnenlandse productie is gering; import tien keer meer dan de export. Ongelijkheid is toegenomen. Een recent onderzoek van The Asia Foundation toonde aan dat Afghanen de slechte economie en de daaruit volgende werkeloosheid als het grootste probleem in hun land zien.

Om het vertrouwen van potentiele investeerders, zowel binnenlandse als buitenlandse, te herstellen zijn politieke stabiliteit en veiligheid van cruciaal belang. Voortgang in de vredesonderhandelingen zou daar een belangrijk fundament voor leggen. Wat de economie weer op gang zou helpen is het stimuleren van ondernemerschap, onder meer door het beschikbaar stellen van land en financiering, in het bijzonder landbouwkrediet. Dat vraagt niet alleen een langdurige betrokkenheid van de internationale gemeenschap, die grote infrastructurele projecten kunnen financieren, maar ook om een partnerschap met de Afghaanse overheid die de voortrekkersrol op zich moet nemen in het verbeteren van het ondernemersklimaat. Het vraagt om kleinschalige ontwikkelingsprojecten op lokaal niveau, geleid door Afghanen, op basis van lokale prioriteiten en behoeften om obstakels die mensen toegang tot markten ontzegt uit de weg te ruimen.  Het vraagt om het trainen van ondernemers en begeleiden van start-ups. Voor toekomstige militaire missies zouden we ons af moeten vragen of ontwikkeling dient om de militaire missie te doen slagen, of andersom.

 

Dit opiniestuk werd gepubliceerd in Trouw op 10 juni 2015, onder de titel ‘Een bloeiende economie kan de Taliban verslaan’.

Palmyra Under Threat

Palmyra, Syria @Mary Munnik, 2004

On Sunday Syrian government forces drove Daesh out of the ancient oasis town of Palmyra, home to a UNESCO world heritage site, of which the jihadists. had seized the northern part of the modern town on Saturday. The fighters are still just a kilometre from the archaeological site and its museum housing priceless artefacts.

Hoe succesvol waren de verkiezingen in Afghanistan nu echt?

 

DSC_0123sm

De Nederlandse media vonden de Afghaanse presidentsverkiezingen van 5 april een succes. Nu kan het land wel wat goed nieuws gebruiken, maar was dat ook zo? En wat betekent dat voor de toekomst van Afghanistan?

Zeven miljoen kiezers ging naar de stembus. Met een bevolking waar 70% onder de 25 jaar oud is, schat ik het aantal kiesgerechtigden, dat wil zeggen, 18 jaar en ouder, op de helft van de bevolking. Dat zijn 16 miljoen potentiele stemmers. Het aantal kiesgerechtigden dat zich liet registeren is 12 miljoen. Zeven miljoen stemmers van 16 miljoen is 44% van de bevolking, anders gezegd, een minderheid.

Naar nu bekend is geworden hebben de lokale media op de dag zelf bewust geen incidenten gerapporteerd, om kiezers er niet af te schrikken. Het Afghaanse Ministerie van Defensie kondigde aan dat er zich landelijk 690 incidenten hadden voorgedaan op de verkiezingsdag. Daarbij vielen 200 doden. Dat drie kwart daarvan Talibanstrijders betreft doet daaraan weinig af. Dat was minder dan de verkiezingen in 2009.

Ruim 3000 klachten vanwege fraude werden ingediend. De helft daarvan moest meteen van tafel worden geveegd, omdat er geen bewijs werd aangevoerd of de klacht telefonisch was ontvangen. De overgebleven klachten moeten nog worden onderzocht. Vooral het voortijdig opraken van stembiljetten in bepaalde stemlokalen roept vragen op. Via de sociale media circuleren video’s waarop individuen stapels stembiljetten invullen. Bijna alle kandidaten hebben geklaagd over fraude. In 2009 werd de geloofwaardigheid van de verkiezingen ernstig beschadigd door fraude. Ruim een miljoen stemmen werden ongeldig verklaard.

Duizend van de in totaal ruim zeven duizend stemlokalen bleven vanwege onveiligheid gesloten. De opkomst in Kabul en andere steden kon door waarnemers en journalisten worden gecontroleerd, op het platteland is het moeilijker te verifiëren. Lokale journalisten deden verslag vanuit risico-provincies waar zich wel incidenten voordeden. Vanuit Kandahar rapporteerde een verslaggever dat daar nagenoeg geen vrouwen hadden gestemd. Sommige stemlokalen gingen wel open, maar zagen een lage opkomst omdat de Taliban kiezers er van hebben weerhouden te stemmen.

Deze presidentiele verkiezingen houdt het land al een jaar in haar greep, al ruim voor de officiële inschrijving werd in de lokale media hevig gespeculeerd over mogelijke kandidaten. Anders dan voorgaande presidentverkiezingen voerden de kandidaten actief campagne in het land. Aanhangers kwamen in grote getalen naar deze bijeenkomsten. De Tv-stations organiseerden voor het eerst debatten waar gesproken werd over buitenlandse politiek en economische hervormingen. Achter de schermen werd onderhandeld: een aantal kandidaten trok zich voortijdig terug om een ander te steunen.

Dat er, vooral in de steden, groot enthousiasme was voor de verkiezingen staat vast. Een groot aantal Afghanen trotseerde lange rijen, de regen en de Taliban om hun stem uit te kunnen brengen. Dat zou een stem tegen de moslimextremisten kunnen zijn, wat de Nederlandse media concludeerden. Het kan ook worden gezien als een stem tegen de huidige president. Na maanden onderhandelen besloot Karzai op het laatste moment het bilaterale veiligheidsverdrag met de VS niet te ondertekenen. Veel Afghanen steunen het verdrag juist, ze zijn er van overtuigd dat zodra de westerse bondgenoot vertrekt, het land in chaos vervalt. Dr. Abdullah, Ashraf Ghani en Zalmay Rasoul, de drie belangrijkste presidentskandidaten hebben verklaard het verdrag te zullen tekenen.

Het is ook mogelijk dat de Afghanen de democratische principe in de armen hebben gesloten. De bevolking gaat al drie decennia gebukt onder gewapende conflicten, machtsstrijd, buitenlandse inmenging, terrorisme en lijdt onder de corruptie, de afwezigheid van wet en gezag en het ontbreken van publieke diensten. Zij wil zelf een rol spelen om de toekomst te veranderen, door te stemmen voor een nieuwe president, een ander bewind. Zij hopen op een betere toekomst, en daar hebben ze kennelijk wat voor over. Zij stemden dan ook voor verandering.  De jongste generatie, actief op sociale media, progressief, verstedelijkt en hoger opgeleid, heeft ondanks etniciteit haar hoop massaal gevestigd op  technocraat Ashraf Ghani, die in staat wordt geacht de economie uit het slop te kunnen trekken.

De nieuwe president staat voor een kolossale opgave. De Taliban is nog lang niet verslagen. Of ze ook in staat zal zijn om de macht over te nemen, is twijfelachtig. In 1996 woedde een bloedige burgeroorlog. De koranstudenten maakten daar een einde aan en voerden stapsgewijs een islamitische heilstaat in. Tegenwoordig opereert de Taliban als een terroristische organisatie, die willekeurig geweld tegen burgers niet schuwt. Ze voert een schrikbewind in de gebieden waar de overheid zwak staat. De organisatie heeft haar hoofdkwartier in Pakistan, waar ze zou worden getraind en mogelijk zelfs bewapend door de Pakistaanse inlichtingendienst, de ISI. Het islamitisch land zag met lede ogen aan dat de nieuwe regering in Afghanistan toenadering zocht tot aartsvijand India; zij heeft liever een bevriend regime aan haar westelijke grens. President Karzai verwijt de VS de oorlog in zijn land in stand te houden door de Pakistanen niet aan te pakken. Tot nu toe heeft de Taliban geweigerd te onderhandelen met de ‘marionettenregering’ in Kabul. Mochten de internationale troepen zich dit jaar uit Afghanistan terugtrekken, dan kan de nieuwe regering onderhandelingen openen met de moslimextremisten. Het ligt echter meer voor de hand dat de nieuwe president het bilaterale veiligheidsakkoord met de VS zal tekenen, om zich te verzekeren van financiële en technische assistentie voor de toekomst.

Het conflict in Afghanistan wordt ten onrechte vaak als tweedimensionaal gezien. Andere partijen waar de nieuwe regering mee tot een overeenkomst moet komen, zijn de jihadi groeperingen. Zij  volgen niet de lijn van de Taliban. Een van deze partijen stelde een kandidaat voor de verkiezingen. De sjiitische etnische minderheid, de Hazara, bewapende zich ter voorbereiding op een eventuele overeenkomst met de Taliban. Zij leden het meest onder het extremistische regime.  Behalve Zalmai Rasoul, destijds secretaris voor de afgezette koning Zahir Shah in Italië, en academicus Ashraf Ghani, hebben alle kandidaten hun wortels in het verzet tegen de Russische overheersing. Die facties bevochten elkaar om de macht na het vertrek van de bezetters. Door een algemene amnestie voor oorlogsmisdaden, werden conflicten uit het verleden onder het tapijt geschoven, niet opgelost. Nu de verkiezingen de status quo verstoren zullen, de partijen een nieuw equilibrium moeten bereiken. Een van de grote talenten van Karzai was het op een lijn brengen van de verschillende politieke facties en etnische groeperingen. Onderlinge machtsstrijd binnen de huidige elite kan de vrede ernstig in gevaar brengen. Sluimerende etnische wrijvingen kunnen aan de oppervlakte komen drijven.

De influx van miljarden aan ontwikkelingsgelden creëerde een overheid die voor de komende tien jaar grotendeels afhankelijk zal zijn van buitenlandse steun. Voor het onderhouden van de nationale veiligheidstroepen is Afghanistan volledig afhankelijk van buitenlands geld. Publieke diensten, elektriciteitsvoorziening, gezondheidszorg en onderwijs, worden gesubsidieerd door donoren. Door corruptie, smokkel en belastingontduiking loopt de overheid jaarlijks miljoenen aan inkomsten mis. Zij rekende op inkomsten uit mijnen, bijvoorbeeld de kopermijn in Logar waarvan de concessie werd verkocht aan een Chinees conglomeraat. Met de verslechtering van de veiligheidssituatie en de ineenzakken van de koperprijs op de wereldmarkt, maakt zij geen haast met de beloofde investeringen. Al op korte termijn zou een begrotingstekort ontstaan, zo rapporteerde de Washington Post onlangs, waardoor de overheid  de salarissen van de ambtenaars niet meer kan betalen. Opportunistische korte-termijn investeringen, tijdelijke ontwikkelingsprojecten en illegale handel pompte de economie kunstmatig op. De luchtbel spatte in 2013 uit elkaar. De werkeloosheid bedraagt 40%. De Amerikaanse senaat heeft het budget voor Afghanistan voor dit jaar gehalveerd. Vertrekken meer donorgelden, dan kost dat honderdduizenden banen.

Of de nieuwe president de macht van de huidige politieke elite zal willen en kunnen verbreken is nog maar de vraag. Karzai heeft een huis laten bouwen vlakbij de Argh, het presidentiele paleis, waar hij gaat wonen. Dr. Abdullah heeft gezegd, dat wanneer hij president wordt, hij Karzai een belangrijke rol in de nieuwe regering zal toebedelen. Provinciale gouverneurs, ministers, ambassadeurs en ambtenaren op sleutelposten binnen de overheid hebben hun functie te danken aan Karzai. Velen misbruikten hun positie om zich te verrijken. Mocht de nieuwe president een anti-corruptie beleid willen voeren, dan zal hij deze instanties – niet in de laatste plaats, het kantoor van de openbare aanklager – schoon moeten vegen. Dat kost politieke goodwill. Analisten voorspellen, dat de verkiezingen uiteindelijk weer door akkoordjes in de achterkamertjes zullen worden beslist. Een wisseling van de macht voor een nieuwe generatie, die het land niet meer op basis van etnische loyaliteiten, maar op basis van een meritocratie zal willen leiden, heeft niet plaatsgevonden. Het valt te betwijfelen of het Afghaanse volk de hoop op verandering in vervulling zal zien gaan.

Afghanistan komt naar Washington

In november reisde ik naar Washington DC voor een conferentie van de Afghan-American Chamber of Commerce. Afghaanse en Amerikaanse zakenmensen, vertegenwoordigers van diverse kamers van koophandel, de Afghaanse Ambassade en Amerikaanse donoren ontmoetten elkaar in het kloppend hart van de Amerikaanse politiek, daar waar de zo belangrijke beslissingen over Afghanistan werden genomen. Een klant had mij uitgenodigd voor de conferentie. Hij wilde dat ik samen met hem een gesprek voerde met een Amerikaanse financiële instelling, de OPIC[1], over een lening voor het opzetten van een fabriek.

Nog tollend van de jetlag na de lange reis via Dubai en Amsterdam wandelde ik binnen tijdens de receptie in het vijfsterren Marriott Hotel. Meteen liep ik de commercieel attaché van de Afghaanse ambassade in Washington tegen het lijf, een jonge, hoogopgeleide en getalenteerde Afghaan die ik al lang kende. Voor de gelegenheid droeg ik een mantelpak, iets wat ik in Kabul nooit zou doen. Omdat ik me er, na al die jaren in Afghanistan, enigszins ongemakkelijk in voelde, had ik er lange laarzen bij aangetrokken, zodat niemand mijn benen kon zien. Ik liet de hoofddoek af. De receptiegangers waren gekleed in een zwart, grijs of donkerblauw maatkostuum, niet in militair uniforms of shalwar kameezes. Zo op het oog een doorsnee zakenconferentie. Er waren veel meer Amerikaanse deelnemers dan Afghanen. Dit soort bijeenkomsten werd, vanwege de veiligheid, niet in Afghanistan zelf gehouden. De meeste westerse aanwezigen kwamen daar waarschijnlijk nooit.

De volgende dag begon de conferentie in een van zalen van het Ronald Reagan Conference Center, waar US AID is gevestigd, op een steenworp afstand van de kantoren van de Wereld Bank, het IMF en de ADB. De een na de andere keynote speaker roemde de vooruitgang die in Afghanistan op economisch gebied geboekt was: een nieuwe landelijke ringweg, een mobiel telefonienetwerk, 24 uur per dag elektriciteit in de grote steden, meer dan 200 bedrijven op een nieuw industrieterrein in Kabul.

Dr. Shahrokh Behzadi van Etisalat Telecombedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten pochte over het succes van zijn bedrijf dat 300 miljoen US$ in infrastructuur had geïnvesteerd. ‘We zien onze winsten jaarlijks verdubbelen.’ Mobiele telefonie is een van de grote succesverhalen: in het land waar nooit een uitgebreid vast telefonienetwerk bestond, maakten toen bijna 18 miljoen mensen gebruik van een mobieltje. Satelliettorens brachten het bereik van het netwerk tot aan de meest verafgelegen locaties.

Vooral in de logistieke sector was de vooruitgang enorm. In 2001 had Afghanistan nog geen vliegtuig; het land had nu drie luchtvaartmaatschappijen en een vloot van 18 toestellen. In 2013 zouden er vier internationale luchthavens zijn. Alle zevenentwintig binnenlandse luchthavens worden gerenoveerd. De Zuid-Afrikaan Michael Timcke, directeur Business Development van de Afghaanse luchtvaartmaatschappij Kam Group, zag 2014 als een kans om te groeien: ‘Ons bedrijf is niet afhankelijk van de oorlogseconomie. Wij vervoeren burgers en zakelijk cargo.’ Een van de uitdagingen waar zijn bedrijf voor stond was ‘stroperij’ door buitenlandse maatschappijen, die de kansen op de Afghaanse markt roken.

Ik schoof ongeduldig heen en weer op mijn stoel bij het aanhoren van al die succesverhalen. Bij een van de organisaties die opschepte over de scholen die zij had gebouwd, kon ik mijn mond niet houden. Ik zei tegen een Afghaanse vrouw die naast me zat: ‘Ze zouden er duizend bouwen en het werden er tweehonderd.’ Een Amerikaanse journalist had dit eens gerapporteerd in een vooraanstaande krant. Zij knikte instemmend.

Ook Ishan Farid Khwaja, eigenaar van de Afghaanse I-Group of Companies, de exclusieve distributeur voor Ford Motor Company in Afghanistan, zag mogelijkheden: ‘Door het verbod op het rijden met tweedehands auto’s met bouwjaar vóór 2001 is er veel vraag naar nieuw auto’s. Er is ook behoefte aan onderhouds- en reparatiediensten en aan onderdelen.’ Hij verwachtte dat  de verkoop van auto’s in de komende jaren stabiel zou blijven of zelfs toe zou nemen, met een order van 12,000 voertuigen voor de ANA en ANP in de planning.

Hij sneed wel een heikel punt aan. Zijn bedrijf en vele andere werden geplaagd door vertragingen, tijdrovende willekeurige douane-inspecties en onvoorziene extra kosten voor het afladen van containers in Pakistan. Het aan pesterij grenzend Pakistaanse verbod op het transport van reserveonderdelen voor voertuigen was fnuikend voor zijn handel. Zonder zeehaven was Afghanistan afhankelijk van buurland Pakistan. De belangrijkste aanvoerroute was via de overslaghaven van Karachi, waar grote zeecontainers werden gelost voor transport over land naar Kabul. Ook de NAVO had daar last van. Als er wrijvingen waren met de VS dan sloot Pakistan de route af, waardoor militaire bevoorrading door de lucht moest gebeuren wat enorm kostbaar was. Dat had de NAVO aangezet tot de ontwikkeling van de noordelijke transportroute, van Turkije via Azerbaijan en Turkmenistan naar Afghanistan. Met de aanleg van een 75 km lange spoorweg van Hayratan, het overslagstation aan de grens met Uzbekistan, naar de cargoterminal van de luchthaven in Mazar-e Sharif, was Centraal-Azië voor Afghanistan ontsloten.

Robert Dail, president van de Supreme Group USA, een belangrijke leverancier van het Amerikaanse leger, zei: ’Had je me het tien jaar gevraagd, dan zou ik gezegd hebben dat zakelijke kansen in Afghanistan gering en riskant waren. Nu niet meer. De huidige infrastructuur is enabling.’ Hij zag het land uitgroeien tot een regionale transit hub.

Dat strookte met de visie van de Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, Hilary Clinton, voor Afghanistan. Zij presenteerde eerder dat jaar het Nieuwe Zijderoute Initiatief, waardoor in Centraal- en Zuid-Azië gebieden verbonden door een netwerk van bruggen, spoorwegen, snelwegen en pijpleidingen, economische activiteiten en handel explosief zou groeien. Dat zou de regionale stabiliteit ten goede komen. Ik kon me zo voorstellen dat als je op de landkaart kijkt, de mogelijkheden onbegrensd leken. Maar al deze plannen stonden zo ver af van de realiteit in Afghanistan zoals ik die kende dat het op luchtkastelen leken.

Op de conferentie vertelde Eric Postel van het Economic Growth and Trade Bureau van US AID dat de VS in 2012 meer geld dan de voorgaande jaren in Afghanistan zou besteden, om de lopende projecten sneller te kunnen afronden. Ook zou US AID voor dat jaar meer geld dan ooit uitrekken voor infrastructuurprojecten. Tot dan toe hadden al die geldstromen nog niet geleid tot veel verbetering; hoe konden ze dan zo zeker zijn dat nog meer geld dat wel zou doen? Of was dat nu precies wat ze dachten? Ik kwam er niet achter. In deze hal was weinig ruimte voor twijfel. Over mislukte projecten werd geen woord gerept.

Vertegenwoordigers van de grote Afghaanse bouwbedrijven wilden weten of ook zij van deze kansen konden profiteren; hun sector werd gedomineerd door internationale firma’s. Een belemmering voor lokale bedrijven waren de zogenaamde performance bonds. De Amerikaanse federale wetgeving vereist een garantie voor de financiële draagkracht van de uitvoerder van een bouwproject. Na de val van de Kabul Bank was er geen bank in Afghanistan die deze voor hun klanten af kon geven. Ook voldeden lokale bouwbedrijven niet aan de internationaal in de bouw geldende standaarden. ‘

Ze moeten werken aan strategische planning, cash flow management, concentreren op kerncompetenties, verbeteren van het communiceren van slecht nieuws – vertragingen – en het respecteren van deadlines,’ somde Daniel McFerrin bevoogdend op. Hij was directeur van het K-Spam Programma van ECC International, een bedrijf dat grootschalige constructieprojecten voor het Amerikaanse leger uitvoerde.

Postel waarschuwde voor een drastische teruggang in de geldstroom in 2013. Vanaf 2014 zou de VS een veel kleinere rol gaan spelen in de wederopbouw.

Na afloop van de conferentie praatte ik met Don Ritter, de voorzitter van de Afghan-American Chamber of Commerce. De voormalig senator was een van de loyale supporters van de Afghaanse mujahedeen in het Amerikaanse congres geweest. De laatste tien jaar investeerde hij in een aantal ondernemingen in Afghanistan en promootte de vrijemarkteconomie als initiatiefnemer van de handelsorganisatie. Ik vertelde hem dat ik de situatie in Afghanistan, in het licht van de terugtrekking van de westerse troepen, wat al te rooskleurig vond voorgesteld. Hij gaf toe: ‘Ik heb de sprekers geïnstrueerd om met een positief beeld te schetsen. Anders zou de transitie een domper op de hele conferentie hebben gezet.’



[1] Overseas Private Investment Corporation.

Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban

Voor ons bezoek aan de Helmand Business Association had het bewakingsteam een konvooi, bestaande uit een gepantserde terreinwagen met chauffeur en een 4WD met bewapende bewakers, ons personal detail, geregeld. Kogelvrije vesten en helm verplicht voor de rit. Het bewakingsteam verkende het gebouw voordat ze ons toestemming gaven uit de auto te stappen. Pas binnen het kantoor van de vereniging, een slecht onderhouden, twee verdiepingen hoog gebouw met tamelijk afgetrapte tapijten en afgebladderde muren, mocht het scherfvest uit. We ontmoetten het bestuur, bebaarde Pashtuns, in shalwaar kameez, grijze zijden turban op het hoofd, de slip over de schouder gedrapeerd, de traditionele zuidelijke klederdracht. Na de kennismaking gingen we zitten op de werkkamer van de voorzitter, Haji Ali Ahmad, die zelf plaatsnam achter een groot bureau. Het verschil met andere provincies waar ik keuterboertjes tegenkwam was opmerkelijk. Dit waren zelfbewuste zakenmensen.

‘De meeste van ons hebben een constructiebedrijf,’ zo legde de voorzitter uit. ‘We leggen wegen aan en leveren brandstof, arbeiders en andere logistieke diensten aan het PRT.’ Al spraken ze nauwelijks Engels en hadden ze niet veel meer opleiding dan basisschool, ze deden groot zaken. De organisatie was nog ambitieus ook: ‘We willen de naam veranderen in National Investment Organisation,’ om landelijk interesse te genereren. Daar stak het kantoor toch wat sjofeltjes bij af.

Mijn twee Afghaanse medewerkers hadden uit veiligheidsoverwegingen geen gebruik mogen maken van de diplomatieke luchtverbinding; zij waren met de commerciële Afghaanse luchtvaartmaatschappij Pamir Air naar Lashkar Gah gevlogen. Ze logeerden ook niet in het militaire kamp, maar in het lokale Bost Hotel. Normaal gekleed in T-shirt of overhemd met spijkerbroek, arriveerden ze op het kantoor van de vereniging in shalwaar kameez en met een stoppelbaardje. Ik zag ze daar pas voor het eerst. Ze mochten niet op het PRT zonder antecedentenonderzoek. Afghanen kregen alleen toegang tot het militaire kamp na verificatie van de identiteit met een retinascan en vingerafdrukken. De dure doos chocolade die ze hadden meegenomen als relatiegeschenk viel in goede aarde bij de voorzitter.

‘De veiligheid is enorm verbeterd in het laatste jaar,’ zo meenden de ondernemers. Daarom was er veel animo voor het industrieterrein: ‘Een van de grootste obstakels voor de lokale economie was het gebrek aan land voor industriële activiteiten.’ De gemeente verbood bedrijven om binnen de stadsgrenzen een fabriek te beginnen; het platteland was onveilig. Ze klaagden over de inefficiëntie en ineffectiviteit van de overheid. Gemeenteambtenaars vroegen openlijk om smeergeld. De burgemeester van Lashkar Gah zou een huis ter waarde van honderdduizenden dollars bezitten, terwijl zijn salaris slechts 200 US$ per maand bedroeg. De zakenmannen geloofden niet dat de overheid deze keer werkelijk iets voor hen zou doen. Buitenlanders hadden in het verleden gedane beloftes ook niet kunnen waarmaken. De ondernemers wilden de grond op het industrieterrein dan ook het liefst kopen. ‘We vertrouwen de regering niet,’ zo zei een van hen. Het land in Helmand behoorde toe aan de Afghaanse regering; beslissingen over wie welk stuk perceel kreeg toegewezen werden in Kabul genomen. ‘Straks hebben we geïnvesteerd in gebouwen en zegt de regering ons leasecontract op! Een nieuw regime kan de voorwaarden veranderen. Dat zou niet voor het eerst zijn.’ De Britse projectleider lichtte toe dat de Afghaanse regering wilde voorkomen dat de ondernemers met de grond zouden gaan speculeren wanneer ze die in eigendom hadden, of er een flatgebouw op zouden zetten in plaats van een fabriek.

Elektriciteit was een ander groot probleem. Haji Ali Ahmad legde uit: ‘De stroom van de waterkrachtcentrale is onbetrouwbaar. De verbinding naar de stad is van slechte kwaliteit.’ De Taliban saboteerde de toevoer van elektriciteit door de stroomkabels met regelmatmaat door te snijden. Helmand kreeg haar elektriciteit van de Kajaki hydro-elektrische krachtcentrale gelegen in het bergachtige noorden van de provincie. In 1953 hadden Amerikaanse ingenieurs de reusachtige betonnen dam in de Helmandrivier gebouwd. Hierdoor konden de lager gelegen landbouwgronden via een netwerk aan irrigatiekanalen van water worden voorzien. Het grootste ontwikkelingsproject in de geschiedenis van Afghanistan had de provincie moeten veranderen in een groene oase van vruchtbaar akkerland waar honderdduizenden nomaden zich hadden kunnen vestigen op voorheen droge woestijngrond. Het kostbare project mislukte omdat grote delen van de nieuwe landbouwgronden verziltten. Op de nieuw verworven gronden ging de bevolking papaver verbouwen. Het had een positieve impuls moeten geven aan de VS-Afghaanse diplomatieke relatie, ‘maar het project droeg zo weinig bij aan de economische ontwikkeling van het land, dat het Afghanistan uiteindelijk in de armen van de Russen dreef’, aldus de huidige Afghaanse Minister van Financiën Omar Zakhilwal in een commentaar destijds.

Na de krachtcentrale in 2001 te hebben platgebombardeerd, had het Amerikaanse leger de twee turbines, met een gezamenlijke capaciteit van 33MW, weer gerepareerd. Dat bleek bij lange na niet voldoende om in de toenemende vraag naar stroom in de zuidelijke provincies te voorzien. Het grootste deel van de opgewekte elektriciteit werd door de nabijgelegen zuidelijke hoofdstad Kandahar afgeroomd. Voor Lashkar Gah bleef er weinig over. De Amerikanen spaarden kosten nog moeite om de capaciteit van de krachtcentrale uit te breiden. Bij de verdediging van de ingenieurs en arbeiders tegen aanvallen van terroristen vielen tientallen doden. Toen de onderdelen van een derde turbine eindelijk werden afgeleverd op locatie, onder bescherming van 2,000 Britse soldaten, was geen bouwbedrijf bereid in die onveilige omgeving een betonvloer te storten. Nadat een Chinees bedrijf was ingehuurd voor die taak, voorkwam de Taliban de aflevering van de zakken cement.

De ondernemers uit Helmand zaten vol goede ideeën. Een aantal was van plan een fabriek voor de verwerking van ruw katoen op te starten. Voor de oorlog was katoen de belangrijkste cash crop in de provincie. Met de hulp van de Britse overheid was in de jaren zestig een katoenfabriek gebouwd. Katoen werd uitgevoerd naar Duitsland, China en Japan. De socialistische regering verstrekte zaden en kunstmest aan de boeren en kocht de oogst in voor de fabriek tegen een in Kabul bepaalde prijs. Ze verbood privé-initiatieven. Tot voor kort bleef dit monopolie gehandhaafd. De lokale overheid trad zelfs actief op door illegale fabriekjes te overvallen. De Bost Katoenfabriek echter maakte jaarlijks een paar miljoen verlies, een tekort dat door de staat moest worden aangevuld. In een jaar van de overstromingen kwamen Pakistaanse handelaars naar Helmand om ruw katoen in te kopen voor de textielindustrie in eigen land. Dat wekte de interesse van de plaatselijke ondernemers. Het Afghaanse Ministerie van Landbouw had geen beleid om de katoenteelt op industriële schaal te stimuleren. Zij liet het aan het bedrijfsleven over om zakelijke kansen te benutten. De markt werd opengesteld voor de private sector. Haji Ali Ahmad had al machines aangeschaft, in afwachting van de toekenning van een perceel op het industrieterrein. Hij zei: ‘Wanneer er een commerciële katoenfabriek zou zijn, dan zouden boeren katoen verbouwen in plaats van papaver.’

Enkele ondernemers wilden graanmolens bouwen. Afghanistan produceerde niet voldoende tarwe om te voorzien in de behoefte van de ruim 30 miljoen inwoners, voor wie brood een basisbehoefte is. Jaarlijks werden duizenden tonnen graan en meel uit Kazakhstan en Pakistan geïmporteerd. In Helmand werd een overschot geproduceerd. Op het platteland stonden honderden kleine molens, aangedreven door dieselgeneratoren, tarwe te vermalen tot meel voor eigen gebruik. Er was echter geen graanfabriek; overschotten werden naar Kandahar en Ghazni gezonden voor verwerking. Meel moest worden ingekocht. Haji Nisar, een lid van de vereniging, dacht dat de belangrijkste reden voor de onveiligheid in de provincie was dat er geen markten en banen waren. ‘Wanneer er een molen wordt gebouwd, die lokaal graan koopt van de boeren tegen een eerlijke prijs, dan zouden minder mensen papaver telen.’ Hij ging zelfs nog verder: ‘Wanneer de silo jonge werkeloze mannen in dienst neemt, dan treden die niet toe tot de gelederen van de Taliban.’

De ondernemers wilden onze hulp bij het opstellen van ondernemingsplannen. Er was geen behoefte aan subsidies of leningen, wat vaak wel het geval was in andere provincies. ‘Geld hebben we genoeg,’ zo zeiden ze.

Mijn Afghaanse werknemers spraken in de loop van de week met individuele ondernemers om de behoefte aan ondersteuning nader in kaart te brengen. Via een lokale makelaar kwamen ze in contact met een huiseigenaar waar ze een kantoor van huurden. Ze namen sollicitatiegesprekken af voor bewakers en ander ondersteunend personeel. Ik was tevreden met de geboekte resultaten. Zelf mocht ik de stad niet in. Er waren niet voldoende gepantserde voertuigen beschikbaar en ik mocht vanwege het veiligheidsprotocol niet buiten de poort van het PRT zonder personal detail. Zo kon ik de plek van het industrieterrein niet verkennen. Een bezoek aan de katoenfabriek werd niet veilig geacht. Wel bezichtigden we een marmerfabriek. Daarom deed ik de ronde op de PRT en sprak met de vertegenwoordigers van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw en diverse militaire onderdelen. Er leek weinig coördinatie en communicatie te zijn tussen al die organisaties die in hetzelfde kamp verbleven.

Op donderdagavond gingen mijn medewerkers in de geest van de Afghaanse gastvrijheid eten bij een van de zakenmensen. Ze kregen een overdadig diner aangeboden, met lamskebab, rijst, salades en vers fruit toe, vanzelfsprekend zonder alcohol. De gastheer gaf een rondleiding door zijn bedrijf. In een van de kamers op het kantoor lagen balen Amerikaanse dollars. ‘Opgestapeld tot aan het plafond,’ vertelde de programmamanager me later vol ontzag. ‘Net een bankkluis!’ Er bestond bij hem weinig twijfel over waar het geld vandaan kwam. Opium. Tegen hen gaf de gastheer ook toe, iets wat hij in het bijzijn van buitenlanders niet zou doen, dat hij contacten had met de Taliban. Dan vielen ze hem niet lastig, was de redenering. ‘Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban.’ Na het eten kwamen de Afghanen terug in het Bost Hotel, waar de stroom was uitgevallen. Ze moesten op de tast hun kamer vinden.

Ik at met de Britse collega’s in een enorme legertent met planken vloeren, waar drie keer per dag eten werd geserveerd voor de duizenden, grotendeels Britse, militairen die in het kamp verbleven. Er stond fish en chips, spaghetti bolognaise, biefstuk, salades en toetjes op het menu. Het legerkamp beschikte over een gymzaal, café en filmzaal voor de vrijetijdbesteding. Een zogenaamde PX-winkel verkocht toiletartikelen, chips, dvd’s, iPods, iPads en vrijetijdskleding van North Face en Timberland. Daarna bezochten we de bar, die volliep met hulpverleners en militairen in vrijetijdskleding. Alcohol was hier spotgoedkoop in vergelijking met de bars en restaurants in Kabul, want het was hier in ruime mate aanwezig, terwijl in de hoofdstad schaarste heerste. Toen ik tegen middernacht in de scherpe avondlucht naar mijn verwarmde wooncontainer wandelde, baadde het militaire terrein in het licht van felle schijnwerpers. Ik was in een goede stemming. De week was goed verlopen.

Op vrijdag rond het middaguur wachtte ik in het PRT ruim een uur in scherfvest, in een auto met draaiende motor, op het vertreksignaal. De bewakers stonden in verbinding met de piloten van het ambassadevliegtuig, zodat ze de aankomst van passagiers konden coördineren met dat van het vliegtuig. Te lang op de landingsbaan staan vormde een risico. We maakten een tussenlanding op het vliegveld van Camp Bastion om  hoogwaardigheidsbekleders op te halen. Het zou gaan om de Britse Minister van Buitenlandse Zaken David Miliband, die in de ochtend onverwacht een bliksembezoek had gebracht aan de Engelse troepen op het PRT in Lashkar Gah. In de onherbergzame noordwestelijke woestijn van Helmand hadden de Britten een gigantisch legerkamp uit de grond gestampt dat fungeerde als logistiek centrum voor de Britse operaties in de provincie. De immense schaal van de basis was goed te zien toen we er overheen vlogen: er leek geen eind aan te komen. De basis huisvestte troepen van de landmacht, marine en luchtmacht, met al het ondersteunende personeel omstreeks 25,000 mensen. Het omvatte een volledig geoutilleerd modern vliegveld, ziekenhuis en brandweerkazerne. Er waren opslagloodsen, wooncontainers en tenten, kantines, hangars en verbrandingsovens voor afval. De luchthaven faciliteerde het opstijgen en landen van honderden vliegtuigen per dag, met vaste vleugels en draaivleugels, zoals Chinook-helikopters. Apparatuur draaide op dieselgeneratoren; er was 24 uur per dag elektriciteit, daar waar Lashkar Gah nog geen 3 uur per dag stroom kreeg. Amerikaanse ingenieurs bouwden een kamp op het belendende terrein om de influx van mariniers te faciliteren. Camp Bastion was de grootste Engelse legerbasis buiten Groot-Brittannië sinds de tweede wereldoorlog.

We stonden uren stil op de landingsbaan, zonder verwarming, eten en drinken. Ik wilde mijn manager in Kabul telefonisch verwittigen van de vertraging en vertelde zonder nadenken dat ik me in Camp Bastion bevond. Meteen kreeg ik een por in mijn rug van een medereiziger: ‘Dat mag je niet vertellen door de telefoon. Wie weet wie er meeluistert!’ Ik kreeg een kleur. In de zakenwereld luisterde vijanden geen telefoongesprekken af. Eindelijk arriveerden de ‘VIPs’: met de Minister meegereisde leden van de Britse media. De Minister werd vanwege de veiligheid per helikopter vervoerd naar de Britse Ambassade in Kabul.

Met kogelvrij vest aan naar Helmand

Om zes uur op een kille ochtend in januari meldde ik me bij een zwaarbeveiligde zone binnen de diplomatenwijk Wazir Akbar Khan. Toegang tot deze onofficiële Green Zone werd geregeld door een checkpoint met slagboom. Omdat mijn Afghaanse chauffeur met zijn lokale taxi geen vergunning had voor dit gebied, ging ik te voet verder. Bij de Britse Ambassade ontmoette ik het bewakingsteam dat me naar de militaire luchthaven zou brengen. Een goudkleurige, gepantserde 4WD stond voor de poort te wachten. Een bewaker van de ambassade, in kakikleurig fleecejack, een donkerblauw kogelvrij vest met de Britse vlag onder de hals en een kakikleurige cargobroek, overhandigde mij een kogelvrij vest en een helm. Die had ik niet eerder nodig gehad in al die zes jaar dat ik in Afghanistan woonde. Ik leende ze daarom voor deze gelegenheid van hem. We stapten in de auto.

‘Tijdens het vervoer dragen we altijd scherfvest en helm. Ik ben verantwoordelijk voor jullie veiligheid. De chauffeur en ik dragen beiden een wapen. Wanneer we worden aangevallen, moet je mijn instructies opvolgen. Verlaat het voertuig nooit zonder mijn toestemming, ook niet in een noodgeval. Binnen ben je veiliger dan daarbuiten. Mochten de chauffeur en ik beiden zijn uitgeschakeld, dan kan je contact opnemen met de controlekamer via dit apparaat. Het call sign van de auto staat hier. Hier is een EHBO-doos. Prettige reis.’

De briefing van de beveiligingsman tijdens de rit naar de luchthaven, die me op mijn gemak moest stellen, had precies het tegenovergestelde effect. Terwijl ik deze weg naar de luchthaven van Kabul al minstens vijftig keer in een gewone taxi had afgelegd, voelde ik me in dit gepantserde voertuig voor het eerst gespannen. Deze auto’s vormden een doelwit, de zilvergrijze Toyota Corolla’s waarin ik doorgaans door de stad werd gereden niet.

Mijn bedrijf ging een project uitvoeren voor de Britse ontwikkelingsorganisatie DFID in Helmand. Terwijl een Brits ingenieursbureau een industrieterrein aanlegde, zouden wij ondersteuning geven aan lokale bedrijven die daar een fabriek wilden starten. Ik was opgetogen over deze kans om iets te doen voor het bedrijfsleven in deze zuidelijke provincie, waar door de gewapende conflicten van de laatste jaren nog weinig van ontwikkeling terechtgekomen was: fabriekjes opstarten, mensen aan het werk helpen en boeren een afzetmarkt voor hun waar bieden. We kregen het omvangrijke project toegewezen op grond van onze reputatie voor het behalen van resultaat onder moeilijke omstandigheden. De Britten gaven ons veel ruimte, waardoor ik had besloten om Afghanen aan te nemen en op te leiden die na afloop van het project zelfstandig als bedrijfsadviseurs aan de slag zouden kunnen gaan. Dat bestond nog niet in Helmand. Voor de aftrap van dit project vloog ik naar Lashkar Gah, de hoofdstad van Helmand. Daar zou ik verblijven in het Britse militaire kamp bij het Provinciale Reconstructie Team (PRT). Vanwege het strenge veiligheidsprotocol van de Britse organisatie ging de reis met een diplomatiek vliegtuigje. Op KAIA boardde ik het kleine witte propellervliegtuigje met scherfvest en helm.

Direct na het opstijgen ontdeden mijn medepassagiers zich van hun beschermingsmiddelen. Ik deed ook een poging, maar het vest, bestemd voor een man, was te zwaar. Iemand schoot te hulp en tilde het van me af. Door het vliegtuigraampje zag ik een uitgestrekte vlakte, een lappendeken van goudgele vakjes, net een verfomfaaid dambord. Helmand was jarenlang het bolwerk van de Taliban geweest. Al was de beweging ontstaan in de vluchtelingenkampen in Pakistan, en namen ze haar toevlucht na 2001 ook weer tot dat land, de zuidelijke provincies van Afghanistan vormden de geboortegronden van de Taliban. Door de geringe regenval en temperaturen oplopend tot 50 graden Celsius in de zomer lenen de klimatologische omstandigheden zich bij uitstek voor papaver. De opiumteelt floreerde. Afghanistan leverde 90% van de totale hoeveelheid heroïne op de wereldmarkt; Helmand was verantwoordelijk voor de productie van zeker de helft daarvan. Door belasting te heffen op de opiumhandel konden de moslimextremisten hun comeback financieren.

In juli 2006 vond de eerste van een aantal grootschalige militaire operaties plaats om de opmars van de opstandelingen tot stilstand te brengen, Operation Mountain Thrust. In augustus van dat jaar werd de handhaving van de veiligheid overgedragen aan Groot-Brittannië. De Britten hadden, net als Nederland in Uruzgan, een opbouwmissie verwacht. Zelfs met een uitbreiding van hun troepenmacht tot 10,000 konden ze echter niet voorkomen dat de Taliban stevig voet aan de grond kreeg in het uitgestrekte woestijngebied. Een militaire influx volgde in 2009 onder de nieuw gekozen Amerikaanse president Obama: 22,000 Amerikaanse mariniers kwamen de Engelse bondgenoten versterken. Gevechten vonden plaats om districten, dorpen en gehuchten. Al leek het van weinig strategische waarde, Helmand was het toneel van de zwaarste gevechten in de bijna twaalf jaar durende oorlog, die het leven kostten aan honderden coalitiemilitairen. Nog eens honderden verloren één of beide benen door bermbommen en mijnen. Ook de Taliban leed grote verliezen. Het werd district na district uitgejaagd. Wapendepots werden opgerold. Coalitietroepen vernietigden papavervelden. Van wederopbouw was tot dan toe weinig terecht gekomen. Toen ISAF begin 2010 de situatie onder controle achtte, kon het dan eindelijk gaan beginnen. Gouverneur Ghulab Mangal werd beschouwd als een van de meest competente provinciale leiders, een tegenstander van de corrupte regering in Kabul. Onder zijn leiding zou de opiumteelt zijn gedaald en de dienstverlening aan de bevolking verbeterd. Oorspronkelijk niet uit Helmand afkomstig, wat zijn taak bemoeilijkte, overleefde hij meerdere aanslagen. De Britten liepen met hem weg en stelden ruime fondsen ter beschikking aan de bestuurder. DFID, een Britse ontwikkelingsorganisatie met ministeriële status, had nu een ambitieus plan voor de aanleg van een industrieterrein opgesteld om werkgelegenheid te scheppen in de provincie.

Niemand waarschuwde voor de abrupte daling naar Lashkar Gah. Het vliegtuig bleef zo lang mogelijk op grote hoogte om pas in de nabijheid van de eindbestemming een scherpe daling in te zetten. Mijn maag schoot in mijn keel. Ik slikte verwoed om de druk op mijn oren te verminderen en zette me schrap tegen de stoel voor me. Zelfs nadat we geland waren duurde het nog even voor de misselijkheid was weggetrokken. Voor het verlaten van het vliegtuigje volgde ik het voorbeeld van mijn medepassagiers, deed het scherfvest weer om en zette de helm op. De luchthaven bestond uit weinig meer dan een betonnen landingsbaan midden in de woestijn, aan alle kanten afgezet met een kraag prikkeldraad. Er was een klein terminalgebouw voor de vluchtleiding. De aanleg van dit vliegveld, op de plek waar eerder een Russische luchtmachtbasis was geweest, had de Amerikanen 9 miljoen US$ gekost.

De beveiliging had twee gepantserde voertuigen gestuurd om mij en twee medepassagiers op te halen. Engelse bewakers in het uniform van het bewakingsbedrijf, donkerblauwe blouse en kakikleurige cargobroek, leken op Michelinmannetjes, met het kakikleurig kogelvrijvest, een riem rondom volgepropt met reservepatronen, pistool in een holster om het bovenbeen. Ze bevalen ons kortaf in de nabijheid van de terminal te wachten. Die moest ons afschermen voor eventuele scherpschutters. Op enige afstand stonden een paar bewakers met zonnebrillen en machinegeweren in de aanslag de omgeving te scannen.

Zodra de bagage was verzameld klommen we in een goudkleurige, gepantserde terreinwagen waar we weer een briefing kregen. Het konvooi zette zich in beweging. Via de radio stonden de auto’s in verbinding met de controlekamer op de basis. De bijrijder sprak doorlopend met de controlekamer. Hij meldde verdachte bewegingen en voertuigen op de weg en vroeg om advies voor de beste route.

‘Wat is dat gat in de voorruit?’ vroeg ik.

‘Oh,’ zei de bijrijder nonchalant, ‘We zijn laatst een keer beschoten.’

‘Is dat geen gewapend glas dan?’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Een raket, geen kogel. Daar doe je niets aan.’

Zonder ook maar een keer te stoppen raasden we op hoge snelheid door het centrum van Lashkar Gah. Het lokale verkeer, kennelijk gewend aan militaire kolonnes, ontweek ons. De hoofdwegen waren voorzien van nieuw asfalt. Ik maakte wat foto’s door het raam. De bebouwing bestond voornamelijk uit traditionele Afghaanse lemen huisjes. Er was bijna niemand op straat, ook al was het rond het middaguur. Geen vrouw te zien. Ik ving een glimp op van een boerka in de achterbak van een tuktuk. Mannen gingen gekleed in shalwaar kameez en longee, niet in spijkerbroek of westers kostuum, zoals ik tegenwoordig in Kabul meer zag. Grote kleurrijke reclameborden riepen de Helmandi’s op een mobiel telefonieabonnement van Roshan of Afghan Wireless aan te schaffen. Laagbouwwinkels met open gevels verkochten graan, katoen, meel en benzine. Rijen handkarren stonden voor een overdekte markt in aanbouw, overladen met verse groente en fruit. De bewoners van Lash, zoals de stad in militair jargon werd aangeduid, voor het merendeel Pashtun, leven van de landbouw. Al geniet het officieel stadrechten, Lashkar Gah is weinig meer dan een dorp. Kabul voelde hier letterlijk en figuurlijk ver weg. Voor een moderne graanschuur lagen stapels meelzakken bedrukt met ‘US AID. From the American People.’

De lay-out, met brede lanen op een rechthoekig raster deed modern aan, anders dan de organische structuur van de meeste Afghaanse steden. Westerse ingenieurs waren verantwoordelijk geweest voor de stadsplanning. In de jaren zestig huisde er in Lashkar Gah een gemeenschap van Amerikaanse ingenieurs en landbouwdeskundigen in dienst van een grootschalig ontwikkelingsproject, het Helmand Vallei Project. Afghanistan had Amerikaanse dollars verdiend met de export van schapenhuiden. Koning Zahir Shah besloot dat geld te investeren in een dam in de grootste rivier van Afghanistan, de Helmand, om zijn land te moderniseren en een economische impuls te geven. Hij contracteerde Morrison-Knudsen, het Amerikaanse ingenieursbureau dat de Hooverdam had gebouwd, om deze visie te realiseren. Er werd een netwerk van irrigatiekanalen aangelegd om de droge landbouwgronden te bevloeien. In ‘Klein Amerika’, zoals de stad toen werd genoemd, woonden de Amerikaanse families in beschutte enclaves, met scholen en zwembaden, moderne oases, een replica van het leven in suburbia in de VS.

Ik verbleef bij het PRT binnen de Britse militaire basis Lashkar Gah, in een van de vele wooncontainers die het uitgestrekte legerkamp telde. Dit hok, met airconditioning, Wifi, warme douche en satelliet-TV, was beslist comfortabeler dan mijn eigen huis in Kabul.

US AID was de grootste geldschieter van ontwikkelingsprojecten in Helmand. Ze trokken vooral veel geld uit voor het verlenen van ondersteuning aan de landbouw om boeren in de provincie over te halen om van papaver over te gaan op legale gewassen. Haar contractors waren gehuisvest in hetzelfde soort zwaarbewaakte compounds als ik in Kabul en andere steden had bezocht. Ze konden daarom veel Afghanen in dienst nemen. Hoe gevaarlijk werken aan de frontlinie kon zijn voor hulpverleners bleek in 2005. Bij een directe aanval op het kantoor van een van deze hulporganisaties kwam een aantal lokale werknemers om het leven. Nog eens vijf medewerkers van het project werden vermoord door de Taliban tijdens het inspecteren van irrigatiekanalen. Enkele dagen later werd een groep familieleden op weg naar Kabul voor de begrafenis ook het slachtoffer van de moslimextremisten. Het project staakte toen om veiligheidsredenen de werkzaamheden.

US AIDs Britse tegenhanger DFID, een ontwikkelingsorganisatie met ministeriële status, stationeerde haar ontwikkelingswerkers en consultants uit veiligheidsoverwegingen op het PRT en de andere militaire legerkampen in de provincie. In Lashkar Gah werden ze ondersteund door één Afghaanse vertaler. Ik ontmoette een van de vertegenwoordigers van DFID, die op het PRT woonde. Zijn regime was zes weken op, twee weken af. Ik vroeg hem of het niet meer zin zou hebben om meer lokaal personeel aan te nemen. Hij begreep mijn vraag verkeerd: ‘We hebben hier al minder expats in dienst dan waar ook ter wereld, omdat de kosten per jaar per expat, inclusief onderkomen in het PRT en bewaking, zo hoog zijn.’ Hij schatte dat het jaarlijks om een half miljoen per persoon zou gaan.