Kopermijn bedreigt Boeddhistische stad in Afghanistan (Dutch)

Zittend Boeddhabeeld in Mes Aynak. Foto van Brent Huffman.

Dat IS werelderfgoed aan gruzelementen slaat en plat bulldozert was de laatste maanden wereldnieuws. In Afghanistan loopt een Boeddhistische stad het gevaar geruimd te worden. Niet door moslimfundamentalisten, maar om plaats te maken voor een kopermijn. Met instemming van de Afghaanse regering en de internationale gemeenschap. Zij zien mijnbouw als de redding van het land dat na het vertrek van de westerse troepen op de rand van de financiële afgrond staat. De antieke stad is van onschatbare waarde voor het werelderfgoed.

Het contract voor de exploitatie van de Mes Aynak-mijn in Afghanistan, een van de grootste koperdeposito’s ter wereld, werd in 2007 toegekend aan het mijnbouwbedrijf China Metallurgical Group Corporation (MCC). Het Chinese staatsbedrijf beloofde 909 miljoen US$ te investeren en verwierf daarmee voor dertig jaar de rechten voor de winning van koper. Tijdens de eerste afgravingen in Mes Aynak – wat ‘kleine koperput’ betekent – stuitten de mijnwerkers op een boeddhistisch klooster uit de vijfde eeuw. Een team van Afghaanse archeologen kreeg drie jaar de tijd om de meest waardevolle antieke relikwieën te redden. Het bleek te gaan om een complex van boeddhistische kloosters en tempels dat bijna 400,000 vierkante meter besloeg, een stad. Internationale archeologen zijn er van overtuigd dat de waarde van Mes Aynak vergelijkbaar is met die van Machu Picchu of Pompeii. Het zou kunnen behoren tot de belangrijkste archeologische vondsten ooit gedaan.  

Boeddha in toga

Afghanistan wordt in Nederland vooral geassocieerd met oorlog. Dat het Afghaanse landschap ooit bezaaid was met overblijfselen uit het verleden die getuigden van een rijke en turbulente geschiedenis is weinig bekend. Van al die oudheidkundige schatten is na ruim drie decennia van conflict weinig over. Hadda, een boeddhistische stad gelegen in het oosten van het land waar aan het begin van de twintigste eeuw opgravingen plaats hadden gevonden, werd verwoest tijdens de burgeroorlog. De in Mes Aynak gevonden beelden portretteren de Boeddha gekleed in Griekse toga. Voordat het gebied dat we tegenwoordig Afghanistan noemen halverwege de zevende eeuw in aanraking kwam met de islam was het een Boeddhistisch centrum van betekenis. Tijdens het Romeinse Rijk bloeide er de grootse Gandhara-beschaving, een versmelting van Indische en Griekse invloeden, die door de volgelingen van Alexander de Grote over Azië werd verspreid. Pelgrims uit alle delen van India en China reisden naar Afghanistan op bedevaart. Een van meest uitzonderlijke vondsten in Mes Aynak tot nu toe is die van een verguld Boeddhahoofd met Aziatische trekken, dat op Chinese invloeden wijst.

Onschatbare waarde

Naast honderden levensgrote Boeddhabeelden werden in Mes Aynak ook gouden en koperen munten, juwelen en muurschilderingen aangetroffen. Duizend jaar oude manuscripten konden in Mes Aynak bewaard blijven door de unieke klimatologische omstandigheden in het gebied. De teksten tonen aan dat er meer dan duizend jaar geleden op die locatie een beschaving leefde die het schrift kende. De oudheidkundigen vonden aanwijzingen dat er in die tijd al koper werd gemijnd en tot munten en beelden verwerkt. Mogelijk was dit de reden voor de bloei van deze antieke stad. Deze ontdekkingen leveren een bijdrage aan het herschrijven van het verleden en zijn daarmee van onschatbare waarde voor het werelderfgoed. Mes Aynak is een getuigenis van een belangrijk hoofdstuk uit de turbulente geschiedenis van het Centraal-Aziatische land: een periode van welvaart en vreedzaamheid die in schril contrast staat met de laatste decennia van conflict. Tot op heden is maar 10% van de vindplaats onderzocht. De archeologen zijn nog niet toegekomen aan de onderste grondlaag, die vijfduizend jaar oude artefacten uit de Bronstijd bevat.

Weerstand

De Afghaanse archeologen in Mes Aynak staan onder hoge tijdsdruk om, onder zware omstandigheden en met beperkte middelen, een opgraving te doen die normaliter 20 tot 30 jaar in beslag zou nemen. Brent Huffman deed in 2011 onderzoek voor een documentaire over het team dat probeerde om zoveel mogelijk kunstschatten uit Mes Aynak te redden. De Amerikaan stuitte op weerstand van experts van de Wereldbank en de Amerikaanse ambassade in Afghanistan. Zij beschouwden de kopermijn als een godsgeschenk voor het land dat voor 90% van haar budget afhankelijk was van internationale donoren. Koperwinning in Mes Aynak kan lokaal vijfduizend banen creëren en jaarlijks 541 miljoen US$ aan inkomsten voor de Afghaanse overheid genereren. Bovendien beloofde MCC te investeren in een spoorweg, elektriciteitscentrale, koolmijn en koperverwerkingsfabriek. Huffman werd onder druk gezet om van de documentaire af te zien. Tijdens de wereldpremière van ‘Saving Mes Aynak’ op het IDFA in Amsterdam noemde hij ‘vernietiging van een antieke stad door Chinese mijnbouwers’ een ‘onmogelijk verhaal’.

Raketten

De site zou al geruimd zijn geweest, als de Chinese mijnbouwers zich niet terug hadden getrokken uit Mes Aynak nadat hun kamp bestookt werd met raketten door de Taliban. Door de verslechtering van de Chinese economie en de daling van koperprijzen op de wereldmarkt kwam het ze niet slecht uit, om de investering op de lange baan te schuiven. De Afghaanse overheid zet MCC onder druk om zich aan de oorspronkelijke afspraken te houden. Haar economie, die door militaire bestedingen en buitenlandse hulp tien jaar lang een spectaculaire groei had doorgemaakt, stortte in 2013 in. De Afghaanse president Ashraf Ghani, een voormalig medewerker van de Wereldbank, heeft ambitieuze plannen om de afhankelijkheid van buitenlandse hulp snel af te bouwen. Daarin speelt mijnbouw een belangrijke rol. Ghani denkt dat zijn land binnen 15 jaar de grootste leverancier van koper en ijzer in de wereld kan worden.

 

Dit verhaal werd gepubliceerd in het Parool op 15 augustus 2015

 

Afghanistan heeft economische ontwikkeling nodig (Dutch)

Traffic jam

Vorige week kwam het bericht in de pers dat politieposten in Uruzgan waren ingenomen door de Taliban. Het veroorzaakte grote ophef in Nederland, vooral onder militairen die zich afvroegen of hun inspanningen en opofferingen tevergeefs waren geweest. Hier en daar werd de suggestie gewekt dat we er langer waren hadden moeten blijven. De westerse troepenmacht is er in veertien jaar niet in geslaagd om de Taliban te verslaan. De belangrijkste reden dat de missie in deze opzet faalde, was dat zij de Afghaanse bevolking geen duurzaam economisch toekomstperspectief kon bieden.

Het aan Uruzgan grenzende Helmand is exemplarisch voor wat er mis ging. De zuidelijke provincie, thuisland van de Taliban, was het toneel van de zwaarste gevechten in de oorlog. Van wederopbouw was weinig terechtgekomen. Er was nauwelijks industriële bedrijvigheid; werkeloosheid was hoog. Poppy tierde welig. Tegen het einde van 2010 verklaarde het Britse leger de provincie veilig. In Lashkar Gah, de provinciale hoofdstad, sprak ik begin 2011 met Afghaanse zakenmensen over economische projecten. Zij wilden best investeren, maar er was geen land beschikbaar. Ze verwachtten geen hulp van de regering in Kabul en beschouwden de lokale bestuurders als corrupt. Een van de ondernemers legde het verband met de grote aanwas van de moslimfundamentalisten in de provincie. ‘Hadden we een graansilo of een katoenfabriek, dan zouden jonge mannen zich niet aansluiten bij de Taliban.’ Britse ontwikkelingswerkers, verbonden aan de militaire basis, zeiden toe een state-of-the-art industrieterrein in de stad aan te leggen om werkgelegenheid te creëren. Zij vertrokken met de militairen in 2014 en droegen de verantwoordelijkheid voor het project over aan de Afghaanse overheid die daar de capaciteit noch de middelen voor had. Het industrieterrein kwam er niet.

Ontwikkelingssamenwerking in Afghanistan was vaak ondergeschikt aan politieke en militaire motieven. Economische projecten werden daardoor gekenmerkt door overambitieuze doelstellingen, niet afgestemd op de lokale behoeften of omstandigheden. Westerse organisaties namen als een parallelle overheid de primaire dienstverlening voor hun rekening. De regering ontwikkelde geen structureel economisch beleid. Corruptie roomde ontwikkelingsbudgetten af.  De economie die door de aanwezigheid van hulporganisaties en militaire contracten was opgebloeid stortte in toen de westerse soldaten zich begonnen terug te trekken in 2013.  Na veertien jaar buitenlandse interventie is Afghanistan nog steeds een van de armste landen ter wereld. Werkeloosheid is 40%. Binnenlandse productie is gering; import tien keer meer dan de export. Ongelijkheid is toegenomen. Een recent onderzoek van The Asia Foundation toonde aan dat Afghanen de slechte economie en de daaruit volgende werkeloosheid als het grootste probleem in hun land zien.

Om het vertrouwen van potentiele investeerders, zowel binnenlandse als buitenlandse, te herstellen zijn politieke stabiliteit en veiligheid van cruciaal belang. Voortgang in de vredesonderhandelingen zou daar een belangrijk fundament voor leggen. Wat de economie weer op gang zou helpen is het stimuleren van ondernemerschap, onder meer door het beschikbaar stellen van land en financiering, in het bijzonder landbouwkrediet. Dat vraagt niet alleen een langdurige betrokkenheid van de internationale gemeenschap, die grote infrastructurele projecten kunnen financieren, maar ook om een partnerschap met de Afghaanse overheid die de voortrekkersrol op zich moet nemen in het verbeteren van het ondernemersklimaat. Het vraagt om kleinschalige ontwikkelingsprojecten op lokaal niveau, geleid door Afghanen, op basis van lokale prioriteiten en behoeften om obstakels die mensen toegang tot markten ontzegt uit de weg te ruimen.  Het vraagt om het trainen van ondernemers en begeleiden van start-ups. Voor toekomstige militaire missies zouden we ons af moeten vragen of ontwikkeling dient om de militaire missie te doen slagen, of andersom.

 

Dit opiniestuk werd gepubliceerd in Trouw op 10 juni 2015, onder de titel ‘Een bloeiende economie kan de Taliban verslaan’.

Palmyra Under Threat

Palmyra, Syria @Mary Munnik, 2004

On Sunday Syrian government forces drove Daesh out of the ancient oasis town of Palmyra, home to a UNESCO world heritage site, of which the jihadists. had seized the northern part of the modern town on Saturday. The fighters are still just a kilometre from the archaeological site and its museum housing priceless artefacts.

Hoe succesvol waren de verkiezingen in Afghanistan nu echt?

 

DSC_0123sm

De Nederlandse media vonden de Afghaanse presidentsverkiezingen van 5 april een succes. Nu kan het land wel wat goed nieuws gebruiken, maar was dat ook zo? En wat betekent dat voor de toekomst van Afghanistan?

Zeven miljoen kiezers ging naar de stembus. Met een bevolking waar 70% onder de 25 jaar oud is, schat ik het aantal kiesgerechtigden, dat wil zeggen, 18 jaar en ouder, op de helft van de bevolking. Dat zijn 16 miljoen potentiele stemmers. Het aantal kiesgerechtigden dat zich liet registeren is 12 miljoen. Zeven miljoen stemmers van 16 miljoen is 44% van de bevolking, anders gezegd, een minderheid.

Naar nu bekend is geworden hebben de lokale media op de dag zelf bewust geen incidenten gerapporteerd, om kiezers er niet af te schrikken. Het Afghaanse Ministerie van Defensie kondigde aan dat er zich landelijk 690 incidenten hadden voorgedaan op de verkiezingsdag. Daarbij vielen 200 doden. Dat drie kwart daarvan Talibanstrijders betreft doet daaraan weinig af. Dat was minder dan de verkiezingen in 2009.

Ruim 3000 klachten vanwege fraude werden ingediend. De helft daarvan moest meteen van tafel worden geveegd, omdat er geen bewijs werd aangevoerd of de klacht telefonisch was ontvangen. De overgebleven klachten moeten nog worden onderzocht. Vooral het voortijdig opraken van stembiljetten in bepaalde stemlokalen roept vragen op. Via de sociale media circuleren video’s waarop individuen stapels stembiljetten invullen. Bijna alle kandidaten hebben geklaagd over fraude. In 2009 werd de geloofwaardigheid van de verkiezingen ernstig beschadigd door fraude. Ruim een miljoen stemmen werden ongeldig verklaard.

Duizend van de in totaal ruim zeven duizend stemlokalen bleven vanwege onveiligheid gesloten. De opkomst in Kabul en andere steden kon door waarnemers en journalisten worden gecontroleerd, op het platteland is het moeilijker te verifiëren. Lokale journalisten deden verslag vanuit risico-provincies waar zich wel incidenten voordeden. Vanuit Kandahar rapporteerde een verslaggever dat daar nagenoeg geen vrouwen hadden gestemd. Sommige stemlokalen gingen wel open, maar zagen een lage opkomst omdat de Taliban kiezers er van hebben weerhouden te stemmen.

Deze presidentiele verkiezingen houdt het land al een jaar in haar greep, al ruim voor de officiële inschrijving werd in de lokale media hevig gespeculeerd over mogelijke kandidaten. Anders dan voorgaande presidentverkiezingen voerden de kandidaten actief campagne in het land. Aanhangers kwamen in grote getalen naar deze bijeenkomsten. De Tv-stations organiseerden voor het eerst debatten waar gesproken werd over buitenlandse politiek en economische hervormingen. Achter de schermen werd onderhandeld: een aantal kandidaten trok zich voortijdig terug om een ander te steunen.

Dat er, vooral in de steden, groot enthousiasme was voor de verkiezingen staat vast. Een groot aantal Afghanen trotseerde lange rijen, de regen en de Taliban om hun stem uit te kunnen brengen. Dat zou een stem tegen de moslimextremisten kunnen zijn, wat de Nederlandse media concludeerden. Het kan ook worden gezien als een stem tegen de huidige president. Na maanden onderhandelen besloot Karzai op het laatste moment het bilaterale veiligheidsverdrag met de VS niet te ondertekenen. Veel Afghanen steunen het verdrag juist, ze zijn er van overtuigd dat zodra de westerse bondgenoot vertrekt, het land in chaos vervalt. Dr. Abdullah, Ashraf Ghani en Zalmay Rasoul, de drie belangrijkste presidentskandidaten hebben verklaard het verdrag te zullen tekenen.

Het is ook mogelijk dat de Afghanen de democratische principe in de armen hebben gesloten. De bevolking gaat al drie decennia gebukt onder gewapende conflicten, machtsstrijd, buitenlandse inmenging, terrorisme en lijdt onder de corruptie, de afwezigheid van wet en gezag en het ontbreken van publieke diensten. Zij wil zelf een rol spelen om de toekomst te veranderen, door te stemmen voor een nieuwe president, een ander bewind. Zij hopen op een betere toekomst, en daar hebben ze kennelijk wat voor over. Zij stemden dan ook voor verandering.  De jongste generatie, actief op sociale media, progressief, verstedelijkt en hoger opgeleid, heeft ondanks etniciteit haar hoop massaal gevestigd op  technocraat Ashraf Ghani, die in staat wordt geacht de economie uit het slop te kunnen trekken.

De nieuwe president staat voor een kolossale opgave. De Taliban is nog lang niet verslagen. Of ze ook in staat zal zijn om de macht over te nemen, is twijfelachtig. In 1996 woedde een bloedige burgeroorlog. De koranstudenten maakten daar een einde aan en voerden stapsgewijs een islamitische heilstaat in. Tegenwoordig opereert de Taliban als een terroristische organisatie, die willekeurig geweld tegen burgers niet schuwt. Ze voert een schrikbewind in de gebieden waar de overheid zwak staat. De organisatie heeft haar hoofdkwartier in Pakistan, waar ze zou worden getraind en mogelijk zelfs bewapend door de Pakistaanse inlichtingendienst, de ISI. Het islamitisch land zag met lede ogen aan dat de nieuwe regering in Afghanistan toenadering zocht tot aartsvijand India; zij heeft liever een bevriend regime aan haar westelijke grens. President Karzai verwijt de VS de oorlog in zijn land in stand te houden door de Pakistanen niet aan te pakken. Tot nu toe heeft de Taliban geweigerd te onderhandelen met de ‘marionettenregering’ in Kabul. Mochten de internationale troepen zich dit jaar uit Afghanistan terugtrekken, dan kan de nieuwe regering onderhandelingen openen met de moslimextremisten. Het ligt echter meer voor de hand dat de nieuwe president het bilaterale veiligheidsakkoord met de VS zal tekenen, om zich te verzekeren van financiële en technische assistentie voor de toekomst.

Het conflict in Afghanistan wordt ten onrechte vaak als tweedimensionaal gezien. Andere partijen waar de nieuwe regering mee tot een overeenkomst moet komen, zijn de jihadi groeperingen. Zij  volgen niet de lijn van de Taliban. Een van deze partijen stelde een kandidaat voor de verkiezingen. De sjiitische etnische minderheid, de Hazara, bewapende zich ter voorbereiding op een eventuele overeenkomst met de Taliban. Zij leden het meest onder het extremistische regime.  Behalve Zalmai Rasoul, destijds secretaris voor de afgezette koning Zahir Shah in Italië, en academicus Ashraf Ghani, hebben alle kandidaten hun wortels in het verzet tegen de Russische overheersing. Die facties bevochten elkaar om de macht na het vertrek van de bezetters. Door een algemene amnestie voor oorlogsmisdaden, werden conflicten uit het verleden onder het tapijt geschoven, niet opgelost. Nu de verkiezingen de status quo verstoren zullen, de partijen een nieuw equilibrium moeten bereiken. Een van de grote talenten van Karzai was het op een lijn brengen van de verschillende politieke facties en etnische groeperingen. Onderlinge machtsstrijd binnen de huidige elite kan de vrede ernstig in gevaar brengen. Sluimerende etnische wrijvingen kunnen aan de oppervlakte komen drijven.

De influx van miljarden aan ontwikkelingsgelden creëerde een overheid die voor de komende tien jaar grotendeels afhankelijk zal zijn van buitenlandse steun. Voor het onderhouden van de nationale veiligheidstroepen is Afghanistan volledig afhankelijk van buitenlands geld. Publieke diensten, elektriciteitsvoorziening, gezondheidszorg en onderwijs, worden gesubsidieerd door donoren. Door corruptie, smokkel en belastingontduiking loopt de overheid jaarlijks miljoenen aan inkomsten mis. Zij rekende op inkomsten uit mijnen, bijvoorbeeld de kopermijn in Logar waarvan de concessie werd verkocht aan een Chinees conglomeraat. Met de verslechtering van de veiligheidssituatie en de ineenzakken van de koperprijs op de wereldmarkt, maakt zij geen haast met de beloofde investeringen. Al op korte termijn zou een begrotingstekort ontstaan, zo rapporteerde de Washington Post onlangs, waardoor de overheid  de salarissen van de ambtenaars niet meer kan betalen. Opportunistische korte-termijn investeringen, tijdelijke ontwikkelingsprojecten en illegale handel pompte de economie kunstmatig op. De luchtbel spatte in 2013 uit elkaar. De werkeloosheid bedraagt 40%. De Amerikaanse senaat heeft het budget voor Afghanistan voor dit jaar gehalveerd. Vertrekken meer donorgelden, dan kost dat honderdduizenden banen.

Of de nieuwe president de macht van de huidige politieke elite zal willen en kunnen verbreken is nog maar de vraag. Karzai heeft een huis laten bouwen vlakbij de Argh, het presidentiele paleis, waar hij gaat wonen. Dr. Abdullah heeft gezegd, dat wanneer hij president wordt, hij Karzai een belangrijke rol in de nieuwe regering zal toebedelen. Provinciale gouverneurs, ministers, ambassadeurs en ambtenaren op sleutelposten binnen de overheid hebben hun functie te danken aan Karzai. Velen misbruikten hun positie om zich te verrijken. Mocht de nieuwe president een anti-corruptie beleid willen voeren, dan zal hij deze instanties – niet in de laatste plaats, het kantoor van de openbare aanklager – schoon moeten vegen. Dat kost politieke goodwill. Analisten voorspellen, dat de verkiezingen uiteindelijk weer door akkoordjes in de achterkamertjes zullen worden beslist. Een wisseling van de macht voor een nieuwe generatie, die het land niet meer op basis van etnische loyaliteiten, maar op basis van een meritocratie zal willen leiden, heeft niet plaatsgevonden. Het valt te betwijfelen of het Afghaanse volk de hoop op verandering in vervulling zal zien gaan.

Afghanistan komt naar Washington

In november reisde ik naar Washington DC voor een conferentie van de Afghan-American Chamber of Commerce. Afghaanse en Amerikaanse zakenmensen, vertegenwoordigers van diverse kamers van koophandel, de Afghaanse Ambassade en Amerikaanse donoren ontmoetten elkaar in het kloppend hart van de Amerikaanse politiek, daar waar de zo belangrijke beslissingen over Afghanistan werden genomen. Een klant had mij uitgenodigd voor de conferentie. Hij wilde dat ik samen met hem een gesprek voerde met een Amerikaanse financiële instelling, de OPIC[1], over een lening voor het opzetten van een fabriek.

Nog tollend van de jetlag na de lange reis via Dubai en Amsterdam wandelde ik binnen tijdens de receptie in het vijfsterren Marriott Hotel. Meteen liep ik de commercieel attaché van de Afghaanse ambassade in Washington tegen het lijf, een jonge, hoogopgeleide en getalenteerde Afghaan die ik al lang kende. Voor de gelegenheid droeg ik een mantelpak, iets wat ik in Kabul nooit zou doen. Omdat ik me er, na al die jaren in Afghanistan, enigszins ongemakkelijk in voelde, had ik er lange laarzen bij aangetrokken, zodat niemand mijn benen kon zien. Ik liet de hoofddoek af. De receptiegangers waren gekleed in een zwart, grijs of donkerblauw maatkostuum, niet in militair uniforms of shalwar kameezes. Zo op het oog een doorsnee zakenconferentie. Er waren veel meer Amerikaanse deelnemers dan Afghanen. Dit soort bijeenkomsten werd, vanwege de veiligheid, niet in Afghanistan zelf gehouden. De meeste westerse aanwezigen kwamen daar waarschijnlijk nooit.

De volgende dag begon de conferentie in een van zalen van het Ronald Reagan Conference Center, waar US AID is gevestigd, op een steenworp afstand van de kantoren van de Wereld Bank, het IMF en de ADB. De een na de andere keynote speaker roemde de vooruitgang die in Afghanistan op economisch gebied geboekt was: een nieuwe landelijke ringweg, een mobiel telefonienetwerk, 24 uur per dag elektriciteit in de grote steden, meer dan 200 bedrijven op een nieuw industrieterrein in Kabul.

Dr. Shahrokh Behzadi van Etisalat Telecombedrijf uit de Verenigde Arabische Emiraten pochte over het succes van zijn bedrijf dat 300 miljoen US$ in infrastructuur had geïnvesteerd. ‘We zien onze winsten jaarlijks verdubbelen.’ Mobiele telefonie is een van de grote succesverhalen: in het land waar nooit een uitgebreid vast telefonienetwerk bestond, maakten toen bijna 18 miljoen mensen gebruik van een mobieltje. Satelliettorens brachten het bereik van het netwerk tot aan de meest verafgelegen locaties.

Vooral in de logistieke sector was de vooruitgang enorm. In 2001 had Afghanistan nog geen vliegtuig; het land had nu drie luchtvaartmaatschappijen en een vloot van 18 toestellen. In 2013 zouden er vier internationale luchthavens zijn. Alle zevenentwintig binnenlandse luchthavens worden gerenoveerd. De Zuid-Afrikaan Michael Timcke, directeur Business Development van de Afghaanse luchtvaartmaatschappij Kam Group, zag 2014 als een kans om te groeien: ‘Ons bedrijf is niet afhankelijk van de oorlogseconomie. Wij vervoeren burgers en zakelijk cargo.’ Een van de uitdagingen waar zijn bedrijf voor stond was ‘stroperij’ door buitenlandse maatschappijen, die de kansen op de Afghaanse markt roken.

Ik schoof ongeduldig heen en weer op mijn stoel bij het aanhoren van al die succesverhalen. Bij een van de organisaties die opschepte over de scholen die zij had gebouwd, kon ik mijn mond niet houden. Ik zei tegen een Afghaanse vrouw die naast me zat: ‘Ze zouden er duizend bouwen en het werden er tweehonderd.’ Een Amerikaanse journalist had dit eens gerapporteerd in een vooraanstaande krant. Zij knikte instemmend.

Ook Ishan Farid Khwaja, eigenaar van de Afghaanse I-Group of Companies, de exclusieve distributeur voor Ford Motor Company in Afghanistan, zag mogelijkheden: ‘Door het verbod op het rijden met tweedehands auto’s met bouwjaar vóór 2001 is er veel vraag naar nieuw auto’s. Er is ook behoefte aan onderhouds- en reparatiediensten en aan onderdelen.’ Hij verwachtte dat  de verkoop van auto’s in de komende jaren stabiel zou blijven of zelfs toe zou nemen, met een order van 12,000 voertuigen voor de ANA en ANP in de planning.

Hij sneed wel een heikel punt aan. Zijn bedrijf en vele andere werden geplaagd door vertragingen, tijdrovende willekeurige douane-inspecties en onvoorziene extra kosten voor het afladen van containers in Pakistan. Het aan pesterij grenzend Pakistaanse verbod op het transport van reserveonderdelen voor voertuigen was fnuikend voor zijn handel. Zonder zeehaven was Afghanistan afhankelijk van buurland Pakistan. De belangrijkste aanvoerroute was via de overslaghaven van Karachi, waar grote zeecontainers werden gelost voor transport over land naar Kabul. Ook de NAVO had daar last van. Als er wrijvingen waren met de VS dan sloot Pakistan de route af, waardoor militaire bevoorrading door de lucht moest gebeuren wat enorm kostbaar was. Dat had de NAVO aangezet tot de ontwikkeling van de noordelijke transportroute, van Turkije via Azerbaijan en Turkmenistan naar Afghanistan. Met de aanleg van een 75 km lange spoorweg van Hayratan, het overslagstation aan de grens met Uzbekistan, naar de cargoterminal van de luchthaven in Mazar-e Sharif, was Centraal-Azië voor Afghanistan ontsloten.

Robert Dail, president van de Supreme Group USA, een belangrijke leverancier van het Amerikaanse leger, zei: ’Had je me het tien jaar gevraagd, dan zou ik gezegd hebben dat zakelijke kansen in Afghanistan gering en riskant waren. Nu niet meer. De huidige infrastructuur is enabling.’ Hij zag het land uitgroeien tot een regionale transit hub.

Dat strookte met de visie van de Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, Hilary Clinton, voor Afghanistan. Zij presenteerde eerder dat jaar het Nieuwe Zijderoute Initiatief, waardoor in Centraal- en Zuid-Azië gebieden verbonden door een netwerk van bruggen, spoorwegen, snelwegen en pijpleidingen, economische activiteiten en handel explosief zou groeien. Dat zou de regionale stabiliteit ten goede komen. Ik kon me zo voorstellen dat als je op de landkaart kijkt, de mogelijkheden onbegrensd leken. Maar al deze plannen stonden zo ver af van de realiteit in Afghanistan zoals ik die kende dat het op luchtkastelen leken.

Op de conferentie vertelde Eric Postel van het Economic Growth and Trade Bureau van US AID dat de VS in 2012 meer geld dan de voorgaande jaren in Afghanistan zou besteden, om de lopende projecten sneller te kunnen afronden. Ook zou US AID voor dat jaar meer geld dan ooit uitrekken voor infrastructuurprojecten. Tot dan toe hadden al die geldstromen nog niet geleid tot veel verbetering; hoe konden ze dan zo zeker zijn dat nog meer geld dat wel zou doen? Of was dat nu precies wat ze dachten? Ik kwam er niet achter. In deze hal was weinig ruimte voor twijfel. Over mislukte projecten werd geen woord gerept.

Vertegenwoordigers van de grote Afghaanse bouwbedrijven wilden weten of ook zij van deze kansen konden profiteren; hun sector werd gedomineerd door internationale firma’s. Een belemmering voor lokale bedrijven waren de zogenaamde performance bonds. De Amerikaanse federale wetgeving vereist een garantie voor de financiële draagkracht van de uitvoerder van een bouwproject. Na de val van de Kabul Bank was er geen bank in Afghanistan die deze voor hun klanten af kon geven. Ook voldeden lokale bouwbedrijven niet aan de internationaal in de bouw geldende standaarden. ‘

Ze moeten werken aan strategische planning, cash flow management, concentreren op kerncompetenties, verbeteren van het communiceren van slecht nieuws – vertragingen – en het respecteren van deadlines,’ somde Daniel McFerrin bevoogdend op. Hij was directeur van het K-Spam Programma van ECC International, een bedrijf dat grootschalige constructieprojecten voor het Amerikaanse leger uitvoerde.

Postel waarschuwde voor een drastische teruggang in de geldstroom in 2013. Vanaf 2014 zou de VS een veel kleinere rol gaan spelen in de wederopbouw.

Na afloop van de conferentie praatte ik met Don Ritter, de voorzitter van de Afghan-American Chamber of Commerce. De voormalig senator was een van de loyale supporters van de Afghaanse mujahedeen in het Amerikaanse congres geweest. De laatste tien jaar investeerde hij in een aantal ondernemingen in Afghanistan en promootte de vrijemarkteconomie als initiatiefnemer van de handelsorganisatie. Ik vertelde hem dat ik de situatie in Afghanistan, in het licht van de terugtrekking van de westerse troepen, wat al te rooskleurig vond voorgesteld. Hij gaf toe: ‘Ik heb de sprekers geïnstrueerd om met een positief beeld te schetsen. Anders zou de transitie een domper op de hele conferentie hebben gezet.’



[1] Overseas Private Investment Corporation.

Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban

Voor ons bezoek aan de Helmand Business Association had het bewakingsteam een konvooi, bestaande uit een gepantserde terreinwagen met chauffeur en een 4WD met bewapende bewakers, ons personal detail, geregeld. Kogelvrije vesten en helm verplicht voor de rit. Het bewakingsteam verkende het gebouw voordat ze ons toestemming gaven uit de auto te stappen. Pas binnen het kantoor van de vereniging, een slecht onderhouden, twee verdiepingen hoog gebouw met tamelijk afgetrapte tapijten en afgebladderde muren, mocht het scherfvest uit. We ontmoetten het bestuur, bebaarde Pashtuns, in shalwaar kameez, grijze zijden turban op het hoofd, de slip over de schouder gedrapeerd, de traditionele zuidelijke klederdracht. Na de kennismaking gingen we zitten op de werkkamer van de voorzitter, Haji Ali Ahmad, die zelf plaatsnam achter een groot bureau. Het verschil met andere provincies waar ik keuterboertjes tegenkwam was opmerkelijk. Dit waren zelfbewuste zakenmensen.

‘De meeste van ons hebben een constructiebedrijf,’ zo legde de voorzitter uit. ‘We leggen wegen aan en leveren brandstof, arbeiders en andere logistieke diensten aan het PRT.’ Al spraken ze nauwelijks Engels en hadden ze niet veel meer opleiding dan basisschool, ze deden groot zaken. De organisatie was nog ambitieus ook: ‘We willen de naam veranderen in National Investment Organisation,’ om landelijk interesse te genereren. Daar stak het kantoor toch wat sjofeltjes bij af.

Mijn twee Afghaanse medewerkers hadden uit veiligheidsoverwegingen geen gebruik mogen maken van de diplomatieke luchtverbinding; zij waren met de commerciële Afghaanse luchtvaartmaatschappij Pamir Air naar Lashkar Gah gevlogen. Ze logeerden ook niet in het militaire kamp, maar in het lokale Bost Hotel. Normaal gekleed in T-shirt of overhemd met spijkerbroek, arriveerden ze op het kantoor van de vereniging in shalwaar kameez en met een stoppelbaardje. Ik zag ze daar pas voor het eerst. Ze mochten niet op het PRT zonder antecedentenonderzoek. Afghanen kregen alleen toegang tot het militaire kamp na verificatie van de identiteit met een retinascan en vingerafdrukken. De dure doos chocolade die ze hadden meegenomen als relatiegeschenk viel in goede aarde bij de voorzitter.

‘De veiligheid is enorm verbeterd in het laatste jaar,’ zo meenden de ondernemers. Daarom was er veel animo voor het industrieterrein: ‘Een van de grootste obstakels voor de lokale economie was het gebrek aan land voor industriële activiteiten.’ De gemeente verbood bedrijven om binnen de stadsgrenzen een fabriek te beginnen; het platteland was onveilig. Ze klaagden over de inefficiëntie en ineffectiviteit van de overheid. Gemeenteambtenaars vroegen openlijk om smeergeld. De burgemeester van Lashkar Gah zou een huis ter waarde van honderdduizenden dollars bezitten, terwijl zijn salaris slechts 200 US$ per maand bedroeg. De zakenmannen geloofden niet dat de overheid deze keer werkelijk iets voor hen zou doen. Buitenlanders hadden in het verleden gedane beloftes ook niet kunnen waarmaken. De ondernemers wilden de grond op het industrieterrein dan ook het liefst kopen. ‘We vertrouwen de regering niet,’ zo zei een van hen. Het land in Helmand behoorde toe aan de Afghaanse regering; beslissingen over wie welk stuk perceel kreeg toegewezen werden in Kabul genomen. ‘Straks hebben we geïnvesteerd in gebouwen en zegt de regering ons leasecontract op! Een nieuw regime kan de voorwaarden veranderen. Dat zou niet voor het eerst zijn.’ De Britse projectleider lichtte toe dat de Afghaanse regering wilde voorkomen dat de ondernemers met de grond zouden gaan speculeren wanneer ze die in eigendom hadden, of er een flatgebouw op zouden zetten in plaats van een fabriek.

Elektriciteit was een ander groot probleem. Haji Ali Ahmad legde uit: ‘De stroom van de waterkrachtcentrale is onbetrouwbaar. De verbinding naar de stad is van slechte kwaliteit.’ De Taliban saboteerde de toevoer van elektriciteit door de stroomkabels met regelmatmaat door te snijden. Helmand kreeg haar elektriciteit van de Kajaki hydro-elektrische krachtcentrale gelegen in het bergachtige noorden van de provincie. In 1953 hadden Amerikaanse ingenieurs de reusachtige betonnen dam in de Helmandrivier gebouwd. Hierdoor konden de lager gelegen landbouwgronden via een netwerk aan irrigatiekanalen van water worden voorzien. Het grootste ontwikkelingsproject in de geschiedenis van Afghanistan had de provincie moeten veranderen in een groene oase van vruchtbaar akkerland waar honderdduizenden nomaden zich hadden kunnen vestigen op voorheen droge woestijngrond. Het kostbare project mislukte omdat grote delen van de nieuwe landbouwgronden verziltten. Op de nieuw verworven gronden ging de bevolking papaver verbouwen. Het had een positieve impuls moeten geven aan de VS-Afghaanse diplomatieke relatie, ‘maar het project droeg zo weinig bij aan de economische ontwikkeling van het land, dat het Afghanistan uiteindelijk in de armen van de Russen dreef’, aldus de huidige Afghaanse Minister van Financiën Omar Zakhilwal in een commentaar destijds.

Na de krachtcentrale in 2001 te hebben platgebombardeerd, had het Amerikaanse leger de twee turbines, met een gezamenlijke capaciteit van 33MW, weer gerepareerd. Dat bleek bij lange na niet voldoende om in de toenemende vraag naar stroom in de zuidelijke provincies te voorzien. Het grootste deel van de opgewekte elektriciteit werd door de nabijgelegen zuidelijke hoofdstad Kandahar afgeroomd. Voor Lashkar Gah bleef er weinig over. De Amerikanen spaarden kosten nog moeite om de capaciteit van de krachtcentrale uit te breiden. Bij de verdediging van de ingenieurs en arbeiders tegen aanvallen van terroristen vielen tientallen doden. Toen de onderdelen van een derde turbine eindelijk werden afgeleverd op locatie, onder bescherming van 2,000 Britse soldaten, was geen bouwbedrijf bereid in die onveilige omgeving een betonvloer te storten. Nadat een Chinees bedrijf was ingehuurd voor die taak, voorkwam de Taliban de aflevering van de zakken cement.

De ondernemers uit Helmand zaten vol goede ideeën. Een aantal was van plan een fabriek voor de verwerking van ruw katoen op te starten. Voor de oorlog was katoen de belangrijkste cash crop in de provincie. Met de hulp van de Britse overheid was in de jaren zestig een katoenfabriek gebouwd. Katoen werd uitgevoerd naar Duitsland, China en Japan. De socialistische regering verstrekte zaden en kunstmest aan de boeren en kocht de oogst in voor de fabriek tegen een in Kabul bepaalde prijs. Ze verbood privé-initiatieven. Tot voor kort bleef dit monopolie gehandhaafd. De lokale overheid trad zelfs actief op door illegale fabriekjes te overvallen. De Bost Katoenfabriek echter maakte jaarlijks een paar miljoen verlies, een tekort dat door de staat moest worden aangevuld. In een jaar van de overstromingen kwamen Pakistaanse handelaars naar Helmand om ruw katoen in te kopen voor de textielindustrie in eigen land. Dat wekte de interesse van de plaatselijke ondernemers. Het Afghaanse Ministerie van Landbouw had geen beleid om de katoenteelt op industriële schaal te stimuleren. Zij liet het aan het bedrijfsleven over om zakelijke kansen te benutten. De markt werd opengesteld voor de private sector. Haji Ali Ahmad had al machines aangeschaft, in afwachting van de toekenning van een perceel op het industrieterrein. Hij zei: ‘Wanneer er een commerciële katoenfabriek zou zijn, dan zouden boeren katoen verbouwen in plaats van papaver.’

Enkele ondernemers wilden graanmolens bouwen. Afghanistan produceerde niet voldoende tarwe om te voorzien in de behoefte van de ruim 30 miljoen inwoners, voor wie brood een basisbehoefte is. Jaarlijks werden duizenden tonnen graan en meel uit Kazakhstan en Pakistan geïmporteerd. In Helmand werd een overschot geproduceerd. Op het platteland stonden honderden kleine molens, aangedreven door dieselgeneratoren, tarwe te vermalen tot meel voor eigen gebruik. Er was echter geen graanfabriek; overschotten werden naar Kandahar en Ghazni gezonden voor verwerking. Meel moest worden ingekocht. Haji Nisar, een lid van de vereniging, dacht dat de belangrijkste reden voor de onveiligheid in de provincie was dat er geen markten en banen waren. ‘Wanneer er een molen wordt gebouwd, die lokaal graan koopt van de boeren tegen een eerlijke prijs, dan zouden minder mensen papaver telen.’ Hij ging zelfs nog verder: ‘Wanneer de silo jonge werkeloze mannen in dienst neemt, dan treden die niet toe tot de gelederen van de Taliban.’

De ondernemers wilden onze hulp bij het opstellen van ondernemingsplannen. Er was geen behoefte aan subsidies of leningen, wat vaak wel het geval was in andere provincies. ‘Geld hebben we genoeg,’ zo zeiden ze.

Mijn Afghaanse werknemers spraken in de loop van de week met individuele ondernemers om de behoefte aan ondersteuning nader in kaart te brengen. Via een lokale makelaar kwamen ze in contact met een huiseigenaar waar ze een kantoor van huurden. Ze namen sollicitatiegesprekken af voor bewakers en ander ondersteunend personeel. Ik was tevreden met de geboekte resultaten. Zelf mocht ik de stad niet in. Er waren niet voldoende gepantserde voertuigen beschikbaar en ik mocht vanwege het veiligheidsprotocol niet buiten de poort van het PRT zonder personal detail. Zo kon ik de plek van het industrieterrein niet verkennen. Een bezoek aan de katoenfabriek werd niet veilig geacht. Wel bezichtigden we een marmerfabriek. Daarom deed ik de ronde op de PRT en sprak met de vertegenwoordigers van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw en diverse militaire onderdelen. Er leek weinig coördinatie en communicatie te zijn tussen al die organisaties die in hetzelfde kamp verbleven.

Op donderdagavond gingen mijn medewerkers in de geest van de Afghaanse gastvrijheid eten bij een van de zakenmensen. Ze kregen een overdadig diner aangeboden, met lamskebab, rijst, salades en vers fruit toe, vanzelfsprekend zonder alcohol. De gastheer gaf een rondleiding door zijn bedrijf. In een van de kamers op het kantoor lagen balen Amerikaanse dollars. ‘Opgestapeld tot aan het plafond,’ vertelde de programmamanager me later vol ontzag. ‘Net een bankkluis!’ Er bestond bij hem weinig twijfel over waar het geld vandaan kwam. Opium. Tegen hen gaf de gastheer ook toe, iets wat hij in het bijzijn van buitenlanders niet zou doen, dat hij contacten had met de Taliban. Dan vielen ze hem niet lastig, was de redenering. ‘Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban.’ Na het eten kwamen de Afghanen terug in het Bost Hotel, waar de stroom was uitgevallen. Ze moesten op de tast hun kamer vinden.

Ik at met de Britse collega’s in een enorme legertent met planken vloeren, waar drie keer per dag eten werd geserveerd voor de duizenden, grotendeels Britse, militairen die in het kamp verbleven. Er stond fish en chips, spaghetti bolognaise, biefstuk, salades en toetjes op het menu. Het legerkamp beschikte over een gymzaal, café en filmzaal voor de vrijetijdbesteding. Een zogenaamde PX-winkel verkocht toiletartikelen, chips, dvd’s, iPods, iPads en vrijetijdskleding van North Face en Timberland. Daarna bezochten we de bar, die volliep met hulpverleners en militairen in vrijetijdskleding. Alcohol was hier spotgoedkoop in vergelijking met de bars en restaurants in Kabul, want het was hier in ruime mate aanwezig, terwijl in de hoofdstad schaarste heerste. Toen ik tegen middernacht in de scherpe avondlucht naar mijn verwarmde wooncontainer wandelde, baadde het militaire terrein in het licht van felle schijnwerpers. Ik was in een goede stemming. De week was goed verlopen.

Op vrijdag rond het middaguur wachtte ik in het PRT ruim een uur in scherfvest, in een auto met draaiende motor, op het vertreksignaal. De bewakers stonden in verbinding met de piloten van het ambassadevliegtuig, zodat ze de aankomst van passagiers konden coördineren met dat van het vliegtuig. Te lang op de landingsbaan staan vormde een risico. We maakten een tussenlanding op het vliegveld van Camp Bastion om  hoogwaardigheidsbekleders op te halen. Het zou gaan om de Britse Minister van Buitenlandse Zaken David Miliband, die in de ochtend onverwacht een bliksembezoek had gebracht aan de Engelse troepen op het PRT in Lashkar Gah. In de onherbergzame noordwestelijke woestijn van Helmand hadden de Britten een gigantisch legerkamp uit de grond gestampt dat fungeerde als logistiek centrum voor de Britse operaties in de provincie. De immense schaal van de basis was goed te zien toen we er overheen vlogen: er leek geen eind aan te komen. De basis huisvestte troepen van de landmacht, marine en luchtmacht, met al het ondersteunende personeel omstreeks 25,000 mensen. Het omvatte een volledig geoutilleerd modern vliegveld, ziekenhuis en brandweerkazerne. Er waren opslagloodsen, wooncontainers en tenten, kantines, hangars en verbrandingsovens voor afval. De luchthaven faciliteerde het opstijgen en landen van honderden vliegtuigen per dag, met vaste vleugels en draaivleugels, zoals Chinook-helikopters. Apparatuur draaide op dieselgeneratoren; er was 24 uur per dag elektriciteit, daar waar Lashkar Gah nog geen 3 uur per dag stroom kreeg. Amerikaanse ingenieurs bouwden een kamp op het belendende terrein om de influx van mariniers te faciliteren. Camp Bastion was de grootste Engelse legerbasis buiten Groot-Brittannië sinds de tweede wereldoorlog.

We stonden uren stil op de landingsbaan, zonder verwarming, eten en drinken. Ik wilde mijn manager in Kabul telefonisch verwittigen van de vertraging en vertelde zonder nadenken dat ik me in Camp Bastion bevond. Meteen kreeg ik een por in mijn rug van een medereiziger: ‘Dat mag je niet vertellen door de telefoon. Wie weet wie er meeluistert!’ Ik kreeg een kleur. In de zakenwereld luisterde vijanden geen telefoongesprekken af. Eindelijk arriveerden de ‘VIPs’: met de Minister meegereisde leden van de Britse media. De Minister werd vanwege de veiligheid per helikopter vervoerd naar de Britse Ambassade in Kabul.

Ze hebben geen cent gestolen!

Dat bepaalde praktijken binnen de Kabul Bank het daglicht niet verdroegen wist ik al jaren. Een kennis die werkte op het ministerie van Financiën had me daar al eens over verteld. De eigenaar van de bank, Sherkhan Farnoud, gebruikte de spaarcentjes van rekeninghouders om in te zetten op professionele pokertoernooien in Las Vegas. Voor mij toch een reden om daar geen rekening te openen. Ik wantrouwde banken in Afghanistan toch al. De Development Bank of Afghanistan, die enige tijd mijn geld beheerde, bleek een witwasoperatie van de Russische maffia. Voor de Centrale Bank daar ingreep had ik mijn rekening gesloten en het saldo geparkeerd bij de beter bekend staande Azizi Bank.

Aanvankelijk had de Kabul Bank de crash van de vastgoedmarkt in Dubai, waar de eigenaars flink in hadden geïnvesteerd, overleefd. Het grootste bankiershuis van Afghanistan was de ruggengraat van de Afghaanse economie. Salarissen van soldaten, ambtenaren, politieagenten en leraren werden via deze financiële instelling betaald. De bank had het vertrouwen gewonnen van de Afghanen, die vroeger hun geld onder de matras bewaarden. Dat vertrouwen liep een behoorlijk deuk op door berichten in de Washington Post over financieel wanbeheer en een eventuele ineenstorting van de bank begin 2010. Lange rijen van spaarders stond voor de kantoren om geld op te nemen. De Centrale Bank had ingegrepen en het management overgenomen. Instorting van de bank was voorkomen met een injectie van meer 800 miljoen US$.

Door de bemiddeling van een klant hoorde ik van Khalilullah Frozi, CEO en aandeelhouder van de Kabul Bank, die officieel de pers niet te woord wilde staan, dat Karzai en zijn broer beiden aandeelhouder waren van de bank. De bankier meende dat Karzai had ingegrepen om te voorkomen dat Frozi teveel macht kreeg.

De zakenwereld had zo zijn eigen kijk op de gebeurtenissen. Op een zaterdagochtend trof ik een drietal zakelijke relaties in het cafe van het Serena Hotel. Het hotel was een oase van rust. Gezeten in de fauteuils met een cappuccino spraken we over het schandaal. Ik vroeg hen naar hun mening over het ingrijpen van de overheid in de Kabul Bank.

De aanklacht omvatte onder andere het verstrekken van ongedekte en persoonlijke leningen aan de eigenaars zelfs om luxueuze villa’s in de Palm Jumeirah in Dubai te kopen. Financiële experts dachten dat het lang zou duren voor de overheid zou weten wie de andere begunstigden waren. In de administratie waren pseudoniemen gebruikt. Het was inmiddels vast komen te staan dat een broer van Karzai en een broer van vicepresident Fahim aandeelhouder waren. Ze hadden aandelen verworven met leningen van de bank, waarvan ze nog geen cent hadden afbetaald. Door de belangrijkste managementposities zelf te bekleden hadden de eigenaars internationale bankwetten geschonden. Veel andere leningen zouden zijn gedaan aan politici en hun familieleden in ruil voor steun tijdens de verkiezingen. Zeker was dat de bank een grote som had bijgedragen aan de herverkiezingscampagne van Karzai. Frozi en Farnoud werden de ‘kingmakers’ genoemd

‘Wat heeft de financiële instelling precies verkeerd gedaan?’ vroegen de zakenlieden zich af. Ze verstrekte leningen aan Afghaanse bedrijven. Ze investeerde in ondernemingen, toen niemand dat deed. Onder meer de rehabilitatie van de cementfabriek, de vliegtuigmaatschappij Pamir Air en het winkelcentrum Gulbahar waren dankzij de financiering van de Kabul Bank gerealiseerd. De zakenmensen verwoordden een gevoel dat ik op dat moment ook had. De Bank gaf bankgaranties af voor Afghaanse bedrijven om internationale contracten binnen te kunnen slepen. De gevolgen van de val van de bank voor de economie zouden desastreus zijn, zo meende het drietal. ‘Nu pakken de Verenigde Arabische Emiraten, de Turken en de Pakistanen de contracten.’ Zaki zei: ‘Om een investering van driehonderd miljoen te bewaken, hebben ze een potentieel van zeshonderd miljard aan economische ontwikkelingen verloren.’

Bij een forensisch onderzoek kwam later vast te staan dat in een variant op het piramideschema leningen waren verstrekt aan lege BV’s en afgelost met nieuwe leningen aan andere bedrijven die ook alleen op papier bestonden. Een speciaal voor dit doel opgerichte accountancyfirma stelde gefingeerde jaarcijfers op voor al deze niet-bestaande ondernemingen.

Nawid, een Afghaanse zakenman die in de Verenigde Staten woonde, zei: ‘Drie dagen geleden hadden spaarders ter waarde van 950 miljoen US$ opgenomen. En nog was de bank niet failliet. Ze hadden de hulp van de Centrale Bank helemaal niet nodig.’ Reshad, al jaren actief in het Afghaanse zakenleven, vervolgde: ‘Ze hadden waarschijnlijk nooit gedacht dat de bank uit zou kunnen betalen. Denk je dat een willekeurige Europese bank in een week tijd 950 miljoen kan uitbetalen?’ Zaki vond: ‘De eigenaars hebben geen cent gestolen! Ze hebben pech gehad met de investeringen in Dubai, maar wie niet? Ze hebben ondanks alles gewoon kunnen uitbetalen. Ze hebben geen cent nodig gehad van de Centrale Bank.’

Een expert concludeerde later dat de bailout van ruim 800 miljoen US$ overbodig was geweest, de bank had voldoende vermogen gehad om de bankrun te weerstaan.

Reshad meende dat de westerse media een cruciale rol hadden gespeeld bij het omvallen van de bank. Het eerste artikel over de wanpraktijken binnen de Kabul Bank was in februari van dat jaar verschenen in de Washington Post. Later had deze krant meerdere stukken geplaatst waarin de gang van zaken binnen de bank uitgebreid uit de doeken werden gedaan. Door al die media-aandacht was er een run op de spaartegoeden gekomen. Hij vervolgde: ‘De Amerikanen wilden problemen creëren voor Karzai, vlak voor de parlementsverkiezingen.’

Toen het wanbeheer publiek werd, had de Centrale Bank de eigenaars van de Kabul Bank eerst een aantal ultimatums gesteld. De bank had een aantal maanden de tijd gekregen om nieuwe managers aan te stellen en de investeringen van de eigenaars met geld van de bank ongedaan te maken. Een dag later was de Amerikaanse generaal Petraeus in het gezelschap van vier afgevaardigden van het Amerikaanse Ministerie van Financiën het hoofdkantoor van de financiële instelling in Shar-e Now binnengestapt, volgens de zakenmensen. Hij zou de eigenaars met Guantánamo hebben bedreigd.

Reshad, die ik al jaren kende, dacht dat er een politiek spelletje werd gespeeld. Hij wist zeker dat Karzai er niet achter zat. De Afghaanse president zou witheet zijn.

Nawid beaamde dat: ‘Karzai mag dan de trekker hebben overgehaald, hij deed dat op basis van de verkeerde informatie.’

Reshad knikte instemmend: ‘Het was een vooropgezet plan van de Amerikanen. Ze hoopten de regering in verlegenheid te brengen. Ze wilden mensen de straat op sturen om te demonsteren tegen Karzai. Ze hoopten dat de mensen massaal anti-Karzai zouden stemmen.’

Nawid verzuchtte: ‘Het plan is volledig mislukt. We hebben weer een pro-Karzai parlement. En de economie ligt nu op zijn gat.’

Het had voor de hand gelegen om de overname van de Kabul Bank door de staat op Karzais conto te scharen. Net toen ik meende enig gevoel te hebben ontwikkeld voor de machtsverhoudingen in Afghanistan, merkte ik dat ik op het verkeerde been stond.

Voor Afghanen werd de Kabul Bank het symbool van de corruptie van de politieke elite en de regering Karzai. De bank werd gedeeltelijk geliquideerd. Een deel maakte een doorstart onder de naam New Kabul Bank. De gouverneur van de Afghanistan Bank kon het land ontvluchten. De eigenaars kwamen er met een milde straf vanaf: ze kregen beiden vijf jaar huisarrest voor verduistering, fraude en het witwassen van geld. Mahmoud Karzai en Haseen Fahim betaalden hun leningen terug en werden gevrijwaard van juridische procedures. Een aantal bankmedewerkers, geen begunstigden van de fraude, werden wel tot celstraf veroordeeld. Het IMF zette de verstrekking van leningen aan Afghanistan stil om het land te dwingen strengere controles te houden bij de bank, maar hervatte het programma onder internationale druk, zonder dat aan deze eisen werd voldaan. Door de villa’s in Dubai te verkopen wist de Afghaanse staat 125 miljoen US$ terug te verdienen. Het grootste gedeelte van het geld was verdwenen.

Achter de schermen

Het duister viel langzaam over Kabul. Mijn chauffeur laveerde de zilveren Toyota Corolla vaardig door het gedrang van taxi’s, personenauto’s en busjes. De geur van kebab dreef voorbij. De kramen met vers fruit en groente stonden nog buiten, al hadden winkels de rolluiken al neergelaten in het centrum van Kabul. De politie had een fuik gemaakt en pikte ons uit de rij wachtende auto’s voor inspectie. Mijn chauffeur draaide het raampje naar beneden. Hij knipte het lampje in de auto aan zodat ze mij konden zien. Ik vermeed bescheiden hun nieuwsgierige ogen. Je gedragen zoals zij denken dat een vrouw zich behoort te gedragen is veruit de beste tactiek in dit soort gevallen. Ze wilden mijn paspoort zien. Ik gaf het aan de chauffeur en liet het verder aan hem over. De agenten konden niet lezen en dachten dat mijn visum was verlopen. Het duurde even voor het misverstand was opgelost.

We waren op weg naar het huis van een Afghaanse relatie waar ik was uitgenodigd voor een barbecue. Hij gaf een etentje bij hem thuis omdat de politie in die week invallen had gedaan bij populaire restaurants. Deze waren tot nadere orde gesloten. De algemene procureur had laten weten dat de verkoop en consumptie van alcohol voortaan verboden was, ook voor buitenlanders.

De auto zette me af voor de poort en wachtte terwijl ik aanbelde. Toen ik werd binnengelaten zag ik een moderne villa, een smakeloos gedrocht, waar Afghanen zo dol op zijn, van buitenaf net een Romeins landhuis, een open gevel met marmeren zuilen en spiegelende ruiten. Ik ontmoette mijn gastheer bij de grote voordeur. We liepen door een hoge en ruime hal met kristallen kroonluchters en marmeren vloeren. Hij ging me voor de wentelrap op naar het dakterras. Hij stelde me voor aan een van de andere gasten.

Mijn gastheer bood me wat te drinken aan; de keus bestond uit een selectie van verboden versnaperingen: Johnny Walker, Absolut Wodka, Gin en Franse wijn. Ik koos voor het laatste en vroeg hem, terwijl hij de kurk uit de fles trok, hoe hij aan de alcohol kwam.

‘Waar denk je dat de in beslag genomen alcohol naar toe gaat? Hier is het!’ Het overige gezelschap lachte. Iemand voegde eraan toe: ‘De politie heeft zich de hele nacht klem gezopen en daarna de in beslag genomen waar aan de restaurants te koop aangeboden.’

Een elegante verschijning, met zilvergrijze baard, gekleed in een muisgrijze shalwaar kameez, kwam me gezelschap houden. Hij stelde zich voor als Dr. Abdul Khaliq Fazal, voormalig minister van Publieke Werken. Ik vroeg hem wat er schuilde achter Karzais recentelijke kritiek op het westen. De Afghaanse president had de dialoog geopend met Pakistan en de door het westen gevreesde regimes in Teheran en Beijing. De lezingen over het hoe en waarom van deze koerswijziging varieerden. Het kon een groeiende drang naar onafhankelijkheid zijn, na aanvankelijk aan de macht te zijn gebracht door de Amerikanen. Of een door de Verenigde Staten georkestreerd theater om de kansen op een overeenkomst met de Taliban te vergroten. Sommige twijfelden aan de emotionele stabiliteit van de Afghaanse president. Dat de Pathaanse leider verslaafd zou zijn aan softdrugs, wat een voormalig VN-topman in Afghanistan beweerde, leek mij gezocht.

Karzai had gezegd dat hij de Taliban als broers beschouwde, dat hij zelf toe zou kunnen treden tot hun gelederen. Op basis daarvan vermoedden experts een toenaderingspoging tot de opstandelingen.

Karzai en een paar leden van zijn kabinet hadden een bezoek aan Islamabad gebracht en gesproken met de Pakistaanse president Asif Zardari en generaal Kayani van de ISI. Zij hoopten een einde te kunnen maken aan de inmenging van Pakistan in het vredesproces in Afghanistan. Deze bijeenkomsten leidden tot niets.

Fazal was adviseur geweest van Karzai tijdens de presidentsverkiezingen van 2004. Hun wegen scheidden toen hij zichzelf kandidaat stelde voor de volgende verkiezingen. De man had geen aanstelling in het nieuwe kabinet aanvaard, hoewel deze hem wel was aangeboden. Hij wilde eerst eens afwachten hoe de nieuwe regering zou functioneren. ‘Het is niet omdat ik twijfel aan de capaciteiten van Karzai,’ voegde hij eraan toe, alsof de gedachte hem ineens overviel. ‘Al zet ik daar tegenwoordig wel mijn vraagtekens bij.’  Toen het zachtjes ging regenen, werden we uitgenodigd naar binnen te gaan voor het diner.

Later op de avond zat ik op een leren sofa in de ruime zitkamer van de villa, met dikke handgeknoopte tapijten op de marmeren vloer. De overige leden van ons gezelschap hadden zich neergezet op het balkon en lurkten aan een waterpijp. Door halfgesloten ogen zou je je in de mondaine wereld van de elite in Damascus of Beirut wanen. Beroepsdiplomaat Assad Omar kwam naast me zitten. Hij was verantwoordelijk voor de Europese relaties op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De voormalige ambassadeur van Afghanistan in Frankrijk bracht het gesprek op politiek. Omar vergeleek de situatie in Afghanistan met Irak: ‘Wij hebben een groot voordeel, dat we al gewend zijn aan een systeem van parlementaire democratie, terwijl Irak lang geregeerd werd door een dictator.’

Later dat jaar zouden parlementsverkiezingen plaatsvinden. Veel leden van de huidige volksvertegenwoordiging hadden nauwelijks enige opleiding toen ze aan hun taak begonnen. Gaandeweg had het parlement wel de slag te pakken gekregen en het Karzai flink lastig gemaakt. Ze hadden het overheidsbudget afgekeurd en kandidaten voor ministersposten afgewezen. Ze hadden hun voet dwars gezet toen Karzai de verkiezingswet naar zijn hand wilde zetten. Het parlement was zelfs even in staking gegaan en had toen geweigerd nog enig wetsvoorstel te tekenen. Omar keurde dat af. ‘Het parlement vaart te veel zijn eigen koers.’ Karzai greep daarom naar een middel om de volksvertegenwoordiging te passeren: hij organiseerde een loya jirga[1] naar traditioneel Afghaans gebruik. De voorbereidingen voor de komende Peace Jirga waren in volle gang.

‘Wat verwacht u daarvan?’ vroeg ik Omar.

‘De jirga heeft drie doelstellingen. Ten eerste, dat men consensus bereikt over de vredesonderhandelingen met de Taliban; ten tweede, dat de huidige regering onder leiding van Karzai geautoriseerd wordt om de onderhandelingen te voeren; ten derde, dat men overeenstemming bereikt over de aard van de concessies die gedaan kunnen worden.’

‘Gaat Karzai de onderhandelingen dan zelf doen?’ vroeg ik. Dat was niet het geval, hij delegeerde deze verantwoordelijkheid naar een Hoge Commissie voor de Vrede. Met het organiseren van een jirga wilde de Afghaanse president het gezag en de geloofwaardigheid die hij door de door fraude getekende verkiezingen was kwijtgeraakt herstellen. Hij moest zich persoonlijk verbinden aan het vredesproces. Of al die doelstellingen bereikt konden worden, dat betwijfelde Omar zeer.

Ik had verwacht dat een afvaardiging van de Taliban deel zou nemen aan deze jirga. Zij bleven volharden in de voorwaarde dat zij pas met de Afghaanse overheid aan de onderhandelingstafel plaats zouden nemen wanneer alle westerse troepen het land hadden verlaten. De influx van Amerikaanse troepen waar de Amerikaanse president Obama een jaar eerder toe had besloten, tegen de zin van Karzai, maakte dat de Taliban de hakken nog verder in het zand zette. Karzai presenteerde op de loya jirga een plan voor een vredesovereenkomst: hij wilde amnestie verlenen aan hervormde militanten en door een economische stimulans hun reintegratie in de Afghaanse maatschappij mogelijk maken. De Taliban reageerde letterlijk met een raketaanval op het jirga-complex. De tactiek had gefaald.

Half september stemden de Afghanen voor een nieuw parlement. Alleen de BBC leek nog optimistisch gestemd dat de Afghanen de mensen konden kiezen die hun toekomst vorm zouden gaan geven. Andere media hadden het debacle van de presidentsverkiezingen van een jaar eerder nog vers in het geheugen en achtten het onwaarschijnlijk dat het er deze keer eerlijk aan toe zou gaan. Zij rapporteerden over deelnemende krijgsheren, vervalste verkiezingsbiljetten, over de gevaren van het campagnevoeren, over het kopen van stemmen, over de moeilijkheden die vrouwelijke kandidaten moeten overwinnen, over het groot aantal kandidaten dat gelieerd was aan de huidige machthebbers. De Verenigde Naties, geldschieter van deze verkiezingen – de Verenigde Staten hadden na de frauduleuze presidentsverkiezingen besloten geen bijdrage te leveren – leken het allemaal wel te geloven: ze stuurden een groot deel van hun personeel het land uit, in plaats van het land in om toe te zien op een eerlijke gang van zaken.

 

Op de dag zelf volgde ik het nieuws op de televisie: het ging over het handhaven van de veiligheid, over welke stemlokalen opengingen en welke niet, over de Afghanen die ondanks alle gevaren in een lange rij stonden te wachten om hun vingerafdruk bij het symbool van hun keuze achter te laten. In de vroege ochtend waren er enkele raketinslagen in de hoofdstad. In het gehele land zouden veertien mensen het leven bij gewelddadigheden gelaten hebben. De volgende dag werden de verkiezingen door de internationale media weer een succes genoemd.

Toen ik in 2005 voor het eerst verkiezingen in Afghanistan had meegemaakt, geloofde ik nog in de jonge Afghaanse democratie. De kiezer kon bepalen wie regeerde. Ik geloofde dat iedereen kans maakte gekozen te worden.  Vijf jaar later wist ik beter: de toekomst van het land werd niet bepaald door verkiezingen. Zo werd politiek in Afghanistan niet bedreven. Dat gebeurde in achterkamertjes.

In de aanloop naar de parlementsverkiezingen hadden drie oppositieleiders elkaar in Duitsland gesproken. Dat waren voormalig vicepresident Ahmad Zia Massoud, generaal Abdul Rashid Dostum en Mohammad Mohaqiq, de laatste nog een van de steunpilaren van Karzai in de verkiezingen van 2009. Deze bijeenkomst zou zijn bijgewoond door enkele leden van het Europese parlement en het Amerikaanse congres. De drie waren overeengekomen om samen te werken. Ze hadden mogelijkheden geopperd om de huidige problemen op te lossen door een opdeling van het land in tweeën, of zelfs in federale deelstaten.

Karzai zelf dankte ooit zijn presidentschap aan een achterkameroverleg. In december 2001 waren een aantal kopstukken in Bonn bijeengekomen om de toekomst van het pas bevrijde Afghanistan te bespreken. Met de Pashtun als grootste etnische minderheid moest de nieuwe interimleider ook van deze stam afkomstig zijn. ‘Welke Pashtun is aanvaardbaar voor jullie?’ werd de vraag voorgelegd aan Yunis Qanuni, leider van de Noordelijke Alliantie, tegenwoordig voorzitter van het Lagerhuis, oppositieleider in het land zonder politieke partijen. ‘Alleen Hamid Karzai’, was diens antwoord. Qanuni zou later zelf kandidaat zijn in de eerste presidentsverkiezingen in 2009 en van Karzai verliezen.

Achter de schermen werd ook druk onderhandeld over een vrede die de toekomstige machtsverhoudingen zou bepalen. Zo had Karzai vlak voor de verkiezingen nogmaals in Islamabad gesproken met de Pakistaanse Eerste Minister Gilani, de legertop en de ISI over vredesonderhandelingen met de Taliban. Ook deze keer wilden de gesprekken niet vlotten en hadden ze niet tot een akkoord geleid. Volgens de Pakistaanse pers wilde Karzai zich ervan verzekeren dat de buurman geen roet in het eten zou gooien bij zijn plan om zijn eigen mensen in het parlement te helpen.

Ondanks het dwarsliggende parlement had Hamid Karzai zijn machtspositie sinds zijn herverkiezing vorig jaar weten te verstevigen. Door de verregaande bevoegdheden die in de grondwet waren toegekend aan de president, kon hij alle overheidsfuncties benoemen. Hij ‘accepteerde’ het ontslag van de door het Parlement goedgekeurde Minister van Binnenlandse Zaken en wees zelf de vervanger aan. Meer dan twintig ambtenaren op het betreffende Ministerie werden door hem vervangen. Uiteindelijk zaten zíjn kandidaten op de ministerszetels. Hij stelde niet alleen de verkiezingscommissie maar ook de klachtencommissie samen en bepaalde dat er geen buitenlander meer in plaats mocht nemen. Door gunsten te verlenen en lucratieve baantjes te verdelen had hij een netwerk van trouwe supporters om zich heen verzameld. Tot de machtskring van de Afghaanse president behoorden twee van zijn broers, de vicepresident Marshall Fahim en de presidentiele chef-staf Omer Daudzai, die Karzai gekscherend weleens premier noemde. Ook het nieuwe parlement bleek grotendeels Karzai-gezind.

De VS bereidden zich achter de schermen alvast voor op 2014. Karzai zou dan zijn grondwettelijk bepaalde maximum van twee termijnen hebben gezeten. De Amerikaanse Ambassade sprak met mogelijk opvolgers. Asif Rahimi, de Minister van Landbouw, maakte een goede indruk op de ambtenaren van Buitenlandse Zaken tijdens een officieel bezoek aan Washington.

President Karzai, die in zijn politieke nadagen zou moeten verkeren, gedroeg zich ondertussen niet bepaald als een lame duck. Achter de schermen stelde hij alles in het werk om de grondwet zodanig te veranderen dat een derde ambtstermijn binnen zijn bereik kwam.

Een belangrijke zet was het uitvaardigen van een decreet dat alle privé-beveiligingsbedrijven aan het einde van het jaar de zaken moesten opdoeken. Dat was officieel om illegale praktijken en excessen van machtsmisbruik en geweld in deze lucratieve bedrijfssector tegen te gaan. Het verbod leek op een poging om de buitenlandse bewakingsbedrijven, die goede zaken deden in de beveiliging van hulporganisaties, projecten en ambassades, aan te pakken. De Afghaanse politie zou hun taken gaan overnemen. Een van mijn klanten werd zwaar benadeeld door het nieuwe decreet, hij had net een aandeel gekocht in een bewakingsbedrijf. Dat was in één klap weinig meer waard. Samen met andere partijen lobbyde hij bij de Afghaanse president. Bij diens gratie werd een aantal bedrijven toegestaan toch door te gaan. Zo bleek het decreet een manier waarmee Karzai verschillende gewapende facties kon ontwapenen. Vijf jaar eerder werd Karzai nog kleinerend de ‘burgemeester van Kabul’ genoemd. Nu kon hij zich een koning wanen.

 

 


[1] Grote vergadering.

 

Om moedeloos van te worden

Voor leningen en subsidies waren Afghaanse bedrijven aangewezen op buitenlandse instanties. De commerciële banken verstrekten geen leningen, behalve aan relaties. Na maanden wachten werd de financieringsaanvraag van Azizullah, een van mijn klanten, afgewezen door de Amerikaanse instantie, die eerder mondeling al akkoord was gegaan. De lening was bedoeld om zijn fabriek in Kandahar uit te breiden met een lijn om vruchtensap te produceren. Als reden werd opgegeven dat het bedrijf onderdelen, namelijk flessendoppen, voor de productielijn van flessenwater in Iran kocht. Door de boycot van Iran mochten Amerikaanse hulpgelden op geen enkele manier besmet worden.  ‘Als ze dat in DC horen dan zitten we in de problemen!’

Zia, de jonge bedrijfsleider en ik hadden maanden aan het ondernemersplan gewerkt. Azizullah reageerde bedrukt op de afwijzing. ‘US AID wekt veel te hoge verwachtingen. Ze beloven van alles. Ze zeggen ons te helpen. Komt het puntje bij het paaltje, dan gebeurt er niets.’ Hij was niet van plan deze donor ooit nog om geld te vragen. Zia daarentegen verbeet zijn teleurstelling en zei: ‘Ik ga volgende week naar Pakistan om te kijken of ik daar die vermaledijde flessendoppen kan kopen.’

Ook een andere klant verging een rondgang langs diverse internationale financiële instellingen slecht. Dezelfde instantie als waar ik met Azizullah bot ving had ook hen mondeling beloofd een lening te verstrekken met de machinerie als onderpand, maar kwam daar later op terug. Ze konden de machine niet operationeel zien, daarom konden ze de waarde niet bepalen. Een tweede instantie accepteerde alleen eigendomspapieren van land en gebouwen als onderpand voor een lening, terwijl kadasterdocumenten grotendeels verloren waren gegaan tijdens de oorlog. Bij een derde instantie kwalificeerde het bedrijf niet voor een lening omdat het niet gevestigd was op een industrieterrein, waar de landprijzen veel hoger lagen. Toen we het weer probeerden bij instantie no. 1 wees deze de aanvraag af, omdat de leningsadviseur het ondernemersplan niet goed had gelezen en abusievelijk concludeerde dat het bedrijf voldoende eigen vermogen had om de uitbreiding zelf te financieren. Bij een bank was de termijn van de lening te kort en de rente te hoog. Het leek soms net een klucht.

Ik had net een ondernemingsplan voor een koelhuis in Kabul gemaakt, toen een buitenlandse consultant die nooit eerder in Afghanistan was geweest concludeerde dat het land nog niet toe was aan koelfaciliteiten, omdat de infrastructuur ontbrak. Koelhuizen op het platteland, die door US AID werden gebouwd, waren niet in gebruik omdat er geen lokale investeerders gevonden konden worden die het management op zich wilde nemen. Daardoor werden alle investeringen op dat gebied stopgezet. In de jaren dat ik in Afghanistan werkte nam ik regelmatig deel aan conferenties en workshops over finance van de internationale donoren in het vijfsterren Serena Hotel, waarbij ik optrad als spreekbuis van het Afghaanse MKB. Keer op keer deed ik relaas van de obstakels die zij ervoeren in het verkrijgen van financiering. Ik had niet het idee dat het iets uithaalde; aanpak en prioriteiten werden in Washington bepaald.

Vanzelfsprekend kwam ik ook Afghaanse bedrijven tegen die wel hun voordeel hadden gedaan met de hulpprogramma’s. Bedrijven konden deelnemen aan handelsbeurzen in het buitenland. Bedrijfsverenigingen, -federaties en coöperaties werden soms zelfs speciaal opgericht om in aanmerking te komen voor de vele subsidies die voorhanden waren. Een van mijn klanten kreeg een subsidie voor de aanschaf van machinerie voor een nieuw op te starten leerverwerkingsfabriek in Jalalabad. Bij een ander werden de kosten voor het laten maken van een ondernemingsplan voor een tapijtfabriek vergoed. Een Nederlandse ondernemer die in een joint-venture met een Afghaans bedrijf een fabriek wilde opstarten kon daar ook een aanzienlijk subsidie voor krijgen. Zolang die subsidies er waren, hadden bedrijven weinig interesse voor leningen.

Een klant die een lening had gekregen, deed nauwelijks moeite om die terug te betalen. Door de rente was het achterstallige bedrag fors opgelopen. Hij beweerde dat de bedrijfsresultaten zo slecht waren dat hij de aflossingen niet kon betalen. Dat achtte ik best mogelijk. Ik deed een poging om te bemiddelen tussen hem en de financierende instantie, maar ondervond niet al te veel medewerking van de klant. Koppig haalde hij zijn schouders op voor de dreigementen over sancties van de organisatie. ‘Ze hebben me zelf dat geld gegeven.’ Er was een link tussen zijn gedrag en de betalingen die door het Amerikaanse leger waren gedaan aan loyale krijgsheren. Omdat hij veel invloed had in Jalalabad,  dacht hij, ondanks het woud van bureaucratische regeltjes, administratieve procedures, contracten en zakelijke bewoordingen, dat de lening in eenzelfde context was gedaan. Een van mijn andere klanten zei dat ook: ‘Al die subsidies en leningen zijn verkapte afbetalingen. Bij de een storten ze geld op een persoonlijke bankrekening zonder iemand te checken. Ze malen niet om aflossingen. Een ander die komt met een goed ondernemingsplan moet voldoen aan onmogelijke regels.’ Ik moest toegeven dat ik het beleid van de instanties ook niet kon volgen, het leek op willekeur.

De vertegenwoordiger van Nestle, die een persoonlijke relatie had met de Amerikaanse Ambassadeur, kreeg een lening van ruim vier miljoen US$ van US AID voor de bouw van een fabriek. De accountant die de audit verzorgde van de financierende organisatie verklapte aan mij dat het bedrag op de persoonlijke bankrekening van de ondernemer was gestort, terwijl de gebruikelijke procedure was dat de financiële instantie de machinerie kocht en op termijn het eigendomsrecht overdroeg. Deze zakenman was handelaar, hij had nog nooit eerder een productiefaciliteit opgezet. Het duurde maanden voor hij de expertise had ingehuurd om een fabrieksvloer te laten storten.

Na twee jaar was de fabriek nog niet operationeel en bleek de lening niet toereikend. De ondernemer kreeg via een aantal andere US AID-programma’s subsidies toegewezen, waardoor het totale aandeel van de organisatie in deze onderneming opliep tot ruim tien miljoen dollar. US AID kreeg het toen benauwd. Een Chief of Party begon verwoed gesprekken met potentiële internationale kopers te organiseren. Een Amerikaanse consultant zei tegen mij op een congres over finance: ‘Iedereen weet dat het een mislukking is. Toch blijven ze er maar mee doorgaan. Ze gooien er meer geld tegenaan, in de hoop dat het toch nog lukt.’

In die tijd werd de financieringsaanvraag van mijn klant weer afgewezen. Nogmaals zat ik met Zia, de jonge bedrijfsleider van Azizullah, tegenover de officials van de financier om verhaal te halen. Het was de derde keer. Deze keer hadden de vertegenwoordigers van de instantie een voorstel voor hem: ‘Nu de fabriek in Kabul een concentraatlijn heeft, zou jij dan niet in Kandahar een saplijn kunnen neerzetten? Dan kunnen jullie samenwerken.’

Zia en ik keken elkaar vol afgrijzen aan. Het belangrijkste product was granaatappelsap. Zia zocht op zijn laptop naar een foto. Hij draaide de computer zo dat de officials het scherm konden zien: het toonde de parkeerplaats van de fabriek, een hek en daarachter een boomgaard. Rijen en rijen bomen, overladen met granaatappels. Hij zei: ‘Jullie willen dat wij de granaatappels uit Kandahar op transport naar Kabul sturen, om ze daar tot concentraat te laten verpulveren. Vervolgens wil je de vaten pulp terugzenden naar Kandahar om het daar tot sap te laten mengen?’ De Kabul-Kandahar snelweg werd de snelweg des doods genoemd. Konvooien stuurden bewakers mee of betaalden de Taliban af om veilig op de bestemming aan te komen. Transport van fruit via deze weg maakte het twee keer zo duur. De Amerikaanse officials lieten zich niet van de wijs brengen.

‘Laten we het doorrekenen. Maken jullie een nieuw ondernemersplan voor de saplijn. We gaan geen twee fabrieken financieren.’

Ook deze keer kregen we nul op het rekest, dit keer omdat het bedrijf geen geaccrediteerde auditrapporten kon overleggen. Het effect van het beleid van US AID om de een wel en de ander niet te subsidiëren zorgde wel voor oneigenlijke concurrentie en een verwrongen markt.

Voor een Nederlandse studie naar publiek-private samenwerking in Afghanistan onderzocht ik vier case studies; geen daarvan was succesvol. Mira Jan Sahibi had zich, samen met drie andere Afghaanse ondernemers, door een Duitse ontwikkelingsorganisatie over laten halen om een half miljoen in een suikerfabriek te investeren. Deze organisatie had de Afghanen geïntroduceerd aan een Duits bedrijf in zaden dat ook wilde investeren. De Duitse overheid nam het grootste deel van de kosten op zich in het kader van de publiek-private samenwerking. Ze huurden een Duits ingenieursbureau in om het fabrieksontwerp te maken en een Duits-Afghaanse manager die de knowhow had om een dergelijke operatie te runnen.

De haalbaarheidsstudie – ook gemaakt door een Duits bureau – bleek veel te optimistisch. Het obstakel was dat de Afghaanse boeren met geen stok te bewegen waren om suikerbieten te verbouwen tegen de prijs die de fabriek ervoor wilde betalen. Toen de onderneming na een aantal jaren nog steeds geen winst maakte, had de zakenman de andere private investeerders voorgesteld om tot liquidatie over te gaan.

Het project was een typisch voorbeeld van een clash tussen twee uiteenlopende culturen: logge overheden en het ongeduldige, slagvaardige bedrijfsleven. Sahibi noemde als oorzaak van de mislukking het ‘bureaucratische management’ dat hem nergens bij had betrokken en ‘al die Duitse specialisten moesten worden betaald. Daardoor liepen de kosten hoog op’. Achteraf gezien voelde hij zich bekocht. De man leek het bedrijfsverlies gelaten te accepteren, al was iets dergelijks in zijn familie nog nooit eerder voorgekomen. Dat hij dat zo nadrukkelijk zei deed mij vermoeden dat hij zich ervoor schaamde.