Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban

Voor ons bezoek aan de Helmand Business Association had het bewakingsteam een konvooi, bestaande uit een gepantserde terreinwagen met chauffeur en een 4WD met bewapende bewakers, ons personal detail, geregeld. Kogelvrije vesten en helm verplicht voor de rit. Het bewakingsteam verkende het gebouw voordat ze ons toestemming gaven uit de auto te stappen. Pas binnen het kantoor van de vereniging, een slecht onderhouden, twee verdiepingen hoog gebouw met tamelijk afgetrapte tapijten en afgebladderde muren, mocht het scherfvest uit. We ontmoetten het bestuur, bebaarde Pashtuns, in shalwaar kameez, grijze zijden turban op het hoofd, de slip over de schouder gedrapeerd, de traditionele zuidelijke klederdracht. Na de kennismaking gingen we zitten op de werkkamer van de voorzitter, Haji Ali Ahmad, die zelf plaatsnam achter een groot bureau. Het verschil met andere provincies waar ik keuterboertjes tegenkwam was opmerkelijk. Dit waren zelfbewuste zakenmensen.

‘De meeste van ons hebben een constructiebedrijf,’ zo legde de voorzitter uit. ‘We leggen wegen aan en leveren brandstof, arbeiders en andere logistieke diensten aan het PRT.’ Al spraken ze nauwelijks Engels en hadden ze niet veel meer opleiding dan basisschool, ze deden groot zaken. De organisatie was nog ambitieus ook: ‘We willen de naam veranderen in National Investment Organisation,’ om landelijk interesse te genereren. Daar stak het kantoor toch wat sjofeltjes bij af.

Mijn twee Afghaanse medewerkers hadden uit veiligheidsoverwegingen geen gebruik mogen maken van de diplomatieke luchtverbinding; zij waren met de commerciële Afghaanse luchtvaartmaatschappij Pamir Air naar Lashkar Gah gevlogen. Ze logeerden ook niet in het militaire kamp, maar in het lokale Bost Hotel. Normaal gekleed in T-shirt of overhemd met spijkerbroek, arriveerden ze op het kantoor van de vereniging in shalwaar kameez en met een stoppelbaardje. Ik zag ze daar pas voor het eerst. Ze mochten niet op het PRT zonder antecedentenonderzoek. Afghanen kregen alleen toegang tot het militaire kamp na verificatie van de identiteit met een retinascan en vingerafdrukken. De dure doos chocolade die ze hadden meegenomen als relatiegeschenk viel in goede aarde bij de voorzitter.

‘De veiligheid is enorm verbeterd in het laatste jaar,’ zo meenden de ondernemers. Daarom was er veel animo voor het industrieterrein: ‘Een van de grootste obstakels voor de lokale economie was het gebrek aan land voor industriële activiteiten.’ De gemeente verbood bedrijven om binnen de stadsgrenzen een fabriek te beginnen; het platteland was onveilig. Ze klaagden over de inefficiëntie en ineffectiviteit van de overheid. Gemeenteambtenaars vroegen openlijk om smeergeld. De burgemeester van Lashkar Gah zou een huis ter waarde van honderdduizenden dollars bezitten, terwijl zijn salaris slechts 200 US$ per maand bedroeg. De zakenmannen geloofden niet dat de overheid deze keer werkelijk iets voor hen zou doen. Buitenlanders hadden in het verleden gedane beloftes ook niet kunnen waarmaken. De ondernemers wilden de grond op het industrieterrein dan ook het liefst kopen. ‘We vertrouwen de regering niet,’ zo zei een van hen. Het land in Helmand behoorde toe aan de Afghaanse regering; beslissingen over wie welk stuk perceel kreeg toegewezen werden in Kabul genomen. ‘Straks hebben we geïnvesteerd in gebouwen en zegt de regering ons leasecontract op! Een nieuw regime kan de voorwaarden veranderen. Dat zou niet voor het eerst zijn.’ De Britse projectleider lichtte toe dat de Afghaanse regering wilde voorkomen dat de ondernemers met de grond zouden gaan speculeren wanneer ze die in eigendom hadden, of er een flatgebouw op zouden zetten in plaats van een fabriek.

Elektriciteit was een ander groot probleem. Haji Ali Ahmad legde uit: ‘De stroom van de waterkrachtcentrale is onbetrouwbaar. De verbinding naar de stad is van slechte kwaliteit.’ De Taliban saboteerde de toevoer van elektriciteit door de stroomkabels met regelmatmaat door te snijden. Helmand kreeg haar elektriciteit van de Kajaki hydro-elektrische krachtcentrale gelegen in het bergachtige noorden van de provincie. In 1953 hadden Amerikaanse ingenieurs de reusachtige betonnen dam in de Helmandrivier gebouwd. Hierdoor konden de lager gelegen landbouwgronden via een netwerk aan irrigatiekanalen van water worden voorzien. Het grootste ontwikkelingsproject in de geschiedenis van Afghanistan had de provincie moeten veranderen in een groene oase van vruchtbaar akkerland waar honderdduizenden nomaden zich hadden kunnen vestigen op voorheen droge woestijngrond. Het kostbare project mislukte omdat grote delen van de nieuwe landbouwgronden verziltten. Op de nieuw verworven gronden ging de bevolking papaver verbouwen. Het had een positieve impuls moeten geven aan de VS-Afghaanse diplomatieke relatie, ‘maar het project droeg zo weinig bij aan de economische ontwikkeling van het land, dat het Afghanistan uiteindelijk in de armen van de Russen dreef’, aldus de huidige Afghaanse Minister van Financiën Omar Zakhilwal in een commentaar destijds.

Na de krachtcentrale in 2001 te hebben platgebombardeerd, had het Amerikaanse leger de twee turbines, met een gezamenlijke capaciteit van 33MW, weer gerepareerd. Dat bleek bij lange na niet voldoende om in de toenemende vraag naar stroom in de zuidelijke provincies te voorzien. Het grootste deel van de opgewekte elektriciteit werd door de nabijgelegen zuidelijke hoofdstad Kandahar afgeroomd. Voor Lashkar Gah bleef er weinig over. De Amerikanen spaarden kosten nog moeite om de capaciteit van de krachtcentrale uit te breiden. Bij de verdediging van de ingenieurs en arbeiders tegen aanvallen van terroristen vielen tientallen doden. Toen de onderdelen van een derde turbine eindelijk werden afgeleverd op locatie, onder bescherming van 2,000 Britse soldaten, was geen bouwbedrijf bereid in die onveilige omgeving een betonvloer te storten. Nadat een Chinees bedrijf was ingehuurd voor die taak, voorkwam de Taliban de aflevering van de zakken cement.

De ondernemers uit Helmand zaten vol goede ideeën. Een aantal was van plan een fabriek voor de verwerking van ruw katoen op te starten. Voor de oorlog was katoen de belangrijkste cash crop in de provincie. Met de hulp van de Britse overheid was in de jaren zestig een katoenfabriek gebouwd. Katoen werd uitgevoerd naar Duitsland, China en Japan. De socialistische regering verstrekte zaden en kunstmest aan de boeren en kocht de oogst in voor de fabriek tegen een in Kabul bepaalde prijs. Ze verbood privé-initiatieven. Tot voor kort bleef dit monopolie gehandhaafd. De lokale overheid trad zelfs actief op door illegale fabriekjes te overvallen. De Bost Katoenfabriek echter maakte jaarlijks een paar miljoen verlies, een tekort dat door de staat moest worden aangevuld. In een jaar van de overstromingen kwamen Pakistaanse handelaars naar Helmand om ruw katoen in te kopen voor de textielindustrie in eigen land. Dat wekte de interesse van de plaatselijke ondernemers. Het Afghaanse Ministerie van Landbouw had geen beleid om de katoenteelt op industriële schaal te stimuleren. Zij liet het aan het bedrijfsleven over om zakelijke kansen te benutten. De markt werd opengesteld voor de private sector. Haji Ali Ahmad had al machines aangeschaft, in afwachting van de toekenning van een perceel op het industrieterrein. Hij zei: ‘Wanneer er een commerciële katoenfabriek zou zijn, dan zouden boeren katoen verbouwen in plaats van papaver.’

Enkele ondernemers wilden graanmolens bouwen. Afghanistan produceerde niet voldoende tarwe om te voorzien in de behoefte van de ruim 30 miljoen inwoners, voor wie brood een basisbehoefte is. Jaarlijks werden duizenden tonnen graan en meel uit Kazakhstan en Pakistan geïmporteerd. In Helmand werd een overschot geproduceerd. Op het platteland stonden honderden kleine molens, aangedreven door dieselgeneratoren, tarwe te vermalen tot meel voor eigen gebruik. Er was echter geen graanfabriek; overschotten werden naar Kandahar en Ghazni gezonden voor verwerking. Meel moest worden ingekocht. Haji Nisar, een lid van de vereniging, dacht dat de belangrijkste reden voor de onveiligheid in de provincie was dat er geen markten en banen waren. ‘Wanneer er een molen wordt gebouwd, die lokaal graan koopt van de boeren tegen een eerlijke prijs, dan zouden minder mensen papaver telen.’ Hij ging zelfs nog verder: ‘Wanneer de silo jonge werkeloze mannen in dienst neemt, dan treden die niet toe tot de gelederen van de Taliban.’

De ondernemers wilden onze hulp bij het opstellen van ondernemingsplannen. Er was geen behoefte aan subsidies of leningen, wat vaak wel het geval was in andere provincies. ‘Geld hebben we genoeg,’ zo zeiden ze.

Mijn Afghaanse werknemers spraken in de loop van de week met individuele ondernemers om de behoefte aan ondersteuning nader in kaart te brengen. Via een lokale makelaar kwamen ze in contact met een huiseigenaar waar ze een kantoor van huurden. Ze namen sollicitatiegesprekken af voor bewakers en ander ondersteunend personeel. Ik was tevreden met de geboekte resultaten. Zelf mocht ik de stad niet in. Er waren niet voldoende gepantserde voertuigen beschikbaar en ik mocht vanwege het veiligheidsprotocol niet buiten de poort van het PRT zonder personal detail. Zo kon ik de plek van het industrieterrein niet verkennen. Een bezoek aan de katoenfabriek werd niet veilig geacht. Wel bezichtigden we een marmerfabriek. Daarom deed ik de ronde op de PRT en sprak met de vertegenwoordigers van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw en diverse militaire onderdelen. Er leek weinig coördinatie en communicatie te zijn tussen al die organisaties die in hetzelfde kamp verbleven.

Op donderdagavond gingen mijn medewerkers in de geest van de Afghaanse gastvrijheid eten bij een van de zakenmensen. Ze kregen een overdadig diner aangeboden, met lamskebab, rijst, salades en vers fruit toe, vanzelfsprekend zonder alcohol. De gastheer gaf een rondleiding door zijn bedrijf. In een van de kamers op het kantoor lagen balen Amerikaanse dollars. ‘Opgestapeld tot aan het plafond,’ vertelde de programmamanager me later vol ontzag. ‘Net een bankkluis!’ Er bestond bij hem weinig twijfel over waar het geld vandaan kwam. Opium. Tegen hen gaf de gastheer ook toe, iets wat hij in het bijzijn van buitenlanders niet zou doen, dat hij contacten had met de Taliban. Dan vielen ze hem niet lastig, was de redenering. ‘Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban.’ Na het eten kwamen de Afghanen terug in het Bost Hotel, waar de stroom was uitgevallen. Ze moesten op de tast hun kamer vinden.

Ik at met de Britse collega’s in een enorme legertent met planken vloeren, waar drie keer per dag eten werd geserveerd voor de duizenden, grotendeels Britse, militairen die in het kamp verbleven. Er stond fish en chips, spaghetti bolognaise, biefstuk, salades en toetjes op het menu. Het legerkamp beschikte over een gymzaal, café en filmzaal voor de vrijetijdbesteding. Een zogenaamde PX-winkel verkocht toiletartikelen, chips, dvd’s, iPods, iPads en vrijetijdskleding van North Face en Timberland. Daarna bezochten we de bar, die volliep met hulpverleners en militairen in vrijetijdskleding. Alcohol was hier spotgoedkoop in vergelijking met de bars en restaurants in Kabul, want het was hier in ruime mate aanwezig, terwijl in de hoofdstad schaarste heerste. Toen ik tegen middernacht in de scherpe avondlucht naar mijn verwarmde wooncontainer wandelde, baadde het militaire terrein in het licht van felle schijnwerpers. Ik was in een goede stemming. De week was goed verlopen.

Op vrijdag rond het middaguur wachtte ik in het PRT ruim een uur in scherfvest, in een auto met draaiende motor, op het vertreksignaal. De bewakers stonden in verbinding met de piloten van het ambassadevliegtuig, zodat ze de aankomst van passagiers konden coördineren met dat van het vliegtuig. Te lang op de landingsbaan staan vormde een risico. We maakten een tussenlanding op het vliegveld van Camp Bastion om  hoogwaardigheidsbekleders op te halen. Het zou gaan om de Britse Minister van Buitenlandse Zaken David Miliband, die in de ochtend onverwacht een bliksembezoek had gebracht aan de Engelse troepen op het PRT in Lashkar Gah. In de onherbergzame noordwestelijke woestijn van Helmand hadden de Britten een gigantisch legerkamp uit de grond gestampt dat fungeerde als logistiek centrum voor de Britse operaties in de provincie. De immense schaal van de basis was goed te zien toen we er overheen vlogen: er leek geen eind aan te komen. De basis huisvestte troepen van de landmacht, marine en luchtmacht, met al het ondersteunende personeel omstreeks 25,000 mensen. Het omvatte een volledig geoutilleerd modern vliegveld, ziekenhuis en brandweerkazerne. Er waren opslagloodsen, wooncontainers en tenten, kantines, hangars en verbrandingsovens voor afval. De luchthaven faciliteerde het opstijgen en landen van honderden vliegtuigen per dag, met vaste vleugels en draaivleugels, zoals Chinook-helikopters. Apparatuur draaide op dieselgeneratoren; er was 24 uur per dag elektriciteit, daar waar Lashkar Gah nog geen 3 uur per dag stroom kreeg. Amerikaanse ingenieurs bouwden een kamp op het belendende terrein om de influx van mariniers te faciliteren. Camp Bastion was de grootste Engelse legerbasis buiten Groot-Brittannië sinds de tweede wereldoorlog.

We stonden uren stil op de landingsbaan, zonder verwarming, eten en drinken. Ik wilde mijn manager in Kabul telefonisch verwittigen van de vertraging en vertelde zonder nadenken dat ik me in Camp Bastion bevond. Meteen kreeg ik een por in mijn rug van een medereiziger: ‘Dat mag je niet vertellen door de telefoon. Wie weet wie er meeluistert!’ Ik kreeg een kleur. In de zakenwereld luisterde vijanden geen telefoongesprekken af. Eindelijk arriveerden de ‘VIPs’: met de Minister meegereisde leden van de Britse media. De Minister werd vanwege de veiligheid per helikopter vervoerd naar de Britse Ambassade in Kabul.

Met kogelvrij vest aan naar Helmand

Om zes uur op een kille ochtend in januari meldde ik me bij een zwaarbeveiligde zone binnen de diplomatenwijk Wazir Akbar Khan. Toegang tot deze onofficiële Green Zone werd geregeld door een checkpoint met slagboom. Omdat mijn Afghaanse chauffeur met zijn lokale taxi geen vergunning had voor dit gebied, ging ik te voet verder. Bij de Britse Ambassade ontmoette ik het bewakingsteam dat me naar de militaire luchthaven zou brengen. Een goudkleurige, gepantserde 4WD stond voor de poort te wachten. Een bewaker van de ambassade, in kakikleurig fleecejack, een donkerblauw kogelvrij vest met de Britse vlag onder de hals en een kakikleurige cargobroek, overhandigde mij een kogelvrij vest en een helm. Die had ik niet eerder nodig gehad in al die zes jaar dat ik in Afghanistan woonde. Ik leende ze daarom voor deze gelegenheid van hem. We stapten in de auto.

‘Tijdens het vervoer dragen we altijd scherfvest en helm. Ik ben verantwoordelijk voor jullie veiligheid. De chauffeur en ik dragen beiden een wapen. Wanneer we worden aangevallen, moet je mijn instructies opvolgen. Verlaat het voertuig nooit zonder mijn toestemming, ook niet in een noodgeval. Binnen ben je veiliger dan daarbuiten. Mochten de chauffeur en ik beiden zijn uitgeschakeld, dan kan je contact opnemen met de controlekamer via dit apparaat. Het call sign van de auto staat hier. Hier is een EHBO-doos. Prettige reis.’

De briefing van de beveiligingsman tijdens de rit naar de luchthaven, die me op mijn gemak moest stellen, had precies het tegenovergestelde effect. Terwijl ik deze weg naar de luchthaven van Kabul al minstens vijftig keer in een gewone taxi had afgelegd, voelde ik me in dit gepantserde voertuig voor het eerst gespannen. Deze auto’s vormden een doelwit, de zilvergrijze Toyota Corolla’s waarin ik doorgaans door de stad werd gereden niet.

Mijn bedrijf ging een project uitvoeren voor de Britse ontwikkelingsorganisatie DFID in Helmand. Terwijl een Brits ingenieursbureau een industrieterrein aanlegde, zouden wij ondersteuning geven aan lokale bedrijven die daar een fabriek wilden starten. Ik was opgetogen over deze kans om iets te doen voor het bedrijfsleven in deze zuidelijke provincie, waar door de gewapende conflicten van de laatste jaren nog weinig van ontwikkeling terechtgekomen was: fabriekjes opstarten, mensen aan het werk helpen en boeren een afzetmarkt voor hun waar bieden. We kregen het omvangrijke project toegewezen op grond van onze reputatie voor het behalen van resultaat onder moeilijke omstandigheden. De Britten gaven ons veel ruimte, waardoor ik had besloten om Afghanen aan te nemen en op te leiden die na afloop van het project zelfstandig als bedrijfsadviseurs aan de slag zouden kunnen gaan. Dat bestond nog niet in Helmand. Voor de aftrap van dit project vloog ik naar Lashkar Gah, de hoofdstad van Helmand. Daar zou ik verblijven in het Britse militaire kamp bij het Provinciale Reconstructie Team (PRT). Vanwege het strenge veiligheidsprotocol van de Britse organisatie ging de reis met een diplomatiek vliegtuigje. Op KAIA boardde ik het kleine witte propellervliegtuigje met scherfvest en helm.

Direct na het opstijgen ontdeden mijn medepassagiers zich van hun beschermingsmiddelen. Ik deed ook een poging, maar het vest, bestemd voor een man, was te zwaar. Iemand schoot te hulp en tilde het van me af. Door het vliegtuigraampje zag ik een uitgestrekte vlakte, een lappendeken van goudgele vakjes, net een verfomfaaid dambord. Helmand was jarenlang het bolwerk van de Taliban geweest. Al was de beweging ontstaan in de vluchtelingenkampen in Pakistan, en namen ze haar toevlucht na 2001 ook weer tot dat land, de zuidelijke provincies van Afghanistan vormden de geboortegronden van de Taliban. Door de geringe regenval en temperaturen oplopend tot 50 graden Celsius in de zomer lenen de klimatologische omstandigheden zich bij uitstek voor papaver. De opiumteelt floreerde. Afghanistan leverde 90% van de totale hoeveelheid heroïne op de wereldmarkt; Helmand was verantwoordelijk voor de productie van zeker de helft daarvan. Door belasting te heffen op de opiumhandel konden de moslimextremisten hun comeback financieren.

In juli 2006 vond de eerste van een aantal grootschalige militaire operaties plaats om de opmars van de opstandelingen tot stilstand te brengen, Operation Mountain Thrust. In augustus van dat jaar werd de handhaving van de veiligheid overgedragen aan Groot-Brittannië. De Britten hadden, net als Nederland in Uruzgan, een opbouwmissie verwacht. Zelfs met een uitbreiding van hun troepenmacht tot 10,000 konden ze echter niet voorkomen dat de Taliban stevig voet aan de grond kreeg in het uitgestrekte woestijngebied. Een militaire influx volgde in 2009 onder de nieuw gekozen Amerikaanse president Obama: 22,000 Amerikaanse mariniers kwamen de Engelse bondgenoten versterken. Gevechten vonden plaats om districten, dorpen en gehuchten. Al leek het van weinig strategische waarde, Helmand was het toneel van de zwaarste gevechten in de bijna twaalf jaar durende oorlog, die het leven kostten aan honderden coalitiemilitairen. Nog eens honderden verloren één of beide benen door bermbommen en mijnen. Ook de Taliban leed grote verliezen. Het werd district na district uitgejaagd. Wapendepots werden opgerold. Coalitietroepen vernietigden papavervelden. Van wederopbouw was tot dan toe weinig terecht gekomen. Toen ISAF begin 2010 de situatie onder controle achtte, kon het dan eindelijk gaan beginnen. Gouverneur Ghulab Mangal werd beschouwd als een van de meest competente provinciale leiders, een tegenstander van de corrupte regering in Kabul. Onder zijn leiding zou de opiumteelt zijn gedaald en de dienstverlening aan de bevolking verbeterd. Oorspronkelijk niet uit Helmand afkomstig, wat zijn taak bemoeilijkte, overleefde hij meerdere aanslagen. De Britten liepen met hem weg en stelden ruime fondsen ter beschikking aan de bestuurder. DFID, een Britse ontwikkelingsorganisatie met ministeriële status, had nu een ambitieus plan voor de aanleg van een industrieterrein opgesteld om werkgelegenheid te scheppen in de provincie.

Niemand waarschuwde voor de abrupte daling naar Lashkar Gah. Het vliegtuig bleef zo lang mogelijk op grote hoogte om pas in de nabijheid van de eindbestemming een scherpe daling in te zetten. Mijn maag schoot in mijn keel. Ik slikte verwoed om de druk op mijn oren te verminderen en zette me schrap tegen de stoel voor me. Zelfs nadat we geland waren duurde het nog even voor de misselijkheid was weggetrokken. Voor het verlaten van het vliegtuigje volgde ik het voorbeeld van mijn medepassagiers, deed het scherfvest weer om en zette de helm op. De luchthaven bestond uit weinig meer dan een betonnen landingsbaan midden in de woestijn, aan alle kanten afgezet met een kraag prikkeldraad. Er was een klein terminalgebouw voor de vluchtleiding. De aanleg van dit vliegveld, op de plek waar eerder een Russische luchtmachtbasis was geweest, had de Amerikanen 9 miljoen US$ gekost.

De beveiliging had twee gepantserde voertuigen gestuurd om mij en twee medepassagiers op te halen. Engelse bewakers in het uniform van het bewakingsbedrijf, donkerblauwe blouse en kakikleurige cargobroek, leken op Michelinmannetjes, met het kakikleurig kogelvrijvest, een riem rondom volgepropt met reservepatronen, pistool in een holster om het bovenbeen. Ze bevalen ons kortaf in de nabijheid van de terminal te wachten. Die moest ons afschermen voor eventuele scherpschutters. Op enige afstand stonden een paar bewakers met zonnebrillen en machinegeweren in de aanslag de omgeving te scannen.

Zodra de bagage was verzameld klommen we in een goudkleurige, gepantserde terreinwagen waar we weer een briefing kregen. Het konvooi zette zich in beweging. Via de radio stonden de auto’s in verbinding met de controlekamer op de basis. De bijrijder sprak doorlopend met de controlekamer. Hij meldde verdachte bewegingen en voertuigen op de weg en vroeg om advies voor de beste route.

‘Wat is dat gat in de voorruit?’ vroeg ik.

‘Oh,’ zei de bijrijder nonchalant, ‘We zijn laatst een keer beschoten.’

‘Is dat geen gewapend glas dan?’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Een raket, geen kogel. Daar doe je niets aan.’

Zonder ook maar een keer te stoppen raasden we op hoge snelheid door het centrum van Lashkar Gah. Het lokale verkeer, kennelijk gewend aan militaire kolonnes, ontweek ons. De hoofdwegen waren voorzien van nieuw asfalt. Ik maakte wat foto’s door het raam. De bebouwing bestond voornamelijk uit traditionele Afghaanse lemen huisjes. Er was bijna niemand op straat, ook al was het rond het middaguur. Geen vrouw te zien. Ik ving een glimp op van een boerka in de achterbak van een tuktuk. Mannen gingen gekleed in shalwaar kameez en longee, niet in spijkerbroek of westers kostuum, zoals ik tegenwoordig in Kabul meer zag. Grote kleurrijke reclameborden riepen de Helmandi’s op een mobiel telefonieabonnement van Roshan of Afghan Wireless aan te schaffen. Laagbouwwinkels met open gevels verkochten graan, katoen, meel en benzine. Rijen handkarren stonden voor een overdekte markt in aanbouw, overladen met verse groente en fruit. De bewoners van Lash, zoals de stad in militair jargon werd aangeduid, voor het merendeel Pashtun, leven van de landbouw. Al geniet het officieel stadrechten, Lashkar Gah is weinig meer dan een dorp. Kabul voelde hier letterlijk en figuurlijk ver weg. Voor een moderne graanschuur lagen stapels meelzakken bedrukt met ‘US AID. From the American People.’

De lay-out, met brede lanen op een rechthoekig raster deed modern aan, anders dan de organische structuur van de meeste Afghaanse steden. Westerse ingenieurs waren verantwoordelijk geweest voor de stadsplanning. In de jaren zestig huisde er in Lashkar Gah een gemeenschap van Amerikaanse ingenieurs en landbouwdeskundigen in dienst van een grootschalig ontwikkelingsproject, het Helmand Vallei Project. Afghanistan had Amerikaanse dollars verdiend met de export van schapenhuiden. Koning Zahir Shah besloot dat geld te investeren in een dam in de grootste rivier van Afghanistan, de Helmand, om zijn land te moderniseren en een economische impuls te geven. Hij contracteerde Morrison-Knudsen, het Amerikaanse ingenieursbureau dat de Hooverdam had gebouwd, om deze visie te realiseren. Er werd een netwerk van irrigatiekanalen aangelegd om de droge landbouwgronden te bevloeien. In ‘Klein Amerika’, zoals de stad toen werd genoemd, woonden de Amerikaanse families in beschutte enclaves, met scholen en zwembaden, moderne oases, een replica van het leven in suburbia in de VS.

Ik verbleef bij het PRT binnen de Britse militaire basis Lashkar Gah, in een van de vele wooncontainers die het uitgestrekte legerkamp telde. Dit hok, met airconditioning, Wifi, warme douche en satelliet-TV, was beslist comfortabeler dan mijn eigen huis in Kabul.

US AID was de grootste geldschieter van ontwikkelingsprojecten in Helmand. Ze trokken vooral veel geld uit voor het verlenen van ondersteuning aan de landbouw om boeren in de provincie over te halen om van papaver over te gaan op legale gewassen. Haar contractors waren gehuisvest in hetzelfde soort zwaarbewaakte compounds als ik in Kabul en andere steden had bezocht. Ze konden daarom veel Afghanen in dienst nemen. Hoe gevaarlijk werken aan de frontlinie kon zijn voor hulpverleners bleek in 2005. Bij een directe aanval op het kantoor van een van deze hulporganisaties kwam een aantal lokale werknemers om het leven. Nog eens vijf medewerkers van het project werden vermoord door de Taliban tijdens het inspecteren van irrigatiekanalen. Enkele dagen later werd een groep familieleden op weg naar Kabul voor de begrafenis ook het slachtoffer van de moslimextremisten. Het project staakte toen om veiligheidsredenen de werkzaamheden.

US AIDs Britse tegenhanger DFID, een ontwikkelingsorganisatie met ministeriële status, stationeerde haar ontwikkelingswerkers en consultants uit veiligheidsoverwegingen op het PRT en de andere militaire legerkampen in de provincie. In Lashkar Gah werden ze ondersteund door één Afghaanse vertaler. Ik ontmoette een van de vertegenwoordigers van DFID, die op het PRT woonde. Zijn regime was zes weken op, twee weken af. Ik vroeg hem of het niet meer zin zou hebben om meer lokaal personeel aan te nemen. Hij begreep mijn vraag verkeerd: ‘We hebben hier al minder expats in dienst dan waar ook ter wereld, omdat de kosten per jaar per expat, inclusief onderkomen in het PRT en bewaking, zo hoog zijn.’ Hij schatte dat het jaarlijks om een half miljoen per persoon zou gaan.