Voedselhulp voor weduwen

Onder het draconische bewind van de Taliban, die vrouwen verbood om buitenshuis te werken, begon de huporganisatie CARE International met het verstrekken van voedselhulp aan weduwen. Vijf jaar na de val van het regime doet de organisatie dat nog steeds, op meerdere punten in Kabul, aan ruim 7.000 gezinnen, waarvan de vader veelal is omgekomen in de burgeroorlog.

Deze vrouwen zijn nog steeds aangewezen zijn op voedselhulp, omdat er geen werk is, omdat de kosten van het levensonderhoud omhoog zijn gegaan of omdat er in de koude winter extra gestookt moet worden. De familie van hun overleden man wil niet dat ze de familie ten schande maken door te werken of door te bedelen om voedsel, terwijl ze zelf niet altijd bereid zijn om de zorg van de weduwe en haar kinderen op zich te nemen.

DSC_0027     DSC_0139 Girl DSC_0032 DSC_0036 DSC_0081

Cartoonrellen

In februari besloot de Nederlandse regering met steun van de oppositiepartijen tot de uitzending van Nederlandse militairen naar Uruzgan. Ik was die week in Nederland om een conferentie over Afghanistan bij te wonen en volgde het Kamerdebat op de televisie. Ik vond het belangrijk dat er een ‘ja’ kwam.

Net in die week publiceerde een Deense krant spotprenten van de profeet Mohammed. Een golf van protest verspreidde zich over de Arabische wereld; binnen de Islam is het verboden Mohammed af te beelden. Ook in Afghanistan braken rellen uit. Het was lastig om op afstand een goede indruk te krijgen van de situatie. Daarom reisde ik zo snel mogelijk terug naar Kabul. Dat zou je net zien. Maandenlang gebeurde er niets. Was er daar wat gaande, was ik er niet.

Op weg van het vliegveld naar huis zag ik dat tanks de verkeerspleinen en belangrijkste wegen in het centrum van Kabul bewaakten. Ik belde mijn contactpersoon bij het Amerikaanse leger, de kolonel, om me bij te praten.  Een dag eerder keek hij toe hoe de Afghaanse Nationale Politie op de Amerikaanse legerbasis in Bagram het vuur opende op een stenen gooiende menigte die de basis wilde bestormen.

‘De Afghaanse politie heeft het goed gedaan,’ vertelde hij. ‘Wij hebben niet hoeven ingrijpen. Op een bepaald moment raakten ze door hun kogels heen, die hebben wij ze toen verstrekt.’ Er kwamen zes mensen om. Hij verzuchtte: ‘Nadat we die lijken hadden verbrand, was de protesten niet zo erg. Toen we de koran door de wc hadden gespoeld in Guantánamo was het erger. Wanneer is iemand anders eens het mikpunt van de demonstraties!’

‘Dat hebben jullie aan jezelf te danken. Jullie denken te kunnen bepalen wie de good guys en wie de bad guys zijn. Jullie trappen deuren in en zijn dan verbaasd dat mensen verontwaardigd reageren.’ Ik verbaasde me vaak over de arrogantie van Amerikanen.

‘Wij trappen geen deuren in!’

‘Jij niet persoonlijk. Ik ben niet zo zeker van de 16,000 anderen!’

‘Wat doen jullie dan straks, daar in Uruzgan?’

‘Wij nemen een zak geld mee,’ grijnsde ik. ‘Dat is de Dutch Approach.’

‘Hoeveel geld precies? Hoeveel denk je dat genoeg zal zijn om de Afghanen tevreden te stellen?’

‘Waarom denk jij dat mensen het zo hoog opnemen?’ keerde ik terug naar het oorspronkelijke onderwerp van gesprek. Dit was de vraag die iedereen bezighield.

‘Het is die verrekte Arabische mentaliteit. Het zijn opgewonden standjes.’

‘Afghanen zijn geen Arabieren. Het zijn Perzen.’

Daar haalde hij zijn schouders over op: ‘Om het even. De winter is voorbij. The bad guys are coming out. Het lenteoffensief begint.’

De volgende morgen ging ik met een kennis die voor een bewakingsbedrijf werkte de stad verkennen. Hij plaatste een kogelvrij vest tegen het portier aan mijn kant. Het was griezelig rustig in de straten van Kabul, waar normaal gesproken auto’s bumper aan bumper stonden. Helikopters cirkelden in de lucht. ANA en ANP hielden patrouilles. De stad was in opperste paraatheid. Het leek wel oorlogsgebied. Verkeer werd tot het strikt essentiële beperkt.

Een Nederlands opinieprogramma op tv vroeg me om telefonisch in de uitzending de gebeurtenissen van commentaar te voorzien. Er was geen Nederlandse journalist in Kabul. De gastvrouw wilde ook mijn mening weten over de aanstaande missie. Veel militairen zouden overwegen ontslag te nemen wanneer ze naar Uruzgan moeten. Zonder aarzelen antwoordde ik dat er weliswaar gevaren aan de missie kleefden, maar dat er zonder stabiliteit van wederopbouw geen sprake kon zijn. Ik was voor de interventie.

Ook de volgende dag bleef het relatief rustig in Kabul. In de loop van de middag vond er een kleine demonstratie plaats bij de Deense ambassade in Wazir Akbar Khan, die ordelijk verliep. In de rest van het land was de situatie nog steeds explosief. Mullah Dadullah, een prominente leider van de Taliban, zette 100 kilo goud op het hoofd van de tekenaar van de Deense spotprenten. Vijf kilo goud was de beloning voor het ombrengen van een Deense, Noorse of Duitse militair. Vrijdag was Ashura, de tiende dag van Moharram, waarop Sji’ieten rouwen om de dood van Imam Hussain. President Karzai hield tijdens een ceremonie in de Chandawalmoskee een toespraak waarin hij zijn landgenoten opriep om tolerant te zijn en gezamenlijk te strijden tegen gezagsondermijnende elementen.

Na de hele week opgesloten te hebben gezeten in huis besloten we op vrijdag tot een excursie. Vrienden van huisgenoot Roger werkten voor The Halo Trust, een organisatie die mijnen opruimde. Ze stelden voor het Bala Hissar, het grote fort, te bezoeken. Dit viel onder het beheer van het Afghaanse Nationale Leger en was bezaaid met landmijnen. Verboden terrein voor het publiek. We reden met twee 4WD’s naar de andere kant van de stad. Het was doodstil op straat.

‘We zijn van Halo Trust. We moeten de site inspecteren,’ baste Roger tegen twee militairen aan de poort van het fort. Onze chauffeur vertaalde het droog in het Dari. De soldaten haalden er een officier met pilotenzonnebril en spiegelende glazen bij. Zijn grote snor knikte minzaam, toen hij het bevel aanhoorde. De slagboom ging tergend langzaam omhoog. Roger spoorde de chauffeur vrolijk aan zo snel mogelijk door te rijden. ‘Voor ze van gedachten veranderen!’ Bergen steen gaven de contouren aan van de fundamenten van muren en torens van het eens zo roemruchte bouwwerk dat al dienst deed in de tijd van koning Babur.

Ik had een boek van Roger geleend over de Great Game, het politieke machtsspel tussen Rusland en Engeland om invloed in centraal-Azië in de negentiende eeuw. Afghanistan werd daarvan het slachtoffer, omdat de Britten bang waren dat de Russen de parel in hun kroon, India, vanuit het centraal Aziatische land zouden kunnen binnenvallen. ‘Vind je de paralellen met de huidige situatie niet griezelig? Afghanen hebben zich altijd verzet tegen buitenlandse overheersers.’ Roger knikte: ‘We zijn hier altijd een haarbreedte verwijderd van een volgende opstand of oorlog.’

In 1840 hielpen de Britten een vriendelijk gezinde vorst op de troon in Kabul. Britse en Indische troepen werden in de stad gestationeerd om Sjah Shuja bij te staan in de strijd tegen rivaliserende stammen en troonpretendenten. De buitenlanders amuseerden zich kostelijk met cricketwedstrijden, concerten en schaatsen. Ze dronken alcohol en hadden omgang met Afghaanse vrouwen, tot afkeer van de Islamitische autoriteiten en strenggelovige bevolking. Deze ging gebukt onder verhoogde prijzen voor voedsel in de bazaar, opgedreven door de aanwezigheid van de troepen, en zware belastingen die de nieuwe administratie en de Sjahs luxe levensstijl moesten bekostigen. Elke opstand tegen de nieuwe koning werd hardhandig afgestraft. Onvrede broeide onder de bevolking.

Sjah Shuja had zijn intrek genomen in het ommuurde fort, het Bala Hissar, met zijn troepen en huishoudelijke staf, zodat het Britse garnizoen in open terrein kamp had moeten opslaan. Een menigte bestormde de barakken waarin de Britse officiers gehuisvest waren. Sjah Shuja deed nog halfslachtige pogingen om zijn bondgenoten te hulp te schieten, maar kon niet voorkomen dat legerofficier Alexander Burnes aan het mes werd geregen. Gezant William MacNaghten werd later doodgeschoten tijdens vredesonderhandelingen.

Midden in de winter blies het Britse leger de aftocht. Een kolonne van 16,000 man, soldaten en burgers, ging op weg naar het Britse kamp in Jalalabad. Slechts één man, de legerarts, zou daar een week later aankomen. De overigen kwamen in de besneeuwde bergpassen om het leven. Degenen die de aanvallen van Afghaanse strijders overleefden vroren dood van de kou. Het was de grootste nederlaag ooit geleden door het koloniale Britse leger. Zonder buitenlandse militaire steun overleefde het regentschap van Shah Shuja niet lang. Hij werd een jaar later vermoord.

Terwijl we over de kale vlakte wandelden naar de hogere plateaus van het fort keek Roger naar mij: ‘Heb je al gelezen over de tweede Anglo-Afghaanse oorlog?’ Ik schudde van nee, zo ver ben ik nog niet gekomen.

Veertig jaar later kwam het wederom tot een confrontatie. De Britse missie, onder leiding van Sir Louis Cavagnari, waande zich veilig in de nieuwe residentie binnen de muren van het grote fort. Bij een opstand werden hij en zijn staf vermoord. De burgemeester van Kabul zou het afgehouwen hoofd van de Britse resident triomfantelijk door de stad hebben gedragen. De Britten stuurden een troepenmacht uit India om de stad in te nemen. De oproerkraaiers zagen het daglicht voor het laatst vanaf de galg in Bala Hissar. Een deel van het handelscentrum van de stad werd met de grond gelijk gemaakt. Het fort werd opgeblazen. ‘Nu ziet het er zo uit.‘ Hij gebaarde om zich heen. Zijn betovergrootvader was generaal in het Britse koloniale leger.

Op het hoogste punt van het fort stond een houten huisje waarin de twee soldaten woonden die het fort bewaakten. Een van hen, in donkergroen uniform, zat buiten op een metalen bed, met uitzicht over de stad. Hij stopte een muziektape in een cassetterecorder en draaide aan de knoppen van het apparaat tot er krakerige muziek uitkwam. Zijn collega wandelde een stukje met ons mee langs de buitenmuren van het fort. ‘Niet van het pad gaan,’ waarschuwde hij. Het pad van platgetrapt gras was gebaand door hem en zijn maat. Aan de overzijde van een natuurlijke kloof, waar een weg doorheen liep, was een stuk van de oude stadsmuur te zien. Vanaf deze hoogte leek de stad op een verzameling doosjes uitgestrooid over de glooiende uitlopers van de Hindu Kush. Aan de horizon gloorden haar toppen nog steeds bedekt met sneeuw. Dit was een van de momenten waarop ik mezelf moest knijpen om te zien of ik wel wakker was.

Roger stond wijdbeens, met de handen diep in de zakken van zijn fleecejack, aan de rand van de afgrond uit te kijken over de lagergelegen bebouwing. Zijn wangen waren rood van de frisse wind. ‘Vele jaren later zullen we ons dit moment herinneren, dat we hier waren, toen er nog niemand anders was, om dit land te helpen om eigen benen te staan,’ riep hij me melodramatisch toe. Hij stak beide handen triomfantelijk in de lucht. Ik grijnsde om het overmoedige gebaar.

Verroeste tanks en lege hulzen uit een recent verleden getuigden van een meer recente oorlog. John van The Halo Trust inspecteerde drie enorme hulzen die uit een zandberg staken. ’Russisch,’ constateerde hij. Kijkend naar de munitie zei Roger: ‘Afghanistan heet niets voor niets het kerkhof van koninkrijken.’

Karzai’s beroep op de vergevingsgezindheid van zijn landgenoten viel lang niet bij iedereen in goede aarde. Parlementslid Sayyaf noemde de Deense cartoons een misdaad en riep zijn landgenoten op tot een krachtige reactie: ‘Om te voorkomen dat in de toekomst iemand ooit weer iets dergelijks doet.’ Hij was van mening dat de Veiligheidsraad van de VN Denemarken en alle andere landen die de cartoons publiceerden streng zou moeten veroordelen. In het Afghaanse parlement werd een resolutie besproken om de Deense uitgever voor het gerecht te brengen: ‘We vragen de Islamitische Republiek van Afghanistan om een diepe haat uit te spreken voor Denemarken.’ Uit de lokale media maakte ik op dat deze mening gedeeld werd door veel Afghanen.

Een dag later ging ik op bezoek bij de Nederlandse generaal Willemse in het hoofdkwartier van ISAF. Hij had een spannende week achter de rug. Tijdens een demonstratie werd het Noorse kamp in Maymana, hoofdstad van de noordelijke Faryab-provincie, belegerd. De Noren vroegen het ISAF-hoofdkwartier in Kabul om luchtsteun. Willemse was als plaatsvervangend commandant nauw betrokken bij de besluitvorming over de aard van de luchtsteun. Een Nederlandse F-16 loste, toen laag overvliegen geen effect had, enkele waarschuwingsschoten om de menigte uiteen te jagen. Willemse vertelde hoe het tot die beslissing kwam: ‘De commandant van ISAF en ik stonden voor de keuze. Moeten we onze toevlucht nemen tot geweld om het kamp te beschermen? Besluiten we om te agressief in te grijpen, dan kan de situatie escaleren. Doen we niets, dan loopt het kamp misschien schade op. Het was een moeilijke beslissing. Ik was nog niet eerder in een dergelijke situatie geweest.’

De generaal dacht dat de demonstraties niet alleen tegen de cartoons of tegen het westen gericht waren: ‘Bij de demonstratie in Maymana kon je merken dat er een organisatie achter zat, die heeft mogelijk de Afghaanse overheid in diskrediet wil brengen, om aan te tonen dat de Afghaanse overheid de touwtjes niet in handen heeft. Het is waarschijnlijk ook een stukje onvrede bij de bevolking, die niet alle vooruitgang en ontwikkeling ziet die ze had verwacht.’

Gerustgesteld door de bewering van de generaal dat het rustig was, waagde ik me zondag voor het eerst weer op straat. Ik wandelde vanaf mijn huis door Shar-e Now, langs het park en door Chicken Street naar het Mustafa Hotel. De sfeer op straat was gespannen. Afghaanse voorbijgangers keken naar me alsof ik er beter niet zou kunnen zijn. Bij aankomst in het hotel trof ik iedereen in de bar aan. Er werd door de buitenlanders luid gediscussieerd over de gebeurtenissen van de afgelopen week. Iedereen was het erover eens: wat de westerse media ook fout gedaan mag hebben, de reactie van extreme moslims om er gewoon op los te slaan was buiten elke proportie. Wais en Haroon hielden zich afzijdig van de discussie.

‘Wat vinden jullie ervan?’ richtte ik me tot hen. ‘Waar komt die woede vandaan?’ Haroon was zeker van zijn zaak. ‘Je mag Mohammed geen gezicht geven. Dat is heiligschennis!’ Zijn hese stem sloeg over.

‘Om dan te gaan moorden!’ riep ik uit.

Haroon deed gekrenkt het zwijgen toe na mijn uitroep. Wais kneep bedachtzaam de ogen ietsjes toe en trok een mondhoek op: ‘De meute wordt gemanipuleerd. Waarom worden nu pas die cartoons bekend gemaakt? Denk je dat die analfabeten toegang hebben tot Deense kranten en tijdschriften?’ Op mijn vraag wie daar achter zat, wierp hij samenzweerderig een blik op de Amerikanen die aan de bar hingen. ‘Daar hebben we het een andere keer over.’

Zonder nadenken merkte ik op dat de sfeer op straat nog steeds gespannen was. ‘Ben je komen lopen? Ben je helemaal gek geworden! Je weet toch dat er gewaarschuwd wordt voor ontvoeringen! Er zijn gisteren twee Nepalese gurka’s ontvoerd in Shar-e-Now. Vandaag zijn twee Filippino’s van straat gehaald! Weet je wel wat ze doen zodra ze een ongelovige te pakken krijgen? Eerst slaan ze je verrot, dan verkrachten ze je. Dan snijden ze je met veel plezier de kop af.’

Het bleef rustig in Kabul. Ook in de rest van het land verstomden de protesten. De cartoon-rellen kostten dertien mensen het leven.