Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban

Voor ons bezoek aan de Helmand Business Association had het bewakingsteam een konvooi, bestaande uit een gepantserde terreinwagen met chauffeur en een 4WD met bewapende bewakers, ons personal detail, geregeld. Kogelvrije vesten en helm verplicht voor de rit. Het bewakingsteam verkende het gebouw voordat ze ons toestemming gaven uit de auto te stappen. Pas binnen het kantoor van de vereniging, een slecht onderhouden, twee verdiepingen hoog gebouw met tamelijk afgetrapte tapijten en afgebladderde muren, mocht het scherfvest uit. We ontmoetten het bestuur, bebaarde Pashtuns, in shalwaar kameez, grijze zijden turban op het hoofd, de slip over de schouder gedrapeerd, de traditionele zuidelijke klederdracht. Na de kennismaking gingen we zitten op de werkkamer van de voorzitter, Haji Ali Ahmad, die zelf plaatsnam achter een groot bureau. Het verschil met andere provincies waar ik keuterboertjes tegenkwam was opmerkelijk. Dit waren zelfbewuste zakenmensen.

‘De meeste van ons hebben een constructiebedrijf,’ zo legde de voorzitter uit. ‘We leggen wegen aan en leveren brandstof, arbeiders en andere logistieke diensten aan het PRT.’ Al spraken ze nauwelijks Engels en hadden ze niet veel meer opleiding dan basisschool, ze deden groot zaken. De organisatie was nog ambitieus ook: ‘We willen de naam veranderen in National Investment Organisation,’ om landelijk interesse te genereren. Daar stak het kantoor toch wat sjofeltjes bij af.

Mijn twee Afghaanse medewerkers hadden uit veiligheidsoverwegingen geen gebruik mogen maken van de diplomatieke luchtverbinding; zij waren met de commerciële Afghaanse luchtvaartmaatschappij Pamir Air naar Lashkar Gah gevlogen. Ze logeerden ook niet in het militaire kamp, maar in het lokale Bost Hotel. Normaal gekleed in T-shirt of overhemd met spijkerbroek, arriveerden ze op het kantoor van de vereniging in shalwaar kameez en met een stoppelbaardje. Ik zag ze daar pas voor het eerst. Ze mochten niet op het PRT zonder antecedentenonderzoek. Afghanen kregen alleen toegang tot het militaire kamp na verificatie van de identiteit met een retinascan en vingerafdrukken. De dure doos chocolade die ze hadden meegenomen als relatiegeschenk viel in goede aarde bij de voorzitter.

‘De veiligheid is enorm verbeterd in het laatste jaar,’ zo meenden de ondernemers. Daarom was er veel animo voor het industrieterrein: ‘Een van de grootste obstakels voor de lokale economie was het gebrek aan land voor industriële activiteiten.’ De gemeente verbood bedrijven om binnen de stadsgrenzen een fabriek te beginnen; het platteland was onveilig. Ze klaagden over de inefficiëntie en ineffectiviteit van de overheid. Gemeenteambtenaars vroegen openlijk om smeergeld. De burgemeester van Lashkar Gah zou een huis ter waarde van honderdduizenden dollars bezitten, terwijl zijn salaris slechts 200 US$ per maand bedroeg. De zakenmannen geloofden niet dat de overheid deze keer werkelijk iets voor hen zou doen. Buitenlanders hadden in het verleden gedane beloftes ook niet kunnen waarmaken. De ondernemers wilden de grond op het industrieterrein dan ook het liefst kopen. ‘We vertrouwen de regering niet,’ zo zei een van hen. Het land in Helmand behoorde toe aan de Afghaanse regering; beslissingen over wie welk stuk perceel kreeg toegewezen werden in Kabul genomen. ‘Straks hebben we geïnvesteerd in gebouwen en zegt de regering ons leasecontract op! Een nieuw regime kan de voorwaarden veranderen. Dat zou niet voor het eerst zijn.’ De Britse projectleider lichtte toe dat de Afghaanse regering wilde voorkomen dat de ondernemers met de grond zouden gaan speculeren wanneer ze die in eigendom hadden, of er een flatgebouw op zouden zetten in plaats van een fabriek.

Elektriciteit was een ander groot probleem. Haji Ali Ahmad legde uit: ‘De stroom van de waterkrachtcentrale is onbetrouwbaar. De verbinding naar de stad is van slechte kwaliteit.’ De Taliban saboteerde de toevoer van elektriciteit door de stroomkabels met regelmatmaat door te snijden. Helmand kreeg haar elektriciteit van de Kajaki hydro-elektrische krachtcentrale gelegen in het bergachtige noorden van de provincie. In 1953 hadden Amerikaanse ingenieurs de reusachtige betonnen dam in de Helmandrivier gebouwd. Hierdoor konden de lager gelegen landbouwgronden via een netwerk aan irrigatiekanalen van water worden voorzien. Het grootste ontwikkelingsproject in de geschiedenis van Afghanistan had de provincie moeten veranderen in een groene oase van vruchtbaar akkerland waar honderdduizenden nomaden zich hadden kunnen vestigen op voorheen droge woestijngrond. Het kostbare project mislukte omdat grote delen van de nieuwe landbouwgronden verziltten. Op de nieuw verworven gronden ging de bevolking papaver verbouwen. Het had een positieve impuls moeten geven aan de VS-Afghaanse diplomatieke relatie, ‘maar het project droeg zo weinig bij aan de economische ontwikkeling van het land, dat het Afghanistan uiteindelijk in de armen van de Russen dreef’, aldus de huidige Afghaanse Minister van Financiën Omar Zakhilwal in een commentaar destijds.

Na de krachtcentrale in 2001 te hebben platgebombardeerd, had het Amerikaanse leger de twee turbines, met een gezamenlijke capaciteit van 33MW, weer gerepareerd. Dat bleek bij lange na niet voldoende om in de toenemende vraag naar stroom in de zuidelijke provincies te voorzien. Het grootste deel van de opgewekte elektriciteit werd door de nabijgelegen zuidelijke hoofdstad Kandahar afgeroomd. Voor Lashkar Gah bleef er weinig over. De Amerikanen spaarden kosten nog moeite om de capaciteit van de krachtcentrale uit te breiden. Bij de verdediging van de ingenieurs en arbeiders tegen aanvallen van terroristen vielen tientallen doden. Toen de onderdelen van een derde turbine eindelijk werden afgeleverd op locatie, onder bescherming van 2,000 Britse soldaten, was geen bouwbedrijf bereid in die onveilige omgeving een betonvloer te storten. Nadat een Chinees bedrijf was ingehuurd voor die taak, voorkwam de Taliban de aflevering van de zakken cement.

De ondernemers uit Helmand zaten vol goede ideeën. Een aantal was van plan een fabriek voor de verwerking van ruw katoen op te starten. Voor de oorlog was katoen de belangrijkste cash crop in de provincie. Met de hulp van de Britse overheid was in de jaren zestig een katoenfabriek gebouwd. Katoen werd uitgevoerd naar Duitsland, China en Japan. De socialistische regering verstrekte zaden en kunstmest aan de boeren en kocht de oogst in voor de fabriek tegen een in Kabul bepaalde prijs. Ze verbood privé-initiatieven. Tot voor kort bleef dit monopolie gehandhaafd. De lokale overheid trad zelfs actief op door illegale fabriekjes te overvallen. De Bost Katoenfabriek echter maakte jaarlijks een paar miljoen verlies, een tekort dat door de staat moest worden aangevuld. In een jaar van de overstromingen kwamen Pakistaanse handelaars naar Helmand om ruw katoen in te kopen voor de textielindustrie in eigen land. Dat wekte de interesse van de plaatselijke ondernemers. Het Afghaanse Ministerie van Landbouw had geen beleid om de katoenteelt op industriële schaal te stimuleren. Zij liet het aan het bedrijfsleven over om zakelijke kansen te benutten. De markt werd opengesteld voor de private sector. Haji Ali Ahmad had al machines aangeschaft, in afwachting van de toekenning van een perceel op het industrieterrein. Hij zei: ‘Wanneer er een commerciële katoenfabriek zou zijn, dan zouden boeren katoen verbouwen in plaats van papaver.’

Enkele ondernemers wilden graanmolens bouwen. Afghanistan produceerde niet voldoende tarwe om te voorzien in de behoefte van de ruim 30 miljoen inwoners, voor wie brood een basisbehoefte is. Jaarlijks werden duizenden tonnen graan en meel uit Kazakhstan en Pakistan geïmporteerd. In Helmand werd een overschot geproduceerd. Op het platteland stonden honderden kleine molens, aangedreven door dieselgeneratoren, tarwe te vermalen tot meel voor eigen gebruik. Er was echter geen graanfabriek; overschotten werden naar Kandahar en Ghazni gezonden voor verwerking. Meel moest worden ingekocht. Haji Nisar, een lid van de vereniging, dacht dat de belangrijkste reden voor de onveiligheid in de provincie was dat er geen markten en banen waren. ‘Wanneer er een molen wordt gebouwd, die lokaal graan koopt van de boeren tegen een eerlijke prijs, dan zouden minder mensen papaver telen.’ Hij ging zelfs nog verder: ‘Wanneer de silo jonge werkeloze mannen in dienst neemt, dan treden die niet toe tot de gelederen van de Taliban.’

De ondernemers wilden onze hulp bij het opstellen van ondernemingsplannen. Er was geen behoefte aan subsidies of leningen, wat vaak wel het geval was in andere provincies. ‘Geld hebben we genoeg,’ zo zeiden ze.

Mijn Afghaanse werknemers spraken in de loop van de week met individuele ondernemers om de behoefte aan ondersteuning nader in kaart te brengen. Via een lokale makelaar kwamen ze in contact met een huiseigenaar waar ze een kantoor van huurden. Ze namen sollicitatiegesprekken af voor bewakers en ander ondersteunend personeel. Ik was tevreden met de geboekte resultaten. Zelf mocht ik de stad niet in. Er waren niet voldoende gepantserde voertuigen beschikbaar en ik mocht vanwege het veiligheidsprotocol niet buiten de poort van het PRT zonder personal detail. Zo kon ik de plek van het industrieterrein niet verkennen. Een bezoek aan de katoenfabriek werd niet veilig geacht. Wel bezichtigden we een marmerfabriek. Daarom deed ik de ronde op de PRT en sprak met de vertegenwoordigers van het Amerikaanse Ministerie van Landbouw en diverse militaire onderdelen. Er leek weinig coördinatie en communicatie te zijn tussen al die organisaties die in hetzelfde kamp verbleven.

Op donderdagavond gingen mijn medewerkers in de geest van de Afghaanse gastvrijheid eten bij een van de zakenmensen. Ze kregen een overdadig diner aangeboden, met lamskebab, rijst, salades en vers fruit toe, vanzelfsprekend zonder alcohol. De gastheer gaf een rondleiding door zijn bedrijf. In een van de kamers op het kantoor lagen balen Amerikaanse dollars. ‘Opgestapeld tot aan het plafond,’ vertelde de programmamanager me later vol ontzag. ‘Net een bankkluis!’ Er bestond bij hem weinig twijfel over waar het geld vandaan kwam. Opium. Tegen hen gaf de gastheer ook toe, iets wat hij in het bijzijn van buitenlanders niet zou doen, dat hij contacten had met de Taliban. Dan vielen ze hem niet lastig, was de redenering. ‘Iedereen die zaken doet in Helmand heeft contact met de Taliban.’ Na het eten kwamen de Afghanen terug in het Bost Hotel, waar de stroom was uitgevallen. Ze moesten op de tast hun kamer vinden.

Ik at met de Britse collega’s in een enorme legertent met planken vloeren, waar drie keer per dag eten werd geserveerd voor de duizenden, grotendeels Britse, militairen die in het kamp verbleven. Er stond fish en chips, spaghetti bolognaise, biefstuk, salades en toetjes op het menu. Het legerkamp beschikte over een gymzaal, café en filmzaal voor de vrijetijdbesteding. Een zogenaamde PX-winkel verkocht toiletartikelen, chips, dvd’s, iPods, iPads en vrijetijdskleding van North Face en Timberland. Daarna bezochten we de bar, die volliep met hulpverleners en militairen in vrijetijdskleding. Alcohol was hier spotgoedkoop in vergelijking met de bars en restaurants in Kabul, want het was hier in ruime mate aanwezig, terwijl in de hoofdstad schaarste heerste. Toen ik tegen middernacht in de scherpe avondlucht naar mijn verwarmde wooncontainer wandelde, baadde het militaire terrein in het licht van felle schijnwerpers. Ik was in een goede stemming. De week was goed verlopen.

Op vrijdag rond het middaguur wachtte ik in het PRT ruim een uur in scherfvest, in een auto met draaiende motor, op het vertreksignaal. De bewakers stonden in verbinding met de piloten van het ambassadevliegtuig, zodat ze de aankomst van passagiers konden coördineren met dat van het vliegtuig. Te lang op de landingsbaan staan vormde een risico. We maakten een tussenlanding op het vliegveld van Camp Bastion om  hoogwaardigheidsbekleders op te halen. Het zou gaan om de Britse Minister van Buitenlandse Zaken David Miliband, die in de ochtend onverwacht een bliksembezoek had gebracht aan de Engelse troepen op het PRT in Lashkar Gah. In de onherbergzame noordwestelijke woestijn van Helmand hadden de Britten een gigantisch legerkamp uit de grond gestampt dat fungeerde als logistiek centrum voor de Britse operaties in de provincie. De immense schaal van de basis was goed te zien toen we er overheen vlogen: er leek geen eind aan te komen. De basis huisvestte troepen van de landmacht, marine en luchtmacht, met al het ondersteunende personeel omstreeks 25,000 mensen. Het omvatte een volledig geoutilleerd modern vliegveld, ziekenhuis en brandweerkazerne. Er waren opslagloodsen, wooncontainers en tenten, kantines, hangars en verbrandingsovens voor afval. De luchthaven faciliteerde het opstijgen en landen van honderden vliegtuigen per dag, met vaste vleugels en draaivleugels, zoals Chinook-helikopters. Apparatuur draaide op dieselgeneratoren; er was 24 uur per dag elektriciteit, daar waar Lashkar Gah nog geen 3 uur per dag stroom kreeg. Amerikaanse ingenieurs bouwden een kamp op het belendende terrein om de influx van mariniers te faciliteren. Camp Bastion was de grootste Engelse legerbasis buiten Groot-Brittannië sinds de tweede wereldoorlog.

We stonden uren stil op de landingsbaan, zonder verwarming, eten en drinken. Ik wilde mijn manager in Kabul telefonisch verwittigen van de vertraging en vertelde zonder nadenken dat ik me in Camp Bastion bevond. Meteen kreeg ik een por in mijn rug van een medereiziger: ‘Dat mag je niet vertellen door de telefoon. Wie weet wie er meeluistert!’ Ik kreeg een kleur. In de zakenwereld luisterde vijanden geen telefoongesprekken af. Eindelijk arriveerden de ‘VIPs’: met de Minister meegereisde leden van de Britse media. De Minister werd vanwege de veiligheid per helikopter vervoerd naar de Britse Ambassade in Kabul.

Met kogelvrij vest aan naar Helmand

Om zes uur op een kille ochtend in januari meldde ik me bij een zwaarbeveiligde zone binnen de diplomatenwijk Wazir Akbar Khan. Toegang tot deze onofficiële Green Zone werd geregeld door een checkpoint met slagboom. Omdat mijn Afghaanse chauffeur met zijn lokale taxi geen vergunning had voor dit gebied, ging ik te voet verder. Bij de Britse Ambassade ontmoette ik het bewakingsteam dat me naar de militaire luchthaven zou brengen. Een goudkleurige, gepantserde 4WD stond voor de poort te wachten. Een bewaker van de ambassade, in kakikleurig fleecejack, een donkerblauw kogelvrij vest met de Britse vlag onder de hals en een kakikleurige cargobroek, overhandigde mij een kogelvrij vest en een helm. Die had ik niet eerder nodig gehad in al die zes jaar dat ik in Afghanistan woonde. Ik leende ze daarom voor deze gelegenheid van hem. We stapten in de auto.

‘Tijdens het vervoer dragen we altijd scherfvest en helm. Ik ben verantwoordelijk voor jullie veiligheid. De chauffeur en ik dragen beiden een wapen. Wanneer we worden aangevallen, moet je mijn instructies opvolgen. Verlaat het voertuig nooit zonder mijn toestemming, ook niet in een noodgeval. Binnen ben je veiliger dan daarbuiten. Mochten de chauffeur en ik beiden zijn uitgeschakeld, dan kan je contact opnemen met de controlekamer via dit apparaat. Het call sign van de auto staat hier. Hier is een EHBO-doos. Prettige reis.’

De briefing van de beveiligingsman tijdens de rit naar de luchthaven, die me op mijn gemak moest stellen, had precies het tegenovergestelde effect. Terwijl ik deze weg naar de luchthaven van Kabul al minstens vijftig keer in een gewone taxi had afgelegd, voelde ik me in dit gepantserde voertuig voor het eerst gespannen. Deze auto’s vormden een doelwit, de zilvergrijze Toyota Corolla’s waarin ik doorgaans door de stad werd gereden niet.

Mijn bedrijf ging een project uitvoeren voor de Britse ontwikkelingsorganisatie DFID in Helmand. Terwijl een Brits ingenieursbureau een industrieterrein aanlegde, zouden wij ondersteuning geven aan lokale bedrijven die daar een fabriek wilden starten. Ik was opgetogen over deze kans om iets te doen voor het bedrijfsleven in deze zuidelijke provincie, waar door de gewapende conflicten van de laatste jaren nog weinig van ontwikkeling terechtgekomen was: fabriekjes opstarten, mensen aan het werk helpen en boeren een afzetmarkt voor hun waar bieden. We kregen het omvangrijke project toegewezen op grond van onze reputatie voor het behalen van resultaat onder moeilijke omstandigheden. De Britten gaven ons veel ruimte, waardoor ik had besloten om Afghanen aan te nemen en op te leiden die na afloop van het project zelfstandig als bedrijfsadviseurs aan de slag zouden kunnen gaan. Dat bestond nog niet in Helmand. Voor de aftrap van dit project vloog ik naar Lashkar Gah, de hoofdstad van Helmand. Daar zou ik verblijven in het Britse militaire kamp bij het Provinciale Reconstructie Team (PRT). Vanwege het strenge veiligheidsprotocol van de Britse organisatie ging de reis met een diplomatiek vliegtuigje. Op KAIA boardde ik het kleine witte propellervliegtuigje met scherfvest en helm.

Direct na het opstijgen ontdeden mijn medepassagiers zich van hun beschermingsmiddelen. Ik deed ook een poging, maar het vest, bestemd voor een man, was te zwaar. Iemand schoot te hulp en tilde het van me af. Door het vliegtuigraampje zag ik een uitgestrekte vlakte, een lappendeken van goudgele vakjes, net een verfomfaaid dambord. Helmand was jarenlang het bolwerk van de Taliban geweest. Al was de beweging ontstaan in de vluchtelingenkampen in Pakistan, en namen ze haar toevlucht na 2001 ook weer tot dat land, de zuidelijke provincies van Afghanistan vormden de geboortegronden van de Taliban. Door de geringe regenval en temperaturen oplopend tot 50 graden Celsius in de zomer lenen de klimatologische omstandigheden zich bij uitstek voor papaver. De opiumteelt floreerde. Afghanistan leverde 90% van de totale hoeveelheid heroïne op de wereldmarkt; Helmand was verantwoordelijk voor de productie van zeker de helft daarvan. Door belasting te heffen op de opiumhandel konden de moslimextremisten hun comeback financieren.

In juli 2006 vond de eerste van een aantal grootschalige militaire operaties plaats om de opmars van de opstandelingen tot stilstand te brengen, Operation Mountain Thrust. In augustus van dat jaar werd de handhaving van de veiligheid overgedragen aan Groot-Brittannië. De Britten hadden, net als Nederland in Uruzgan, een opbouwmissie verwacht. Zelfs met een uitbreiding van hun troepenmacht tot 10,000 konden ze echter niet voorkomen dat de Taliban stevig voet aan de grond kreeg in het uitgestrekte woestijngebied. Een militaire influx volgde in 2009 onder de nieuw gekozen Amerikaanse president Obama: 22,000 Amerikaanse mariniers kwamen de Engelse bondgenoten versterken. Gevechten vonden plaats om districten, dorpen en gehuchten. Al leek het van weinig strategische waarde, Helmand was het toneel van de zwaarste gevechten in de bijna twaalf jaar durende oorlog, die het leven kostten aan honderden coalitiemilitairen. Nog eens honderden verloren één of beide benen door bermbommen en mijnen. Ook de Taliban leed grote verliezen. Het werd district na district uitgejaagd. Wapendepots werden opgerold. Coalitietroepen vernietigden papavervelden. Van wederopbouw was tot dan toe weinig terecht gekomen. Toen ISAF begin 2010 de situatie onder controle achtte, kon het dan eindelijk gaan beginnen. Gouverneur Ghulab Mangal werd beschouwd als een van de meest competente provinciale leiders, een tegenstander van de corrupte regering in Kabul. Onder zijn leiding zou de opiumteelt zijn gedaald en de dienstverlening aan de bevolking verbeterd. Oorspronkelijk niet uit Helmand afkomstig, wat zijn taak bemoeilijkte, overleefde hij meerdere aanslagen. De Britten liepen met hem weg en stelden ruime fondsen ter beschikking aan de bestuurder. DFID, een Britse ontwikkelingsorganisatie met ministeriële status, had nu een ambitieus plan voor de aanleg van een industrieterrein opgesteld om werkgelegenheid te scheppen in de provincie.

Niemand waarschuwde voor de abrupte daling naar Lashkar Gah. Het vliegtuig bleef zo lang mogelijk op grote hoogte om pas in de nabijheid van de eindbestemming een scherpe daling in te zetten. Mijn maag schoot in mijn keel. Ik slikte verwoed om de druk op mijn oren te verminderen en zette me schrap tegen de stoel voor me. Zelfs nadat we geland waren duurde het nog even voor de misselijkheid was weggetrokken. Voor het verlaten van het vliegtuigje volgde ik het voorbeeld van mijn medepassagiers, deed het scherfvest weer om en zette de helm op. De luchthaven bestond uit weinig meer dan een betonnen landingsbaan midden in de woestijn, aan alle kanten afgezet met een kraag prikkeldraad. Er was een klein terminalgebouw voor de vluchtleiding. De aanleg van dit vliegveld, op de plek waar eerder een Russische luchtmachtbasis was geweest, had de Amerikanen 9 miljoen US$ gekost.

De beveiliging had twee gepantserde voertuigen gestuurd om mij en twee medepassagiers op te halen. Engelse bewakers in het uniform van het bewakingsbedrijf, donkerblauwe blouse en kakikleurige cargobroek, leken op Michelinmannetjes, met het kakikleurig kogelvrijvest, een riem rondom volgepropt met reservepatronen, pistool in een holster om het bovenbeen. Ze bevalen ons kortaf in de nabijheid van de terminal te wachten. Die moest ons afschermen voor eventuele scherpschutters. Op enige afstand stonden een paar bewakers met zonnebrillen en machinegeweren in de aanslag de omgeving te scannen.

Zodra de bagage was verzameld klommen we in een goudkleurige, gepantserde terreinwagen waar we weer een briefing kregen. Het konvooi zette zich in beweging. Via de radio stonden de auto’s in verbinding met de controlekamer op de basis. De bijrijder sprak doorlopend met de controlekamer. Hij meldde verdachte bewegingen en voertuigen op de weg en vroeg om advies voor de beste route.

‘Wat is dat gat in de voorruit?’ vroeg ik.

‘Oh,’ zei de bijrijder nonchalant, ‘We zijn laatst een keer beschoten.’

‘Is dat geen gewapend glas dan?’ Hij haalt zijn schouders op. ‘Een raket, geen kogel. Daar doe je niets aan.’

Zonder ook maar een keer te stoppen raasden we op hoge snelheid door het centrum van Lashkar Gah. Het lokale verkeer, kennelijk gewend aan militaire kolonnes, ontweek ons. De hoofdwegen waren voorzien van nieuw asfalt. Ik maakte wat foto’s door het raam. De bebouwing bestond voornamelijk uit traditionele Afghaanse lemen huisjes. Er was bijna niemand op straat, ook al was het rond het middaguur. Geen vrouw te zien. Ik ving een glimp op van een boerka in de achterbak van een tuktuk. Mannen gingen gekleed in shalwaar kameez en longee, niet in spijkerbroek of westers kostuum, zoals ik tegenwoordig in Kabul meer zag. Grote kleurrijke reclameborden riepen de Helmandi’s op een mobiel telefonieabonnement van Roshan of Afghan Wireless aan te schaffen. Laagbouwwinkels met open gevels verkochten graan, katoen, meel en benzine. Rijen handkarren stonden voor een overdekte markt in aanbouw, overladen met verse groente en fruit. De bewoners van Lash, zoals de stad in militair jargon werd aangeduid, voor het merendeel Pashtun, leven van de landbouw. Al geniet het officieel stadrechten, Lashkar Gah is weinig meer dan een dorp. Kabul voelde hier letterlijk en figuurlijk ver weg. Voor een moderne graanschuur lagen stapels meelzakken bedrukt met ‘US AID. From the American People.’

De lay-out, met brede lanen op een rechthoekig raster deed modern aan, anders dan de organische structuur van de meeste Afghaanse steden. Westerse ingenieurs waren verantwoordelijk geweest voor de stadsplanning. In de jaren zestig huisde er in Lashkar Gah een gemeenschap van Amerikaanse ingenieurs en landbouwdeskundigen in dienst van een grootschalig ontwikkelingsproject, het Helmand Vallei Project. Afghanistan had Amerikaanse dollars verdiend met de export van schapenhuiden. Koning Zahir Shah besloot dat geld te investeren in een dam in de grootste rivier van Afghanistan, de Helmand, om zijn land te moderniseren en een economische impuls te geven. Hij contracteerde Morrison-Knudsen, het Amerikaanse ingenieursbureau dat de Hooverdam had gebouwd, om deze visie te realiseren. Er werd een netwerk van irrigatiekanalen aangelegd om de droge landbouwgronden te bevloeien. In ‘Klein Amerika’, zoals de stad toen werd genoemd, woonden de Amerikaanse families in beschutte enclaves, met scholen en zwembaden, moderne oases, een replica van het leven in suburbia in de VS.

Ik verbleef bij het PRT binnen de Britse militaire basis Lashkar Gah, in een van de vele wooncontainers die het uitgestrekte legerkamp telde. Dit hok, met airconditioning, Wifi, warme douche en satelliet-TV, was beslist comfortabeler dan mijn eigen huis in Kabul.

US AID was de grootste geldschieter van ontwikkelingsprojecten in Helmand. Ze trokken vooral veel geld uit voor het verlenen van ondersteuning aan de landbouw om boeren in de provincie over te halen om van papaver over te gaan op legale gewassen. Haar contractors waren gehuisvest in hetzelfde soort zwaarbewaakte compounds als ik in Kabul en andere steden had bezocht. Ze konden daarom veel Afghanen in dienst nemen. Hoe gevaarlijk werken aan de frontlinie kon zijn voor hulpverleners bleek in 2005. Bij een directe aanval op het kantoor van een van deze hulporganisaties kwam een aantal lokale werknemers om het leven. Nog eens vijf medewerkers van het project werden vermoord door de Taliban tijdens het inspecteren van irrigatiekanalen. Enkele dagen later werd een groep familieleden op weg naar Kabul voor de begrafenis ook het slachtoffer van de moslimextremisten. Het project staakte toen om veiligheidsredenen de werkzaamheden.

US AIDs Britse tegenhanger DFID, een ontwikkelingsorganisatie met ministeriële status, stationeerde haar ontwikkelingswerkers en consultants uit veiligheidsoverwegingen op het PRT en de andere militaire legerkampen in de provincie. In Lashkar Gah werden ze ondersteund door één Afghaanse vertaler. Ik ontmoette een van de vertegenwoordigers van DFID, die op het PRT woonde. Zijn regime was zes weken op, twee weken af. Ik vroeg hem of het niet meer zin zou hebben om meer lokaal personeel aan te nemen. Hij begreep mijn vraag verkeerd: ‘We hebben hier al minder expats in dienst dan waar ook ter wereld, omdat de kosten per jaar per expat, inclusief onderkomen in het PRT en bewaking, zo hoog zijn.’ Hij schatte dat het jaarlijks om een half miljoen per persoon zou gaan.

Ze hebben geen cent gestolen!

Dat bepaalde praktijken binnen de Kabul Bank het daglicht niet verdroegen wist ik al jaren. Een kennis die werkte op het ministerie van Financiën had me daar al eens over verteld. De eigenaar van de bank, Sherkhan Farnoud, gebruikte de spaarcentjes van rekeninghouders om in te zetten op professionele pokertoernooien in Las Vegas. Voor mij toch een reden om daar geen rekening te openen. Ik wantrouwde banken in Afghanistan toch al. De Development Bank of Afghanistan, die enige tijd mijn geld beheerde, bleek een witwasoperatie van de Russische maffia. Voor de Centrale Bank daar ingreep had ik mijn rekening gesloten en het saldo geparkeerd bij de beter bekend staande Azizi Bank.

Aanvankelijk had de Kabul Bank de crash van de vastgoedmarkt in Dubai, waar de eigenaars flink in hadden geïnvesteerd, overleefd. Het grootste bankiershuis van Afghanistan was de ruggengraat van de Afghaanse economie. Salarissen van soldaten, ambtenaren, politieagenten en leraren werden via deze financiële instelling betaald. De bank had het vertrouwen gewonnen van de Afghanen, die vroeger hun geld onder de matras bewaarden. Dat vertrouwen liep een behoorlijk deuk op door berichten in de Washington Post over financieel wanbeheer en een eventuele ineenstorting van de bank begin 2010. Lange rijen van spaarders stond voor de kantoren om geld op te nemen. De Centrale Bank had ingegrepen en het management overgenomen. Instorting van de bank was voorkomen met een injectie van meer 800 miljoen US$.

Door de bemiddeling van een klant hoorde ik van Khalilullah Frozi, CEO en aandeelhouder van de Kabul Bank, die officieel de pers niet te woord wilde staan, dat Karzai en zijn broer beiden aandeelhouder waren van de bank. De bankier meende dat Karzai had ingegrepen om te voorkomen dat Frozi teveel macht kreeg.

De zakenwereld had zo zijn eigen kijk op de gebeurtenissen. Op een zaterdagochtend trof ik een drietal zakelijke relaties in het cafe van het Serena Hotel. Het hotel was een oase van rust. Gezeten in de fauteuils met een cappuccino spraken we over het schandaal. Ik vroeg hen naar hun mening over het ingrijpen van de overheid in de Kabul Bank.

De aanklacht omvatte onder andere het verstrekken van ongedekte en persoonlijke leningen aan de eigenaars zelfs om luxueuze villa’s in de Palm Jumeirah in Dubai te kopen. Financiële experts dachten dat het lang zou duren voor de overheid zou weten wie de andere begunstigden waren. In de administratie waren pseudoniemen gebruikt. Het was inmiddels vast komen te staan dat een broer van Karzai en een broer van vicepresident Fahim aandeelhouder waren. Ze hadden aandelen verworven met leningen van de bank, waarvan ze nog geen cent hadden afbetaald. Door de belangrijkste managementposities zelf te bekleden hadden de eigenaars internationale bankwetten geschonden. Veel andere leningen zouden zijn gedaan aan politici en hun familieleden in ruil voor steun tijdens de verkiezingen. Zeker was dat de bank een grote som had bijgedragen aan de herverkiezingscampagne van Karzai. Frozi en Farnoud werden de ‘kingmakers’ genoemd

‘Wat heeft de financiële instelling precies verkeerd gedaan?’ vroegen de zakenlieden zich af. Ze verstrekte leningen aan Afghaanse bedrijven. Ze investeerde in ondernemingen, toen niemand dat deed. Onder meer de rehabilitatie van de cementfabriek, de vliegtuigmaatschappij Pamir Air en het winkelcentrum Gulbahar waren dankzij de financiering van de Kabul Bank gerealiseerd. De zakenmensen verwoordden een gevoel dat ik op dat moment ook had. De Bank gaf bankgaranties af voor Afghaanse bedrijven om internationale contracten binnen te kunnen slepen. De gevolgen van de val van de bank voor de economie zouden desastreus zijn, zo meende het drietal. ‘Nu pakken de Verenigde Arabische Emiraten, de Turken en de Pakistanen de contracten.’ Zaki zei: ‘Om een investering van driehonderd miljoen te bewaken, hebben ze een potentieel van zeshonderd miljard aan economische ontwikkelingen verloren.’

Bij een forensisch onderzoek kwam later vast te staan dat in een variant op het piramideschema leningen waren verstrekt aan lege BV’s en afgelost met nieuwe leningen aan andere bedrijven die ook alleen op papier bestonden. Een speciaal voor dit doel opgerichte accountancyfirma stelde gefingeerde jaarcijfers op voor al deze niet-bestaande ondernemingen.

Nawid, een Afghaanse zakenman die in de Verenigde Staten woonde, zei: ‘Drie dagen geleden hadden spaarders ter waarde van 950 miljoen US$ opgenomen. En nog was de bank niet failliet. Ze hadden de hulp van de Centrale Bank helemaal niet nodig.’ Reshad, al jaren actief in het Afghaanse zakenleven, vervolgde: ‘Ze hadden waarschijnlijk nooit gedacht dat de bank uit zou kunnen betalen. Denk je dat een willekeurige Europese bank in een week tijd 950 miljoen kan uitbetalen?’ Zaki vond: ‘De eigenaars hebben geen cent gestolen! Ze hebben pech gehad met de investeringen in Dubai, maar wie niet? Ze hebben ondanks alles gewoon kunnen uitbetalen. Ze hebben geen cent nodig gehad van de Centrale Bank.’

Een expert concludeerde later dat de bailout van ruim 800 miljoen US$ overbodig was geweest, de bank had voldoende vermogen gehad om de bankrun te weerstaan.

Reshad meende dat de westerse media een cruciale rol hadden gespeeld bij het omvallen van de bank. Het eerste artikel over de wanpraktijken binnen de Kabul Bank was in februari van dat jaar verschenen in de Washington Post. Later had deze krant meerdere stukken geplaatst waarin de gang van zaken binnen de bank uitgebreid uit de doeken werden gedaan. Door al die media-aandacht was er een run op de spaartegoeden gekomen. Hij vervolgde: ‘De Amerikanen wilden problemen creëren voor Karzai, vlak voor de parlementsverkiezingen.’

Toen het wanbeheer publiek werd, had de Centrale Bank de eigenaars van de Kabul Bank eerst een aantal ultimatums gesteld. De bank had een aantal maanden de tijd gekregen om nieuwe managers aan te stellen en de investeringen van de eigenaars met geld van de bank ongedaan te maken. Een dag later was de Amerikaanse generaal Petraeus in het gezelschap van vier afgevaardigden van het Amerikaanse Ministerie van Financiën het hoofdkantoor van de financiële instelling in Shar-e Now binnengestapt, volgens de zakenmensen. Hij zou de eigenaars met Guantánamo hebben bedreigd.

Reshad, die ik al jaren kende, dacht dat er een politiek spelletje werd gespeeld. Hij wist zeker dat Karzai er niet achter zat. De Afghaanse president zou witheet zijn.

Nawid beaamde dat: ‘Karzai mag dan de trekker hebben overgehaald, hij deed dat op basis van de verkeerde informatie.’

Reshad knikte instemmend: ‘Het was een vooropgezet plan van de Amerikanen. Ze hoopten de regering in verlegenheid te brengen. Ze wilden mensen de straat op sturen om te demonsteren tegen Karzai. Ze hoopten dat de mensen massaal anti-Karzai zouden stemmen.’

Nawid verzuchtte: ‘Het plan is volledig mislukt. We hebben weer een pro-Karzai parlement. En de economie ligt nu op zijn gat.’

Het had voor de hand gelegen om de overname van de Kabul Bank door de staat op Karzais conto te scharen. Net toen ik meende enig gevoel te hebben ontwikkeld voor de machtsverhoudingen in Afghanistan, merkte ik dat ik op het verkeerde been stond.

Voor Afghanen werd de Kabul Bank het symbool van de corruptie van de politieke elite en de regering Karzai. De bank werd gedeeltelijk geliquideerd. Een deel maakte een doorstart onder de naam New Kabul Bank. De gouverneur van de Afghanistan Bank kon het land ontvluchten. De eigenaars kwamen er met een milde straf vanaf: ze kregen beiden vijf jaar huisarrest voor verduistering, fraude en het witwassen van geld. Mahmoud Karzai en Haseen Fahim betaalden hun leningen terug en werden gevrijwaard van juridische procedures. Een aantal bankmedewerkers, geen begunstigden van de fraude, werden wel tot celstraf veroordeeld. Het IMF zette de verstrekking van leningen aan Afghanistan stil om het land te dwingen strengere controles te houden bij de bank, maar hervatte het programma onder internationale druk, zonder dat aan deze eisen werd voldaan. Door de villa’s in Dubai te verkopen wist de Afghaanse staat 125 miljoen US$ terug te verdienen. Het grootste gedeelte van het geld was verdwenen.

Achter de schermen

Het duister viel langzaam over Kabul. Mijn chauffeur laveerde de zilveren Toyota Corolla vaardig door het gedrang van taxi’s, personenauto’s en busjes. De geur van kebab dreef voorbij. De kramen met vers fruit en groente stonden nog buiten, al hadden winkels de rolluiken al neergelaten in het centrum van Kabul. De politie had een fuik gemaakt en pikte ons uit de rij wachtende auto’s voor inspectie. Mijn chauffeur draaide het raampje naar beneden. Hij knipte het lampje in de auto aan zodat ze mij konden zien. Ik vermeed bescheiden hun nieuwsgierige ogen. Je gedragen zoals zij denken dat een vrouw zich behoort te gedragen is veruit de beste tactiek in dit soort gevallen. Ze wilden mijn paspoort zien. Ik gaf het aan de chauffeur en liet het verder aan hem over. De agenten konden niet lezen en dachten dat mijn visum was verlopen. Het duurde even voor het misverstand was opgelost.

We waren op weg naar het huis van een Afghaanse relatie waar ik was uitgenodigd voor een barbecue. Hij gaf een etentje bij hem thuis omdat de politie in die week invallen had gedaan bij populaire restaurants. Deze waren tot nadere orde gesloten. De algemene procureur had laten weten dat de verkoop en consumptie van alcohol voortaan verboden was, ook voor buitenlanders.

De auto zette me af voor de poort en wachtte terwijl ik aanbelde. Toen ik werd binnengelaten zag ik een moderne villa, een smakeloos gedrocht, waar Afghanen zo dol op zijn, van buitenaf net een Romeins landhuis, een open gevel met marmeren zuilen en spiegelende ruiten. Ik ontmoette mijn gastheer bij de grote voordeur. We liepen door een hoge en ruime hal met kristallen kroonluchters en marmeren vloeren. Hij ging me voor de wentelrap op naar het dakterras. Hij stelde me voor aan een van de andere gasten.

Mijn gastheer bood me wat te drinken aan; de keus bestond uit een selectie van verboden versnaperingen: Johnny Walker, Absolut Wodka, Gin en Franse wijn. Ik koos voor het laatste en vroeg hem, terwijl hij de kurk uit de fles trok, hoe hij aan de alcohol kwam.

‘Waar denk je dat de in beslag genomen alcohol naar toe gaat? Hier is het!’ Het overige gezelschap lachte. Iemand voegde eraan toe: ‘De politie heeft zich de hele nacht klem gezopen en daarna de in beslag genomen waar aan de restaurants te koop aangeboden.’

Een elegante verschijning, met zilvergrijze baard, gekleed in een muisgrijze shalwaar kameez, kwam me gezelschap houden. Hij stelde zich voor als Dr. Abdul Khaliq Fazal, voormalig minister van Publieke Werken. Ik vroeg hem wat er schuilde achter Karzais recentelijke kritiek op het westen. De Afghaanse president had de dialoog geopend met Pakistan en de door het westen gevreesde regimes in Teheran en Beijing. De lezingen over het hoe en waarom van deze koerswijziging varieerden. Het kon een groeiende drang naar onafhankelijkheid zijn, na aanvankelijk aan de macht te zijn gebracht door de Amerikanen. Of een door de Verenigde Staten georkestreerd theater om de kansen op een overeenkomst met de Taliban te vergroten. Sommige twijfelden aan de emotionele stabiliteit van de Afghaanse president. Dat de Pathaanse leider verslaafd zou zijn aan softdrugs, wat een voormalig VN-topman in Afghanistan beweerde, leek mij gezocht.

Karzai had gezegd dat hij de Taliban als broers beschouwde, dat hij zelf toe zou kunnen treden tot hun gelederen. Op basis daarvan vermoedden experts een toenaderingspoging tot de opstandelingen.

Karzai en een paar leden van zijn kabinet hadden een bezoek aan Islamabad gebracht en gesproken met de Pakistaanse president Asif Zardari en generaal Kayani van de ISI. Zij hoopten een einde te kunnen maken aan de inmenging van Pakistan in het vredesproces in Afghanistan. Deze bijeenkomsten leidden tot niets.

Fazal was adviseur geweest van Karzai tijdens de presidentsverkiezingen van 2004. Hun wegen scheidden toen hij zichzelf kandidaat stelde voor de volgende verkiezingen. De man had geen aanstelling in het nieuwe kabinet aanvaard, hoewel deze hem wel was aangeboden. Hij wilde eerst eens afwachten hoe de nieuwe regering zou functioneren. ‘Het is niet omdat ik twijfel aan de capaciteiten van Karzai,’ voegde hij eraan toe, alsof de gedachte hem ineens overviel. ‘Al zet ik daar tegenwoordig wel mijn vraagtekens bij.’  Toen het zachtjes ging regenen, werden we uitgenodigd naar binnen te gaan voor het diner.

Later op de avond zat ik op een leren sofa in de ruime zitkamer van de villa, met dikke handgeknoopte tapijten op de marmeren vloer. De overige leden van ons gezelschap hadden zich neergezet op het balkon en lurkten aan een waterpijp. Door halfgesloten ogen zou je je in de mondaine wereld van de elite in Damascus of Beirut wanen. Beroepsdiplomaat Assad Omar kwam naast me zitten. Hij was verantwoordelijk voor de Europese relaties op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De voormalige ambassadeur van Afghanistan in Frankrijk bracht het gesprek op politiek. Omar vergeleek de situatie in Afghanistan met Irak: ‘Wij hebben een groot voordeel, dat we al gewend zijn aan een systeem van parlementaire democratie, terwijl Irak lang geregeerd werd door een dictator.’

Later dat jaar zouden parlementsverkiezingen plaatsvinden. Veel leden van de huidige volksvertegenwoordiging hadden nauwelijks enige opleiding toen ze aan hun taak begonnen. Gaandeweg had het parlement wel de slag te pakken gekregen en het Karzai flink lastig gemaakt. Ze hadden het overheidsbudget afgekeurd en kandidaten voor ministersposten afgewezen. Ze hadden hun voet dwars gezet toen Karzai de verkiezingswet naar zijn hand wilde zetten. Het parlement was zelfs even in staking gegaan en had toen geweigerd nog enig wetsvoorstel te tekenen. Omar keurde dat af. ‘Het parlement vaart te veel zijn eigen koers.’ Karzai greep daarom naar een middel om de volksvertegenwoordiging te passeren: hij organiseerde een loya jirga[1] naar traditioneel Afghaans gebruik. De voorbereidingen voor de komende Peace Jirga waren in volle gang.

‘Wat verwacht u daarvan?’ vroeg ik Omar.

‘De jirga heeft drie doelstellingen. Ten eerste, dat men consensus bereikt over de vredesonderhandelingen met de Taliban; ten tweede, dat de huidige regering onder leiding van Karzai geautoriseerd wordt om de onderhandelingen te voeren; ten derde, dat men overeenstemming bereikt over de aard van de concessies die gedaan kunnen worden.’

‘Gaat Karzai de onderhandelingen dan zelf doen?’ vroeg ik. Dat was niet het geval, hij delegeerde deze verantwoordelijkheid naar een Hoge Commissie voor de Vrede. Met het organiseren van een jirga wilde de Afghaanse president het gezag en de geloofwaardigheid die hij door de door fraude getekende verkiezingen was kwijtgeraakt herstellen. Hij moest zich persoonlijk verbinden aan het vredesproces. Of al die doelstellingen bereikt konden worden, dat betwijfelde Omar zeer.

Ik had verwacht dat een afvaardiging van de Taliban deel zou nemen aan deze jirga. Zij bleven volharden in de voorwaarde dat zij pas met de Afghaanse overheid aan de onderhandelingstafel plaats zouden nemen wanneer alle westerse troepen het land hadden verlaten. De influx van Amerikaanse troepen waar de Amerikaanse president Obama een jaar eerder toe had besloten, tegen de zin van Karzai, maakte dat de Taliban de hakken nog verder in het zand zette. Karzai presenteerde op de loya jirga een plan voor een vredesovereenkomst: hij wilde amnestie verlenen aan hervormde militanten en door een economische stimulans hun reintegratie in de Afghaanse maatschappij mogelijk maken. De Taliban reageerde letterlijk met een raketaanval op het jirga-complex. De tactiek had gefaald.

Half september stemden de Afghanen voor een nieuw parlement. Alleen de BBC leek nog optimistisch gestemd dat de Afghanen de mensen konden kiezen die hun toekomst vorm zouden gaan geven. Andere media hadden het debacle van de presidentsverkiezingen van een jaar eerder nog vers in het geheugen en achtten het onwaarschijnlijk dat het er deze keer eerlijk aan toe zou gaan. Zij rapporteerden over deelnemende krijgsheren, vervalste verkiezingsbiljetten, over de gevaren van het campagnevoeren, over het kopen van stemmen, over de moeilijkheden die vrouwelijke kandidaten moeten overwinnen, over het groot aantal kandidaten dat gelieerd was aan de huidige machthebbers. De Verenigde Naties, geldschieter van deze verkiezingen – de Verenigde Staten hadden na de frauduleuze presidentsverkiezingen besloten geen bijdrage te leveren – leken het allemaal wel te geloven: ze stuurden een groot deel van hun personeel het land uit, in plaats van het land in om toe te zien op een eerlijke gang van zaken.

 

Op de dag zelf volgde ik het nieuws op de televisie: het ging over het handhaven van de veiligheid, over welke stemlokalen opengingen en welke niet, over de Afghanen die ondanks alle gevaren in een lange rij stonden te wachten om hun vingerafdruk bij het symbool van hun keuze achter te laten. In de vroege ochtend waren er enkele raketinslagen in de hoofdstad. In het gehele land zouden veertien mensen het leven bij gewelddadigheden gelaten hebben. De volgende dag werden de verkiezingen door de internationale media weer een succes genoemd.

Toen ik in 2005 voor het eerst verkiezingen in Afghanistan had meegemaakt, geloofde ik nog in de jonge Afghaanse democratie. De kiezer kon bepalen wie regeerde. Ik geloofde dat iedereen kans maakte gekozen te worden.  Vijf jaar later wist ik beter: de toekomst van het land werd niet bepaald door verkiezingen. Zo werd politiek in Afghanistan niet bedreven. Dat gebeurde in achterkamertjes.

In de aanloop naar de parlementsverkiezingen hadden drie oppositieleiders elkaar in Duitsland gesproken. Dat waren voormalig vicepresident Ahmad Zia Massoud, generaal Abdul Rashid Dostum en Mohammad Mohaqiq, de laatste nog een van de steunpilaren van Karzai in de verkiezingen van 2009. Deze bijeenkomst zou zijn bijgewoond door enkele leden van het Europese parlement en het Amerikaanse congres. De drie waren overeengekomen om samen te werken. Ze hadden mogelijkheden geopperd om de huidige problemen op te lossen door een opdeling van het land in tweeën, of zelfs in federale deelstaten.

Karzai zelf dankte ooit zijn presidentschap aan een achterkameroverleg. In december 2001 waren een aantal kopstukken in Bonn bijeengekomen om de toekomst van het pas bevrijde Afghanistan te bespreken. Met de Pashtun als grootste etnische minderheid moest de nieuwe interimleider ook van deze stam afkomstig zijn. ‘Welke Pashtun is aanvaardbaar voor jullie?’ werd de vraag voorgelegd aan Yunis Qanuni, leider van de Noordelijke Alliantie, tegenwoordig voorzitter van het Lagerhuis, oppositieleider in het land zonder politieke partijen. ‘Alleen Hamid Karzai’, was diens antwoord. Qanuni zou later zelf kandidaat zijn in de eerste presidentsverkiezingen in 2009 en van Karzai verliezen.

Achter de schermen werd ook druk onderhandeld over een vrede die de toekomstige machtsverhoudingen zou bepalen. Zo had Karzai vlak voor de verkiezingen nogmaals in Islamabad gesproken met de Pakistaanse Eerste Minister Gilani, de legertop en de ISI over vredesonderhandelingen met de Taliban. Ook deze keer wilden de gesprekken niet vlotten en hadden ze niet tot een akkoord geleid. Volgens de Pakistaanse pers wilde Karzai zich ervan verzekeren dat de buurman geen roet in het eten zou gooien bij zijn plan om zijn eigen mensen in het parlement te helpen.

Ondanks het dwarsliggende parlement had Hamid Karzai zijn machtspositie sinds zijn herverkiezing vorig jaar weten te verstevigen. Door de verregaande bevoegdheden die in de grondwet waren toegekend aan de president, kon hij alle overheidsfuncties benoemen. Hij ‘accepteerde’ het ontslag van de door het Parlement goedgekeurde Minister van Binnenlandse Zaken en wees zelf de vervanger aan. Meer dan twintig ambtenaren op het betreffende Ministerie werden door hem vervangen. Uiteindelijk zaten zíjn kandidaten op de ministerszetels. Hij stelde niet alleen de verkiezingscommissie maar ook de klachtencommissie samen en bepaalde dat er geen buitenlander meer in plaats mocht nemen. Door gunsten te verlenen en lucratieve baantjes te verdelen had hij een netwerk van trouwe supporters om zich heen verzameld. Tot de machtskring van de Afghaanse president behoorden twee van zijn broers, de vicepresident Marshall Fahim en de presidentiele chef-staf Omer Daudzai, die Karzai gekscherend weleens premier noemde. Ook het nieuwe parlement bleek grotendeels Karzai-gezind.

De VS bereidden zich achter de schermen alvast voor op 2014. Karzai zou dan zijn grondwettelijk bepaalde maximum van twee termijnen hebben gezeten. De Amerikaanse Ambassade sprak met mogelijk opvolgers. Asif Rahimi, de Minister van Landbouw, maakte een goede indruk op de ambtenaren van Buitenlandse Zaken tijdens een officieel bezoek aan Washington.

President Karzai, die in zijn politieke nadagen zou moeten verkeren, gedroeg zich ondertussen niet bepaald als een lame duck. Achter de schermen stelde hij alles in het werk om de grondwet zodanig te veranderen dat een derde ambtstermijn binnen zijn bereik kwam.

Een belangrijke zet was het uitvaardigen van een decreet dat alle privé-beveiligingsbedrijven aan het einde van het jaar de zaken moesten opdoeken. Dat was officieel om illegale praktijken en excessen van machtsmisbruik en geweld in deze lucratieve bedrijfssector tegen te gaan. Het verbod leek op een poging om de buitenlandse bewakingsbedrijven, die goede zaken deden in de beveiliging van hulporganisaties, projecten en ambassades, aan te pakken. De Afghaanse politie zou hun taken gaan overnemen. Een van mijn klanten werd zwaar benadeeld door het nieuwe decreet, hij had net een aandeel gekocht in een bewakingsbedrijf. Dat was in één klap weinig meer waard. Samen met andere partijen lobbyde hij bij de Afghaanse president. Bij diens gratie werd een aantal bedrijven toegestaan toch door te gaan. Zo bleek het decreet een manier waarmee Karzai verschillende gewapende facties kon ontwapenen. Vijf jaar eerder werd Karzai nog kleinerend de ‘burgemeester van Kabul’ genoemd. Nu kon hij zich een koning wanen.

 

 


[1] Grote vergadering.

 

Om moedeloos van te worden

Voor leningen en subsidies waren Afghaanse bedrijven aangewezen op buitenlandse instanties. De commerciële banken verstrekten geen leningen, behalve aan relaties. Na maanden wachten werd de financieringsaanvraag van Azizullah, een van mijn klanten, afgewezen door de Amerikaanse instantie, die eerder mondeling al akkoord was gegaan. De lening was bedoeld om zijn fabriek in Kandahar uit te breiden met een lijn om vruchtensap te produceren. Als reden werd opgegeven dat het bedrijf onderdelen, namelijk flessendoppen, voor de productielijn van flessenwater in Iran kocht. Door de boycot van Iran mochten Amerikaanse hulpgelden op geen enkele manier besmet worden.  ‘Als ze dat in DC horen dan zitten we in de problemen!’

Zia, de jonge bedrijfsleider en ik hadden maanden aan het ondernemersplan gewerkt. Azizullah reageerde bedrukt op de afwijzing. ‘US AID wekt veel te hoge verwachtingen. Ze beloven van alles. Ze zeggen ons te helpen. Komt het puntje bij het paaltje, dan gebeurt er niets.’ Hij was niet van plan deze donor ooit nog om geld te vragen. Zia daarentegen verbeet zijn teleurstelling en zei: ‘Ik ga volgende week naar Pakistan om te kijken of ik daar die vermaledijde flessendoppen kan kopen.’

Ook een andere klant verging een rondgang langs diverse internationale financiële instellingen slecht. Dezelfde instantie als waar ik met Azizullah bot ving had ook hen mondeling beloofd een lening te verstrekken met de machinerie als onderpand, maar kwam daar later op terug. Ze konden de machine niet operationeel zien, daarom konden ze de waarde niet bepalen. Een tweede instantie accepteerde alleen eigendomspapieren van land en gebouwen als onderpand voor een lening, terwijl kadasterdocumenten grotendeels verloren waren gegaan tijdens de oorlog. Bij een derde instantie kwalificeerde het bedrijf niet voor een lening omdat het niet gevestigd was op een industrieterrein, waar de landprijzen veel hoger lagen. Toen we het weer probeerden bij instantie no. 1 wees deze de aanvraag af, omdat de leningsadviseur het ondernemersplan niet goed had gelezen en abusievelijk concludeerde dat het bedrijf voldoende eigen vermogen had om de uitbreiding zelf te financieren. Bij een bank was de termijn van de lening te kort en de rente te hoog. Het leek soms net een klucht.

Ik had net een ondernemingsplan voor een koelhuis in Kabul gemaakt, toen een buitenlandse consultant die nooit eerder in Afghanistan was geweest concludeerde dat het land nog niet toe was aan koelfaciliteiten, omdat de infrastructuur ontbrak. Koelhuizen op het platteland, die door US AID werden gebouwd, waren niet in gebruik omdat er geen lokale investeerders gevonden konden worden die het management op zich wilde nemen. Daardoor werden alle investeringen op dat gebied stopgezet. In de jaren dat ik in Afghanistan werkte nam ik regelmatig deel aan conferenties en workshops over finance van de internationale donoren in het vijfsterren Serena Hotel, waarbij ik optrad als spreekbuis van het Afghaanse MKB. Keer op keer deed ik relaas van de obstakels die zij ervoeren in het verkrijgen van financiering. Ik had niet het idee dat het iets uithaalde; aanpak en prioriteiten werden in Washington bepaald.

Vanzelfsprekend kwam ik ook Afghaanse bedrijven tegen die wel hun voordeel hadden gedaan met de hulpprogramma’s. Bedrijven konden deelnemen aan handelsbeurzen in het buitenland. Bedrijfsverenigingen, -federaties en coöperaties werden soms zelfs speciaal opgericht om in aanmerking te komen voor de vele subsidies die voorhanden waren. Een van mijn klanten kreeg een subsidie voor de aanschaf van machinerie voor een nieuw op te starten leerverwerkingsfabriek in Jalalabad. Bij een ander werden de kosten voor het laten maken van een ondernemingsplan voor een tapijtfabriek vergoed. Een Nederlandse ondernemer die in een joint-venture met een Afghaans bedrijf een fabriek wilde opstarten kon daar ook een aanzienlijk subsidie voor krijgen. Zolang die subsidies er waren, hadden bedrijven weinig interesse voor leningen.

Een klant die een lening had gekregen, deed nauwelijks moeite om die terug te betalen. Door de rente was het achterstallige bedrag fors opgelopen. Hij beweerde dat de bedrijfsresultaten zo slecht waren dat hij de aflossingen niet kon betalen. Dat achtte ik best mogelijk. Ik deed een poging om te bemiddelen tussen hem en de financierende instantie, maar ondervond niet al te veel medewerking van de klant. Koppig haalde hij zijn schouders op voor de dreigementen over sancties van de organisatie. ‘Ze hebben me zelf dat geld gegeven.’ Er was een link tussen zijn gedrag en de betalingen die door het Amerikaanse leger waren gedaan aan loyale krijgsheren. Omdat hij veel invloed had in Jalalabad,  dacht hij, ondanks het woud van bureaucratische regeltjes, administratieve procedures, contracten en zakelijke bewoordingen, dat de lening in eenzelfde context was gedaan. Een van mijn andere klanten zei dat ook: ‘Al die subsidies en leningen zijn verkapte afbetalingen. Bij de een storten ze geld op een persoonlijke bankrekening zonder iemand te checken. Ze malen niet om aflossingen. Een ander die komt met een goed ondernemingsplan moet voldoen aan onmogelijke regels.’ Ik moest toegeven dat ik het beleid van de instanties ook niet kon volgen, het leek op willekeur.

De vertegenwoordiger van Nestle, die een persoonlijke relatie had met de Amerikaanse Ambassadeur, kreeg een lening van ruim vier miljoen US$ van US AID voor de bouw van een fabriek. De accountant die de audit verzorgde van de financierende organisatie verklapte aan mij dat het bedrag op de persoonlijke bankrekening van de ondernemer was gestort, terwijl de gebruikelijke procedure was dat de financiële instantie de machinerie kocht en op termijn het eigendomsrecht overdroeg. Deze zakenman was handelaar, hij had nog nooit eerder een productiefaciliteit opgezet. Het duurde maanden voor hij de expertise had ingehuurd om een fabrieksvloer te laten storten.

Na twee jaar was de fabriek nog niet operationeel en bleek de lening niet toereikend. De ondernemer kreeg via een aantal andere US AID-programma’s subsidies toegewezen, waardoor het totale aandeel van de organisatie in deze onderneming opliep tot ruim tien miljoen dollar. US AID kreeg het toen benauwd. Een Chief of Party begon verwoed gesprekken met potentiële internationale kopers te organiseren. Een Amerikaanse consultant zei tegen mij op een congres over finance: ‘Iedereen weet dat het een mislukking is. Toch blijven ze er maar mee doorgaan. Ze gooien er meer geld tegenaan, in de hoop dat het toch nog lukt.’

In die tijd werd de financieringsaanvraag van mijn klant weer afgewezen. Nogmaals zat ik met Zia, de jonge bedrijfsleider van Azizullah, tegenover de officials van de financier om verhaal te halen. Het was de derde keer. Deze keer hadden de vertegenwoordigers van de instantie een voorstel voor hem: ‘Nu de fabriek in Kabul een concentraatlijn heeft, zou jij dan niet in Kandahar een saplijn kunnen neerzetten? Dan kunnen jullie samenwerken.’

Zia en ik keken elkaar vol afgrijzen aan. Het belangrijkste product was granaatappelsap. Zia zocht op zijn laptop naar een foto. Hij draaide de computer zo dat de officials het scherm konden zien: het toonde de parkeerplaats van de fabriek, een hek en daarachter een boomgaard. Rijen en rijen bomen, overladen met granaatappels. Hij zei: ‘Jullie willen dat wij de granaatappels uit Kandahar op transport naar Kabul sturen, om ze daar tot concentraat te laten verpulveren. Vervolgens wil je de vaten pulp terugzenden naar Kandahar om het daar tot sap te laten mengen?’ De Kabul-Kandahar snelweg werd de snelweg des doods genoemd. Konvooien stuurden bewakers mee of betaalden de Taliban af om veilig op de bestemming aan te komen. Transport van fruit via deze weg maakte het twee keer zo duur. De Amerikaanse officials lieten zich niet van de wijs brengen.

‘Laten we het doorrekenen. Maken jullie een nieuw ondernemersplan voor de saplijn. We gaan geen twee fabrieken financieren.’

Ook deze keer kregen we nul op het rekest, dit keer omdat het bedrijf geen geaccrediteerde auditrapporten kon overleggen. Het effect van het beleid van US AID om de een wel en de ander niet te subsidiëren zorgde wel voor oneigenlijke concurrentie en een verwrongen markt.

Voor een Nederlandse studie naar publiek-private samenwerking in Afghanistan onderzocht ik vier case studies; geen daarvan was succesvol. Mira Jan Sahibi had zich, samen met drie andere Afghaanse ondernemers, door een Duitse ontwikkelingsorganisatie over laten halen om een half miljoen in een suikerfabriek te investeren. Deze organisatie had de Afghanen geïntroduceerd aan een Duits bedrijf in zaden dat ook wilde investeren. De Duitse overheid nam het grootste deel van de kosten op zich in het kader van de publiek-private samenwerking. Ze huurden een Duits ingenieursbureau in om het fabrieksontwerp te maken en een Duits-Afghaanse manager die de knowhow had om een dergelijke operatie te runnen.

De haalbaarheidsstudie – ook gemaakt door een Duits bureau – bleek veel te optimistisch. Het obstakel was dat de Afghaanse boeren met geen stok te bewegen waren om suikerbieten te verbouwen tegen de prijs die de fabriek ervoor wilde betalen. Toen de onderneming na een aantal jaren nog steeds geen winst maakte, had de zakenman de andere private investeerders voorgesteld om tot liquidatie over te gaan.

Het project was een typisch voorbeeld van een clash tussen twee uiteenlopende culturen: logge overheden en het ongeduldige, slagvaardige bedrijfsleven. Sahibi noemde als oorzaak van de mislukking het ‘bureaucratische management’ dat hem nergens bij had betrokken en ‘al die Duitse specialisten moesten worden betaald. Daardoor liepen de kosten hoog op’. Achteraf gezien voelde hij zich bekocht. De man leek het bedrijfsverlies gelaten te accepteren, al was iets dergelijks in zijn familie nog nooit eerder voorgekomen. Dat hij dat zo nadrukkelijk zei deed mij vermoeden dat hij zich ervoor schaamde.

 

Ondernemen in ontwikkeling (2)

Het stimuleren van ondernemerschap voor vrouwen werd trending binnen de ontwikkelingswereld. NGO’s hielpen vrouwen onder meer om zich te bekwamen in tapijt weven, kleermakerij en groente en fruit inmaken, om ze de mogelijkheid te geven een inkomen te verdienen.

In opdracht van de Duitse ontwikkelingsorganisatie GTZ gaf ik training aan vrouwelijke ondernemers in de handvaardigheidssector. Deze vond plaats op het kantoor van de Afghan Women’s Business Federation in Kabul, een van de vele organisaties die door een donor waren opgericht. Ik stond vier dagen per week voor de klas, met een junior consultant als vertaalster aan mijn zij, omdat de meeste cursistes het Engels niet voldoende machtig waren. Omdat de lessen praktisch van aard waren, kon ik veel voordoen.

Soms moest ik schreeuwen om het drukke gekwetter van de vrouwen in de klas te overstemmen.‘Ghanuma! Ghanuma! Ghamus loftfan!’ riep ik eens vertwijfeld uit. Dat kleine beetje Dari had resultaat. Het viel stil. Met open mond staarden ze me aan. Toen braken ze een hard gelach uit. Het betekende, bij benadering: ‘Bekken dicht, alstublieft, dames!’  In een chaotische sfeer werkten we aan nieuwe ontwerpen voor jurken en kettingen. De cursistes waren reuze enthousiast. Iedere les lieten ze nieuwe producten zien, soms half af, zodat we er nog wat aan konden veranderen. Ze bladerden in westerse tijdschriften om ideeën op te doen en zochten patronen om die modellen na te maken. Na afloop van de trainingen was ik uitgeput. De hele dag met handen en voeten les geven kostte me enorm veel energie. Dat maakte mij niet uit. Het was het leukste en zinvolste project dat ik deed.

We probeerden materialen te gebruiken die lokaal verkrijgbaar waren. Halfedelstenen waren in Chicken Street te koop, maar het was een uitdaging om aan stoffen te komen. Geweven katoen werd niet geproduceerd in Afghanistan. We gebruikten wat er in de bazaar te verkrijgen was: geïmporteerde Chinese polyester en Pakistaanse katoen, zijde van een van de twee nieuwe kleinschalige fabriekjes in Herat en Mazar-e Sharif.

Ik had antieke Afghaanse kleding verzameld en probeerde ze ertoe te krijgen om borduurwerk naar deze voorbeelden in hun ontwerpen op te nemen. Zij kopieerden liever de roosjes van de pasjmina’s uit Kasjmir die ze in Chicken Street hadden gezien. Afghaanse vrouwen zijn dol op kleur: het liefst gebruiken ze rood en groen en paars en roze in een jurk. De traditionele klederdracht is bijzonder kleurrijk. Die kleuren botsten voor mijn gevoel. Wilden ze kleding maken voor westerse vrouwen in Kabul, dan moesten ze leren om gebruik te maken van een meer neutraal kleurenschema. Zij hadden een voorkeur voor de bloempatronen van het Chinese polyester, waar ik van gruwde. Samen kwamen we tot nieuwe ontwerpen. De vrouwen kochten traditioneel Afghaans borduurwerk en stikten dat op wollen winterjassen, poncho’s en rokken. Het katoen voor de traditionele klederdracht van Afghaanse mannen, de shalwaar kameez, verwerkten ze tot punjabi suits voor vrouwen. Kandahari borduurwerk dat de shalwaar kameezes versierde werd verwerkt in moderne damesblouses. Wollen en zijde longees werden omgetoverd tot overhemden.

Gulbegum was een vrouw van achter in de dertig die niet kon lezen of schrijven. Ze sprak geen Engels. Het diepgegroefde gezicht, omlijst door een grof geweven hoofddoek, leek dat van een grootmoeder. Op de tweede dag van de training liet ze weten dat ze niet meer zou komen. Ik wilde graag weten waarom. Ze legde uit: ‘Mijn man is invalide. We hebben zes kinderen. Ik moet werken om geld te verdienen. Ik heb geen tijd voor deze training.’ Ze had helemaal geen eigen bedrijf, maar werkte als naaister voor iemand anders. Ik vond dat ze moest komen wanneer ze wel tijd had. Ze miste geen training. Terwijl ze haar naaiwerk deed onder de les, lette ze beter dan de anderen. Omdat ik niet met haar kon communiceren, sloeg ik mijn arm om haar heen om haar te bemoedigen. Dat deed ik ook bij andere leerlingen die geen Engels spraken.

Zohra was de meest succesvolle cursiste. Haar man had er geen bezwaar tegen dat zij een eigen bedrijf had. Hun zestienjarige oudste zoon hielp mee in de zaak. Ondernemen zat in haar genen. Ook een zus begon een eigen bedrijf. De Hazara-vrouw was net zo oud als ik. We mochten elkaar meteen. Haar Engels was niet zo goed, toch begrepen wij elkaar. Ze was een voorbeeld voor de andere studenten. Eén dag in de week stond ze met haar zoon achter een kraam op de markt binnen het ISAF-kamp waar ze Afghaanse souvenirs en cadeautjes voor het thuisfront aan militairen verkocht. Voor een vakbeurs in Delhi had ze op mijn aanraden een kleine collectie kwalitatief zeer hoogstaande sieraden meegenomen. Ze had alles verkocht. Volgens de laatste mode in Europa had ze een nieuw product, een langere halsketting dan gebruikelijk, toegevoegd aan het assortiment; dit had het goed gedaan bij de Indiase kopers.

Op een ochtend viel een groep zelfmoordenaars een pension van de Verenigde Naties in Shar-e Now aan. Ik besloot toch naar de training te gaan. We zouden aan het einde van de training een modeshow geven en waren druk bezig om de laatste producten af te werken. De cursisten konden geen les missen. Het kantoor van de vereniging was vlakbij mijn huis. Ik wandelde er op mijn gemak naar toe. Het was stil op het kantoor. De voorzitster reageerde verbaasd toen ze me zag: buitenlanders bleven doorgaans binnenshuis wanneer er een bomaanslag was geweest. Ze bedankt me voor mijn komst. Een klein deel van de studenten kwam opdagen, veel te laat, vanwege de verkeersopstoppingen en wegversperringen in de stad.

Met een klein groepje kropen we dicht bij de gaskachel in het leslokaal en dronken een kopje thee terwijl we bespraken wat we in de les zouden gaan doen. Toen het kouder begon te worden bleek er geen verwarming in de trainingszaal; er was wel een airconditioner, maar geen elektriciteit. Toen de winter inzette, had ik gevraagd of de organisatie geen gaskachels had. Er was een oude tevoorschijn gekomen. Kapot. Ik had de klusjesman een nieuw onderdeel laten kopen en de gasfles laten vullen. Er was geen geld voor, dus had ik de kosten uit eigen zak betaald. De donor vond dat de organisatie onderhand op eigen benen kon staan. Er kwamen geen subsidies meer.

Tegen het einde van de training verraste Gulbegum met een aantal zelfgemaakte en met de hand geborduurde kameezes. Ze vertrouwde me toe dat ze zelf een bedrijfje ging beginnen. Ik kon zien dat haar zelfvertrouwen was gegroeid. Ze deed een van de ringen van haar doorgegroefde handen af en duwde die in mijn hand. Hij was van zilver, gegraveerd en met een donkerroze steen. Ik voelde me bezwaard iets aan te nemen van iemand die al zo weinig had. Ik schudde mijn hoofd. ‘Niet nodig.’ Ze bleef aandringen. Ik weigerde nog eens. Met haar hand duwde ze mijn uitgestoken hand weer terug. Ik voelde dat het voor haar belangrijk was dat ik hem aannam. Ik omhelsde haar en deed hem om een vinger. Ze lachte stralend.

We presenteerden de resultaten van de training in een modeshow. Het was voor deze vrouwen voor het eerst dat ze aan een dergelijk evenement meededen. Ze hadden zich uit de naad gewerkt om de kleding en sieraden op tijd af te hebben en waren enorm gespannen voor de show. Het was ook voor het eerst dat er Afghaanse modellen op de catwalk liepen.

‘Afghaanse modellen! Je krijgt vast ruzie met de moellahs!’ waarschuwde een vriend. ‘Wat krijgen we te zien? Nieuwe boerka’s?’ vroeg hij schamper. In de hectiek van de voorbereidingen had ik met moellahs geen rekening gehouden. Nog niet zo lang geleden steigerden de geestelijken toen tijdens een uitzending van het immens populaire televisieprogramma Afghan Idol, spin-off van het Amerikaanse Idol, een van de vrouwelijke kandidaten onder het zingen haar hoofddoek van het hoofd liet glijden en onschuldige heupbewegingen inzette. Onislamitisch vonden ze het optreden van het meisje. Dat mocht niet op TV. De Afghaanse modellen droegen dus allemaal een hoofddoek bij de modeshow. Er waren twee buitenlandse meisjes om iets meer gewaagde kleding te showen. Tijdens de generale repetitie droeg ik alle meisjes streng op: ‘Geen heupgewieg! Gewoon lopen.’ Ik deed het zelfs even voor: ‘Niet zo, wel zo!’

Vanwege zelfmoordaanslagen in de voorgaande weken leefde de internationale gemeenschap in Kabul onder een verscherpt veiligheidsregime. ISAF, de Amerikaanse Ambassade en de Europese Politiemissie vroegen me de show te houden in hun eigen kantoor, omdat ze zich niet buiten de poort mochten begeven. Ik wilde juist dat het voor iedereen toegankelijk zou zijn, daarom had ik voor een openbare gelegenheid gekozen: een restaurant. Dat plaatste gewapende bewakers voor de deur. Zij controleerden alle bezoekers op wapens en explosieven. Wapens moesten in een kluisje bij de ingang worden opgeborgen. Voor de bodyguards van diplomaten en militairen werd een uitzondering gemaakt; zij mochten onder de kleding verborgen wapens mee naar binnen nemen.

De ontwerpsters brachten een mahram mee, een mannelijke begeleider, omdat ze ‘s avonds niet alleen over straat mochten. Om zeven uur was de zaal afgeladen vol. Ondanks de veiligheidssituatie waren er mensen van diverse ambassades, waaronder de Nederlandse, van vele internationale hulporganisaties en zelfs van ISAF. De show was een vrolijke chaos. De kleding varieerde van katoenen kameezes en zijden punjabi suits gedecoreerd met kraaltjes en pailletjes tot westerse broekpakken en wollen winterjassen afgezet met bont. De sieraden waren gemaakt van halfedelstenen, turkoois, lapis lazuli, carneool, kwarts en jade, die de traditionele Afghaanse zware zilveren hangers, oorbellen, gordels en hoofdsieraden versierden.

De onervaren modelletjes vergaten de volgorde, lieten naar het schijnt uren op zich wachten en raceten over de catwalk of ze de bus moesten halen. Ze waren aandoenlijk in hun verlegenheid. Het publiek klapte de handen stuk voor de kleding en de modellen. De negenjarige dochter van een van de ontwerpsters stal de show. Zij liep over de catwalk of ze nooit anders had gedaan. Iedereen vermaakte zich uitstekend.

Na afloop van de cursus was GTZ, ondanks de modeshow, toch niet zo tevreden met de resultaten van het project. Ze hadden gedacht dat het een zogenaamde train-de-trainer cursus was geweest, waarna de cursisten in de provincie aan andere vrouwen les zouden gaan geven. Dat leverde betere statistieken op: dan konden ze zeggen honderden vrouwen te hebben geholpen, in plaats van ‘slechts’ twintig.

Ik deed huisbezoek bij een aantal van de vrouwen, om te kijken hoe het er in de productie aan toeging. Bij een van hen schrok ik me een ongeluk: mannen en een jongen onder de 18 zaten achter de naaimachines in een ongeventileerde ruimte zonder daglicht. De enige vrouw in het bedrijf deed alleen de ontwerpen, zij was niet de eigenaar. Wat moest ik daar nu mee? Het bedrijf creëerde geen werkgelegenheid voor vrouwen. En was dat wel het geval, dan zou een westerse donor zich terecht opwinden over de slechte arbeidsomstandigheden. In andere fabriekjes zag ik ook kinderen aan het werk, meestal onder betere omstandigheden. Ik kon er weinig meer aan doen. As ik het eerder had geweten had ik het de donor moeten vertellen. Die had de training misschien stopgezet en daar had niemand wat aan gehad.

De strenge richtlijnen voor duurzaam ondernemen, die inhouden dat je moet zorgen voor goede arbeidsomstandigheden, leken in Afghanistan bijna een luxe. Eens te meer bedacht ik me hoe weerbarstig de realiteit van ontwikkelingswerk was.

Karzai heeft zijn buikje rond gegeten

Op een doordeweekse avond ging ik langs bij een Afghaanse kennis. Er was een aantal zakenvrienden op bezoek. Een fles Black Label whisky stond op tafel. Een van hun vrienden was onlangs doodgeschoten toen een kidnapping verkeerd afliep. Het losgeld was niet snel genoeg op tafel gelegd. Dat gegoede Afghanen elkaar liever niet in een restaurant ontmoetten kwam niet alleen omdat ze het niet prettig vinden om in het openbaar alcohol te drinken: zij vreesden ontvoering. In de westerse media werd veel aandacht besteed aan gekidnapte buitenlanders, iets wat sporadisch voorkwam. Bijna iedere dag viel wel een Afghaanse zakenman ten prooi aan criminele bendes, maar daar las je nooit over. Ik hoorde van rijke Afghanen dat ze daarom overwogen naar Dubai te verhuizen.

Zakenmensen deden weinig liever dan praten over politiek. Het gesprek kwam dan ook op de aanstaande presidentsverkiezingen. President Karzai had net aangekondigd dat de verkiezingen in mei plaats moesten vinden, in overeenstemming met de grondwet. ‘Karzai is door Bush in het zadel geholpen. En wat heeft hij bereikt?’ vroeg Khaled, directeur en mede-eigenaar van een telecommunicatiebedrijf, dat fors had geïnvesteerd in het opzetten van een netwerk van satelliettorens over het hele land.

De week ervoor hadden de oppositieleiders zich in Dubai verzameld. Ze wilden de handen ineenslaan om de president een waardige tegenkandidaat te presenteren. ‘De oppositie is zo verdeeld. Kunnen zij wel met een kandidaat komen?’ vroeg ik.

‘Natuurlijk. Ze beseffen de ernst van de situatie,’ zei een van hen, een gedistingeerde Pashtun in een lichte shalwaar met exquisiet Kandahari-borduurwerk rond de kraag en het voorpand, gecoiffeerd ringbaardje en een wollen pakul.

Een ander zei: ‘De kandidaat die door de Amerikanen wordt gesteund gaat winnen.’ Veel Afghanen waren ervan overtuigd dat de westerse generaals bepaalden wie er president werd.

‘Kan je je voorstellen dat de Amerikanen de stembussen leeghalen, de juiste vakjes blauw maken en de stembussen volproppen met deze gefalsificeerde biljetten?’ vroeg Ali, eigenaar van een commerciële Afghaanse luchtvaartmaatschappij.

Iemand zei contact te hebben gehad met een lokale Talibanleider in de provincie Wardak. Die had gezegd Karzai te steunen, omdat de president er een potje van maakte. De corruptie was nog nooit zo groot. ‘Zo lang deze president in het zadel zit, heeft de Taliban alle kans om zich te versterken.’

De presidentiële verkiezingen werden uitgesteld tot augustus. In de aanloop er naartoe vielen de Taliban het hoofdkantoor van ISAF midden in Kabul aan. De stad was in opperste paraatheid, de militaire politie stond de politie terzijde; een op een zeppelin lijkende ballon uitgerust met surveillancecamera’s zweefde boven het centrum; op verschillende locaties waren op afstand bestuurbare camera’s geïnstalleerd; de meeste internationale organisaties stuurden hun  ‘niet-essentiële’ personeel het land uit; de Nederlandse ambassade stelde een evacuatieplan op voor de achterblijvers. Er was een toestroom van televisieploegen, schrijvende pers, fotografen en observators van de Verenigde Naties.

Ik hield een kleine opiniepeiling onder mensen in mijn nabijheid. ‘Dr. Abdullah heeft beloofd dat hij alle betonnen barrières in Kabul verwijdert als hij president wordt,’ zei mijn chauffeur Tamim. We slalomden en zigzagden om de betonnen obstakels heen die in het laatste jaar in het centrum van de stad waren opgeworpen om ministeries, ambassades en kantoren van internationale organisaties te beschermen tegen zelfmoordaanslagen. ‘Ik ga niet stemmen. Karzai heeft vier jaar liggen slapen, nu ineens zien we overal veranderingen in de stad. Kijk bijvoorbeeld naar dat nieuwe ziekenhuis. De bedelaars zijn van straat gehaald. Allemaal voor de verkiezingen. Alle kandidaten zijn hetzelfde. Ze doen beloftes, maar wat hebben ze de afgelopen jaren gedaan?’

‘Ja,’ beaamde ik. ‘Wat heeft onze president gedaan? Wat heeft hij gedaan voor onze stad?’ Ik mocht dan geen stemrecht hebben, het voelde alsof Kabul mijn stad en Karzai mijn president was.

‘Karzai gaat winnen,’ zei Aimal, een winkelier. ‘Maar ik steun hem niet. Iedereen heeft bloed aan zijn handen.’ Hij voegde er aan toe: ‘ Iedereen weet dat Karzai gaat winnen. Waarom dan nog stemmen?’ Een andere winkelier was dezelfde mening toegedaan: ook hij ging niet stemmen. Hij had zelfs geen registratiekaart aangevraagd: ‘Alle kandidaten zijn even slecht.’

Bij de bank zei Kamal dat hij voor Ashraf Ghani stemde, omdat deze als enige een oplossing had voor de armoedebestrijding. Kamal studeerde aan de Amerikaanse Universiteit, waar hevig werd gelobbyd voor de academicus en voormalig Wereldbankmedewerker Ashraf Ghani. Zijn college Samim ging niet stemmen, omdat het volgens hem toch niet uitmaakte wie er won.

Een van mijn Pashtun-medewerkers, Yousuf, had met zijn schoonvader en echtgenote besproken op wie te stemmen. Zij waren van mening dat Karzai het beste de belangen van hun stam zou vertegenwoordigen. Hijzelf dacht dat Ashraf Ghani het beter zou doen als president, maar omdat deze weinig kans maakt om gekozen te worden, besloot hij niet te gaan stemmen.

Mijn geïmproviseerde opiniepeiling wees niet uit dat de opkomst hoog zou zijn. Mijn assistent Ajmal was de belichaming van het democratische gedachtengoed dat de westerse wereld hier zo graag wortel zag schieten: hij ging zeker stemmen. ‘Ik stem voor Dr. Abdullah. Karzai was president en hij heeft niets gedaan. Laten we Dr. Abdullah de kans geven. Als hij er een potje van maakt dan stem ik over vier jaar op een ander.’ Asamuddin, een van de bewakers, had nog een andere oplossing: hij ging op een vrouw stemmen. ‘Mannen hebben er niets van gebakken.’ Er waren helaas geen vrouwelijke kandidaten om serieus te nemen.

Zakenman Abdullah dacht dat Ashraf Ghani het beste voor het land zou zijn, maar betwijfelde of diens intelligente boodschap begrepen werd door gewone Afghanen. Zijn zoon Mustafa, die voor het Ministerie van Financiën werkte, had een pragmatische kijk op wie er zou moeten winnen: ‘Karzai heeft zijn buikje rond gegeten. Iedereen in zijn familie en kennissenkring zit vol. Krijgen we een nieuwe president, dan begint het van voren af aan. Iedereen steelt zich rijk. Voor ons blijft er niets over. Dus laat Karzai maar zitten.’

Terwijl de westerse media zich druk maakte over een nieuwe wet die sjiitische vrouwen verplichtte het bed te delen met hun echtgenoot, marchandeerde Karzai met belangrijke posten in het kabinet. Hij wilde voorkomen dat vooraanstaande politici zich kandidaat zouden stellen voor de presidentsverkiezingen. De oud-Minister van Buitenlandse Zaken, Dr. Abdullah, en oud-Minister van Financiën, Dr. Ashraf Ghani, die werden gezien als zijn voornaamste opponenten, bedankten beiden voor de eer. Zij deden een gooi naar het presidentschap. De oppositie was het dus uiteindelijk toch niet eens geworden over één sterke tegenkandidaat.

Marshal Fahim, die eerder in ongenade was gevallen, verscheen weer op het toneel; hij werd benoemd tot Karzai’s vicepresident om de Tajikse stemmen binnen te halen. Karzai koos voor een ander politiek zwaargewicht, de Hazara Karim Khalil, om zich van de steun van deze etnische minderheid te verzekeren. Beiden waren niet vrij van controverse, ze werden beschuldigd van oorlogsmisdaden. Dat gold ook voor de Oezbeek Dostum die op het laatste moment ook Karzais kant koos. Een andere belangrijke krijgsheer uit de westelijke provincie Herat, Ismael Khan, sloot zich erbij aan. De kleptocraten waren van plan om aan de macht te blijven. Zo verzekerden de mujahedeen en krijgsheren zich van belangrijke en lucratieve posities in de nieuwe regering. Ik verwachtte dat de zittende Afghaanse president al in de eerste ronde als overwinnaar uit de bus zou komen. Hij benoemde de gemeente- en politieambtenaren die op provinciaal niveau over de verkiezingen presideerden. Ook de lijsten met kiezers waren door Karzai goedgekeurd. Voor hem zou het niet al te moeilijk zijn om de uitslagen eventueel naar zijn hand te zetten.

Aan de vooravond van de verkiezingen ging ik ‘s avonds bij vrienden op bezoek. Op iedere straathoek stond een politiepatrouille die auto’s in een fuik opving en controleerde op wapens. Bij een controle werd mijn chauffeur hardhandig uit de auto getrokken omdat zijn papieren niet in orde waren. Gelukkig was er een andere chauffeur in de buurt die me kwam ophalen. Midden in de nacht, toen ik terug naar huis werd gereden, was het doodstil op straat. Op ieder checkpoint liet de politie ons doorrijden.

Op de dag zelf zat ik de hele dag thuis. Ik wilde naar het stemlokaal dat in de moskee om de hoek was gevestigd om foto’s te maken, maar kreeg daarvoor geen toestemming. Het hoofd van het stemlokaal gaf als reden op dat de buurt massaal voor Dr. Abdullah stemde. Karzai zag liever niet dat de buitenlandse pers het idee kreeg dat zijn voornaamste tegenkandidaat een kans maakte. De regering vaardigde een verbod uit op het verslaan van gewelddadigheden op verkiezingsdag. Zeker weten deed ik het daarom niet, maar de dag leek in Kabul rustig voorbij te gaan.

Ik zat ernaast. Met meer dan zeventig incidenten door het hele land was het een van de meest gewelddadige dagen in Afghanistan sinds de bevrijding. De verkiezingen die door de EU daags erna als eerlijk waren verklaard bleken ontsierd door fraude. De speciaal voor de verkiezingen overgekomen internationale media berichtten er nauwelijks over omdat zij niet meer in het land waren toen het werkelijke drama zich ontvouwde. Honderden stemlokalen waren vanwege onveiligheid niet open gegaan. De opkomst werd geschat op 30%, veel lager dan aanvankelijk gedacht. Op grote schaal was er geknoeid met stembiljetten. Op het internet circuleerden filmpjes gemaakt met mobiele telefoons van mannen die stapels stembiljetten invulden en in stembussen propten. De Electorial Complaints Comittee verklaarde uiteindelijke 1,26 miljoen stemmen ongeldig, waarvan ruim een miljoen voor Karzai.

Daarmee behaalde de zittende president net geen 50% van de stemmen, wat een tweede ronde noodzakelijk maakte. Die zou gaan tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen kregen in de eerste ronde: Karzai en Dr. Abdullah. Ashraf Ghani was blijven steken op een schamele 3%. Karzai voelde weinig voor een tweede ronde. Senator John Kerry kwam over uit de Verenigde Staten om met hem te spreken. De democraat die ooit zelf te maken kreeg met betwiste verkiezingen in eigen land slaagde erin het vertrouwen van Karzai te winnen door korte metten te maken met de invloed van Zalmay Khalilzad in de Afghaanse politiek, zo vertelde iemand die aanwezig was tijdens deze bijeenkomst me. Deze was lange tijd een vertrouwensman van de Afghaanse president geweest en had achter de schermen grote invloed gehad. Karzai was hem gaan wantrouwen toen hij na de wisseling van de wacht in de VS door de nieuwe President Obama op afstand werd gehouden, terwijl hij met Bush een goede verstandhouding had genoten. Khalilzad had zich in Kabul overmoedig gepresenteerd als gezant van Washington en omgekeerd, zonder door een van beide partijen daartoe te zijn gemachtigd. Kerry vroeg de man publiekelijk zijn aanwezigheid bij de gesprekken te legitimeren, tot grote opluchting van de Afghaanse president.

Pogingen van de VS om Karzai over te halen tot een machtsdeling met Abdullah door het vormen van een eenheidsregering mislukten, de partijen waren niet tot samenwerken bereid. De VS zouden nog hebben geprobeerd om een CEO, vergelijkbaar met een eerste minister, te installeren, om de groeiende macht van de Afghaanse president in te perken. Voor die functie hadden ze Ghani of Khalilzad op het oog gehad. Ook die opzet slaagde niet. Kerry kreeg het wel voor elkaar dat Karzai akkoord ging met een tweede stemronde. Dr. Abdullah besloot vervolgens om zijn kandidatuur terug te trekken; hij geloofde niet dat het er eerlijk aan toe zou gaan.

In september werd Karzai geïnaugureerd voor een tweede ambtsperiode van vijf jaar. Achteraf nam hij het de VS zeer kwalijk dat ze hem hadden overgehaald in te stemmen met een tweede ronde, want dat zou zijn positie hebben ondermijnd. Hij hekelde de buitenlandse invloed in de klachtencommissie, waar de drie VN-vertegenwoordigers in de meerderheid waren geweest.

Voor mij waren deze verkiezingen een keerpunt: juist dat wat het pronkstuk van de hele westerse civiele missie was geweest, het speerpunt van de interventie, het brengen van democratie, was een farce.

 

Ondernemen in ontwikkeling

Een projectvoorstel dat ik samen met een NGO had gemaakt voor het stimuleren van economische ontwikkeling in de provincie Balkh werd geaccepteerd door het Ministerie van Plattelandsontwikkeling (MRRD). Dit ministerie was een van de weinige dat de verantwoordelijkheid kreeg om zelf prioriteiten te stellen en projecten te implementeren. Het door haar opgezette Nationale Solidariteit Programma, NSP, was niet alleen het grootste ontwikkelingsprogramma in het land, het stond ook bekend als het meest succesvolle. In een groot aantal provincies, waar de opstand was bedwongen, werden in geïsoleerde, traditionele landelijke gemeenschappen nieuwe overlegstructuren gevormd. Daardoor kon het Ministerie kleinschalige ontwikkelingsprojecten uitvoeren, gericht op verbeteringen van de infrastructuur, het laten aanleggen van wegen en irrigatiekanalen, het bouwen van bruggen en het slaan van waterputten, in samenspraak met de lokale bevolking. Dit grootschalige project werd gefinancierd door de Wereldbank en het Afghanistan Reconstruction Trust Fund, waaraan een groot aantal landen, zo ook Nederland, een bijdrage leverde. Doordat het salaris van ambtenaren werd aangevuld door de donoren, had het ministerie de meest getalenteerde jonge Afghanen aan kunnen trekken. Onder leiding van de in het westen geschoolde minister Ehsan Zia, die ruime ervaring in ontwikkelingssamenwerking had, en een dynamisch team van capabele onderministers, was het MRRD een voorbeeld van hoe ontwikkelingsgeld ten goede kon worden besteed.

Het Ministerie was gevestigd op een ruim bemeten perceel land in het zuiden van de stad, aan de Darulaman Road, vlak naast de Amerikaanse Universiteit en het voormalig Koninklijk Paleis, ver van andere overheidsgebouwen. Na een ruim een uur durende rit door het centrum van Kabul, waar de auto bijna een half uur had stilgestaan in de file, was het alsof ik in Zwitserland was beland, van de smog in de frisse lucht, met uitzicht op het gebergte. Nieuwe wit geverfde gebouwen verrezen op het terrein, waar de medewerkers in westers kostuum de beschikking hadden over airconditioning, internet, desktops en elektriciteit van generatoren.

De startbijeenkomst op het ministerie werd voorgezeten door een onderminister, de in Canada geschoolde Asif Rahimi, directeur van NSP, welbespraakt en westers georiënteerd. Hij werd beschouwd als een aanstormend talent in politieke kringen; al vrij snel werd hij aangesteld als Minister van Landbouw. Aanwezig waren ook de Faciliterende Partners van bij elkaar negen vergelijkbare projecten, onder meer een Deense en een Zweedse hulporganisatie.

Landbouw was altijd de belangrijkste inkomstenbron voor Afghanistan geweest. Noten en gedroogd fruit, zoals amandelen, walnoten, pistachenoten, pijnboompitten, rozijnen en vijgen, en vers fruit, zoals granaatappels, perziken, druiven en meloenen, werden vroeger geproduceerd in het noorden van Afghanistan. Na dertig jaar oorlog waren de landbouwgronden, boomgaarden en irrigatiekanalen in staat van verval. Naast een chronisch tekort aan water was er gebrek aan mest, tractoren en andere mechanische hulpmiddelen. Door het gebruik van slecht zaad was de productiviteit laag. Zaaien en oogsten gebeurde nog met de hand. Boeren verbouwden vooral om in het eigen levensonderhoud en dat van hun vee te voorzien: graan en groente, zoals aardappel, ui en tomaat. Hier en daar werd alweer katoen verbouwd. De overheid wilde nu weer landbouwproducten exporteren, zoals die voor de oorlog ook al de grootste verdieners van vreemde valuta waren geweest.

Wij presenteerden ons plan om in Mazar-e Sharif twee bedrijven te ondersteunen bij het opzetten van productiefaciliteiten, één voor de verwerking van amandelen en één voor verse meloenen. Beide producten werden in Balkh alweer in overvloed verbouwd. Het was een vervolg op het ontwikkelingsproject waar ik een jaar eerder bij betrokken was geweest als adviseur. Toen had ik een aantal ondernemingsplannen gemaakt; die moesten we nu gaan implementeren. In de fabriekjes konden producten worden gesorteerd, schoongemaakt, gepeld en verpakt om op transport te worden gesteld voor de export. De bedrijven moesten de boeren garanderen dat ze hun oogst zouden afnemen tegen een eerlijke prijs. Terwijl ik de fabrieken zou helpen, verzorgde de NGO de training van de boeren en nam de projectleiding op zich. Ik was enthousiast over het project; ik had een praktische aanpak bedacht waarvan ik resultaat verwachtte.

De andere NGO’s stelden voor om boerencoöperaties op te richten, die de fabrieken moesten gaan runnen. Onze aanpak was anders: wij voorzagen dat een bestaand bedrijf financieel investeerde in een nieuwe fabriek en deze runde en leidde. Wij stelden een pakket voor aan financiële en technische assistentie voor het bedrijf, trainingen en de verstrekking van gereedschappen voor haar leveranciers. Een van de NGO-medewerksters, een Deense, verweet ons niets te doen aan armoedebestrijding. ‘Jullie zorgen ervoor dat de armen weer geen kansen krijgen. Straks knijpen die bedrijven de boeren af.’

‘Ik denk niet dat boeren een fabriek kunnen runnen,’ verdedigde ik onze aanpak. Het was mijn eerste ontwikkelingsproject; ik had eerder wel foto’s gemaakt van projecten, maar dat was toch iets anders. Ik was nog niet bekend met de gangbare opvatting binnen de ontwikkelingswereld, die op mij overkwam als ouderwets, dat zaken doen verdacht was. Het idee dat trade beter was dan aid had nog niet postgevat. De traditionele benadering wees directe assistentie aan bedrijven af en stimuleerde de oprichting van en samenwerking met boerencoöperaties.

Ik wist weliswaar weinig van landbouw, maar mijn kennis en ervaring in zaken maakten dat ik er anders naar keek. Bij andere buitenlandse adviseurs was vaak het omgekeerde het geval. Ze konden precies vertellen op welke temperatuur een meloen het beste kon worden geoogst en hoe de fruitvlieg te bestrijden, maar hadden van marketing minder verstand. Ik had diverse projecten bestudeerd en was tot de conclusie gekomen dat wat tot nu toe was gedaan vaak niet had gewerkt in Afghanistan. Meestal werd alleen gewerkt aan de verbetering van de productie. Onze aanpak was geen pro-poor programma, daar waren andere projecten voor. Dit project beoogde de ontwikkeling van bedrijvigheid op MKB-niveau binnen een termijn van twee jaar.

‘De boeren kunnen niet lezen, schrijven of rekenen. Voordat jullie ze hebben georganiseerd gaan er drie jaar overheen. En dan wil je ook nog dat ze gaan exporteren? Binnen een termijn van twee jaar? Dat lukt niet.’

Kamela Sediqi, een Afghaanse zakenvrouw, die naast me zat, stootte me aan en fluisterde in mijn oor: ‘Ik heb nog niet gezien dat het lukt, met die coöperaties.’ Wij hadden samen gesproken over onze aanpak; ook zij geloofde dat dit de beste manier was. Ik merkte dat het een voordeel was om buitenlander te zijn; in een grote vergadering als deze was ik niet bang om anderen tegen te spreken, ook waren dat onderministers en adviseurs. Zij durfde dat kennelijk niet.

‘Bovendien hebben de boeren een cash-flow probleem. Zij kunnen geen krediet krijgen bij de banken. En de handelaars zijn wel bereid om ze geld te lenen.’ Dat was een informele regeling tussen boeren en handelaars die altijd goed had gewerkt.

‘Wie bepaalt dan met welk bedrijf jullie gaan werken? Het is niet eerlijk als het ene bedrijf wel steun krijgt en het andere niet. Dat is oneerlijke concurrentie.’

‘Daar is het een pilot voor,’ zei ik. ‘Wordt het een succes, dan kan de aanpak worden herhaald. Zo niet, dan kan die worden aangepast. Bovendien heeft het bedrijf dat deelneemt aan dit project verplichtingen. Ze moeten geld en tijd investeren. Wij gaan het bedrijf niet voor ze runnen.’

‘Waarom zetten jullie niet een RFP[1] uit?’ stelde de Zweedse directeur van een van de NGO’s voor. Dan kon het MRRD een afgevaardigde in de beoordelingscommissie zetten. Dat vonden de ambtenaars een goed idee. Ik zuchtte. Ik had gehoopt dat we dat zelf zouden mogen bepalen. Nu kregen we te maken met administratieve rompslomp en tijdrovende procedures. Zo ging het als je met een overheid werkte, begreep ik. Ik legde me erbij neer.

‘De bedoeling is dat de boeren een eerlijke prijs krijgen.’ Ik legde verder uit hoe dat zijn werk zou gaan: ‘Nu oogsten boeren de meloenen als ze tegen de tien kilo zijn. Ze redeneren dat de opbrengst dan het hoogst is, omdat 4-5 Afs per kilo wordt betaald. Voor de export heb je meloenen nodig van 5 kg. Daar wil de fabriek 5-10 Afs per kg voor betalen.’

‘Hoe kan je dat afdwingen?’ De Deense was nog steeds niet overtuigd.

‘Wij zijn er bij. De boeren zijn ook niet dom. Zodra die horen dat de meloenen voor de export zijn, gooien ze vanzelf de prijs omhoog.’ Dat had een Franse hulporganisatie die een katoenfabriek in Balkh was gestart ontdekt. Ze had boeren assistentie verleend om katoenplantages op te zetten en gratis katoenzaad en meststoffen verstrekt, in ruil voor afname van de opbrengst tegen een van tevoren vastgestelde prijs. Toen het op oogsten was aangekomen bleek dat de boeren op de zwarte markt een betere prijs konden krijgen. De katoenfabriek werd gedwongen ruwe katoen voor een veel hogere prijs in te kopen dan oorspronkelijk begroot.

‘Hoe kunnen jullie er voor zorgen dat vrouwen ook betrokken raken bij de onderneming?

Realistisch gezien was dat niet mogelijk bij het meloenenproject. Dat vroeg om fysiek zwaar werk in het veld. Wat wel kon was vrouwen inzetten bij het sorteren en pellen van de amandelen. Dat gebeurde ook al in Kabul. De onderminister was overtuigd. Wij kregen zijn fiat om aan het werk te gaan.

 



[1] Request For Proposal, een officiële aanbestedingsprocedure.

In zaken

Klanten vonden mijn kantoor door mond-op-mond reclame. Een van de eersten die zonder afspraak mijn kantoor binnenwandelde was een Oezbeekse krijgsheer, een omvangrijke man met donkere baard doorspekt met witte plukjes, gekleed in traditionele shalwaar kameez en tulband. Hij arriveerde in een donkergrijze Toyota met getinte ramen, met twee gewapende bodyguards. Eentje bleef op straat bij de auto achter, om te voorkomen dat daar iets mee gebeurde, de ander vergezelde zijn baas mee naar binnen. Op mijn verzoek nam deze geüniformeerde man plaats op een stoel buiten het kantoor.

De noorderling vertelde over zijn handelsfirma die een portfolio aan producten beheerde. Zoals hij waren er velen die een wijds portfolio van belangen hadden, variërend van bouw, beveiliging, logistiek en handel. Dat heette vaak een Group of companies. Menigeen had zelfs een NGO. Net als bijna iedere klant beweerde ook hij in zaken te zijn gegaan om zijn landgenoten te helpen, om werkgelegenheid te creëren.

De Oezbeeks belangrijkste product was diesel, die hij importeerde uit Kazakhstan. Er gingen miljarden in de branche om, om te voorzien in de behoefte aan brandstof. De pas gebouwde elektriciteitscentrale van Kaboel draaide erop, evenals alle legerbasissen in en om de stad. Buitenlandse hulporganisaties lieten 24 uur per dag noodaggregaten draaien. De handel in brandstoffen in het algemeen en diesel in het bijzonder werd beheerst door twee grote partijen, zakelijke conglomeraten met een portfolio van uitlopende belangen, die zich als maffia gedroegen. Ik hoorde over smokkel, ontduiking van invoerbelasting en het aanlengen van benzine met producten van ondermaatse kwaliteit. Een kennis die bij een buitenlandse firma werkte had tevergeefs geprobeerd deze markt te penetreren. Zijn bedrijf had zich uit Afghanistan teruggetrokken. Het leek mij beter niet bij deze handel betrokken te raken. Ik complimenteerde hem uitgebreid met zijn succesvolle zaak, om de boodschap wat te verzachten.

Hij vroeg me te investeren in zijn bedrijf. Ik legde uit dat ik als consultant niet investeer in bedrijven.

‘Waarom wil je niet investeren mijn bedrijf?’ drong hij aan. ‘Dan ben je toch mede-eigenaar. Dan doen we het samen. Dan verdien je goed. Dan kunnen we beiden goed verdienen.’

Mocht hij in illegale activiteiten verwikkeld zijn, dan was ik ook de klos.

‘Je hebt zeker al genoeg aan ons verdiend,’ zei de Oezbeek boos. Hij deed alsof ik de morele verplichting had om geld te investeren in Afghanistan, bij voorkeur in zijn onderneming. Ik ontweek de kwestie door te beginnen over landbouwproducten. Hij exporteerde rozijnen naar de voormalige Russische republieken. ‘Daar kan ik je wel mee helpen,’ bood ik aan. Ik legde uit dat het mogelijk was om een lening of een subsidie te krijgen voor het opzetten van verwerkings- en verpakkingsfaciliteiten voor de export.

Mocht hij geld nodig hebben voor een uitbreiding van zijn onderneming kon ik hem – tegen betaling uiteraard – helpen om een lening of een subsidie aan te vragen. Dat was niet waar hij voor was gekomen. Op weg naar de deur had hij een onderonsje met Ajmal. Die begeleidde hem lachend naar de poort.

‘Hij beschuldigde je ervan om geld te verdienen en er dan vandoor te gaan. Ik zei dat je overal zou kunnen werken, maar dat je hier bent om te helpen’.

Dat wilde er bij de Oezbeekse krijgsheer niet in: ‘Buitenlanders zijn hier om zoveel mogelijk geld te verdienen.’

Een Tajik, gekleed in shalwaar kameez, met een pakul op het peper-en zoutkleurige haar, gladgeschoren, kwam met een gevolg. Hij liet zich vergezellen door gewapende bodyguards en stond erop dat een van hen mee naar binnen ging. Hij vroeg me om fulltime te komen werken in zijn bewakingsbedrijf. Ik zou fungeren als een zogenaamd ‘western face’, het aanspreekpunt voor internationale opdrachtgevers, en ‘dag en nacht’ beschikbaar moeten zijn. De beveiligingssector was een van de meeste lucratieve industrieën in de naoorlogse economie. Er waren honderden van deze bedrijven die de buitenlandse organisaties, ambassades en projecten moesten bewaken. Ik ben principieel tegen het gebruik van wapens. Daarom zei ik vriendelijk dat ik me al gecommitteerd had aan een aantal andere bedrijven en dus niet fulltime beschikbaar was. De man leek niet te kunnen bevatten dat ik niet op zijn aanbod in wilde gaan.

‘Wat voor bedrijven zijn dat dan?’ vroeg hij wantrouwend.

Ik gaf een aantal voorbeelden van kleinere bedrijven en paste op om geen namen te noemen. Ik kon niet inschatten hoever de man zou willen gaan om ze te ontmoedigen aanspraak op mijn tijd te doen.

‘Landbouw? Daar zit toch geen geld in?’ Hij wuifde met zijn handen, als om vliegen weg te wapperen. ‘Dat is klein grut. Die zeg je maar af.’ Hij vermoedde dat ik alleen maar tegensputterde om mijn onderhandelingspositie te versterken.

‘Bij mij kan je verdienen wat je wilt. Ik verdien geld genoeg. Je zegt het maar. Vijfduizend dollar per maand? Acht? Tien? Ik geef je een blanco check. Je vult het bedrag zelf maar in. ‘

Hij keek ongelovig toen ik ook dit aantrekkelijke aanbod afwees. Afghaanse mannen hadden moeite met afwijzingen.

Ik had gegronde reden om niet in zee te willen gaan met bewakingsbedrijfjes. Al lang was duidelijk dat de ontwapeningscampagnes grotendeels waren mislukt. Krijgsheren, commandanten en militieleiders waren privé-bewakingsbedrijven begonnen om de wapens te kunnen behouden. Dat was op zich geen gekke oplossing: een groot deel van de mannelijke bevolking was nooit anders dan soldaat geweest en door ze in te zetten in de bewaking zouden ze in ieder geval niet toetreden tot de gelederen van de Taliban.

De Tajikse zakenman gaf zich nog niet gewonnen. Hij nodigde me uit om zijn stamgenoot oud-president Rabbani te ontmoeten, de leider van de Noordelijke Alliantie. Ze bereidden zich voor op de volgende presidentsverkiezingen. ‘Wellicht dat je hem kan helpen om geld in te zamelen bij westerse donoren voor zijn campagne?’

Uit pure nieuwsgierigheid ging ik met hem mee. Uit respect voor de strenggelovige Afghaanse oud-president hield ik mijn hoofddoek tijdens de vergadering op. Op de terugweg vroeg de zakenman: ‘Misschien dat ik vanavond bij je langs kan komen om TV te kijken? Dan neem ik wat leuke Dvd’s mee.’

‘Dat lijkt mij zeer ongepast,’ zei ik.

‘Je moet mij maar zien als je broer. Je weet, als je een probleem hebt, dan kun je me altijd bellen. Dus dan kan het wel.’

‘Mijn echtgenoot zou het niet goed vinden.’ Toen vriendelijke terechtwijzingen niet aankwamen, voelde ik me genoodzaakt aan de rem te trekken.

‘Hij is je heel dankbaar dat je zo goed voor me wilt zorgen.’ Dat wreef het er nog even in. Mijn echtgenoot zou dat vast met me eens zijn. De Tajik keek beteuterd.

Sommige bedrijven dachten dat ik gefinancierd werd door een donor en gratis diensten kon aanbieden. Na de ontvangst van mijn offerte waren er dan ook die niets meer van zich lieten horen. Afghaanse bedrijven waren niet gewend om te betalen voor dienstverlening. Ze stelden bijna altijd eerst voor dat ik op commissiebasis voor ze werkte. Soms had een bedrijf echt geen geld. Om ze toch te kunnen helpen sloot ik dan een no cure-no pay contract, dat ik pas betaald werd als ze een lening of subsidie kregen van een financiële instelling of een bepaald project hadden binnengehaald.

Toen ontmoette ik twee ondernemers die een verpakkingsfabriek voor noten en gedroogd fruit wilden beginnen. Ze hadden al een verpakkingsmachine aangeschaft. Nu vroegen ze mijn hulp bij het maken van een ondernemingsplan om een lening aan te vragen. Deze jonge Hazara-zakenmensen ervoeren een drempel om bij een buitenlandse organisatie voor een lening of een subsidie binnen te stappen. Ze wisten niet hoe ze een ondernemingsplan moeten maken. Daar kon ik ze bij helpen.

In diezelfde week ontving ik een telefoontje van Azizullah, een zakenman uit Kandahar. Een jaar eerder had ik hem geholpen met een aanvraag voor een lening om een sapfabriek in Kandahar te kunnen opstarten. Toen was het budget van de bank niet toereikend geweest. De man was eigenaar van een grote fabriek in Kandahar, dat naast mineraalwater ook cola en andere frisdranken produceerde. Dit miljoenenbedrijf had geen boekhouding. Het grootste deel van de zaken gingen in cash. Hij noteerde transacties in een klein zwart boekje dat hij altijd op zak droeg. De rest ging via de bankrekening. Ik had rondgevraagd of hij drugsconnecties had, omdat hij ook in Kandahar kwam. Hij was koosjer, had ik gehoord.

US AID had Azizullah mondeling toegezegd dat hij een lening zou krijgen van twee miljoen dollar. Het bedrijf kon banen scheppen in een instabiele regio, waar de hoge werkeloosheid de Taliban nieuwe rekruten opleverde. Het enige wat hij nog moest doen was een nieuw ondernemingsplan laten maken, om de winstgevendheid van de onderneming te bewijzen. Samen met de zakenman bezocht ik de financierende instantie. De Amerikaanse medewerkers was reuze enthousiast. Ze verzekerden ons dat het slechts een formaliteit was. Ze gaven me instructies voor het ondernemingsplan. Azizullah nodigde de Amerikanen uit om de fabriek in Kandahar te bezoeken. Onderling maakten ze daar afspraken over. Wij namen afscheid van de projectmedewerkers en ik toog later op de dag aan het werk.

Ik was tevreden met deze ontwikkelingen. Ik besloot me te richten op het opstarten en ondersteunen van duurzame bedrijvigheid. Eindelijk was ik dan op het juiste pad met het bedrijf.