In Mazar-e Sharif (3)

Andrew en zijn onderzoeksteam deden uitgebreid onderzoek naar de verschillende economische activiteiten in het gebied. Tijdens de Ramadan dreef hij de Afghanen tot wanhoop met zijn tomeloze werklust, terwijl zij geen energie hadden om tot ver in de middag door te werken. Volgens een strak schema moesten ze iedere dag op pad om interviews af te nemen met handelaars en boeren. Zo onderzochten ze onder meer de beschikbaarheid van de belangrijkste grondstof voor de tapijtindustrie: wol.

Afghaanse wol staat bekend als de beste ter wereld vanwege haar kleurbestendigheid en weerstand tegen slijtage. Zij is bij uitstek geschikt voor handgeknoopte tapijten, die minstens een eeuw mee moeten kunnen gaan. Er bleek schaarste op de markt te heersen. De wol werd opgekocht door Pakistaanse handelaars, waardoor Afghaanse wevers aangewezen waren op geïmporteerde wol uit Irak en België. Maar de werkelijke oorzaak van de schaarste was de kleine veestapel. Er was vooral een tekort aan witte schapen, wier wol kan worden geverfd. In een van de districten vlakbij de stad, Deh Dadi, was daarom een schapenbank opgezet door een project dat zich richtte op de uitbreiding en verbetering van de veestapel. Deelnemende veehouders kregen vaccinaties, voer en toegang tot waterputten en medische hulp voor zieke dieren. Ze betaalden per jaar een vast percentage van het aantal schapen in vrouwelijke lammeren terug aan de schapenbank, die ze op hun beurt uitzette bij de allerarmsten.

Het door de Belgische koninklijke familie gefinancierde project werd uitgevoerd door een stichting uit Thailand, in samenwerking met het Afghaanse Ministerie van Landbouw. Provinciaal gouverneur Mohammad Atta Noor zou het idee er voor hebben aangedragen. Door de merkwaardige samenwerking van partijen vermoedden Andrew en ik zaken die het daglicht niet kunnen verdagen. Zouden de Belgen alle ruwe wol opkopen, schoonmaken en spinnen om het onder de label Belgische wol terug te verkopen aan de Afghaanse tapijtindustrie? We reden met een werknemer van het project, Ahmad Khalid, een pientere jonge Afghaan in westers kostuum met krijtstreep van goede snit en kwaliteit, naar Deh Dadi, waar de kudden zich rond dit tijdstip bevonden.

‘Komen de Belgen wel eens kijken?’ informeerde Andrew nonchalant.

‘Meneer Peter van de Belgische Ambassade heeft pas het project bezocht. Hij wilde graag naar Samarkand op vakantie. Hij vroeg of ik met hem mee wilde gaan als gids.’ Dat was de hele supervisie van het project geweest.

Andrew vroeg Ahmad Khalid om een interview met grote veehouders voor hem te regelen. Bijna als een hoeder begeleidde de Afghaanse manager drie boeren naar het gloednieuwe en goed geoutilleerde kantoor van zijn organisatie. De mannen, gekleed in shalwaar kameez en tulband met een fiere pluim, spraken geen woord Engels. Na lang nadenken kwamen ze met een pluspunt van het project: ‘Er gaan minder dieren dood.’ De traditionele schapenhouders kwamen uit families waar kuddes vaak van vader op zoon worden doorgegeven. Ze huurden nomaden in om de schapen voor ze te hoeden, terwijl zij het land bewerkten. Door het bezit van landbouwgrond waren ze grotendeels zelfredzaam. Wanneer ze geld nodig hadden, verkochten ze wol of een huid. Dan was de nood vaak zo hoog, dat ze geen tijd hadden om te onderhandelen over de prijs. Plaatselijke wolkopers maakten geslepen gebruik van de naïviteit van armlastige boeren door onderling prijsafspraken te maken. Het vlees van een dood schaap bracht veel meer op dan de wol, maar dan waren de herders een belangrijke inkomstenbron kwijt. Al met al, zo berekenden de schapenhouders, waren de kosten van de schapenteelt eigenlijk hoger dan de opbrengsten. ‘Ooit was het beter.’ Ze vonden het moeilijk om precies aan te geven wanneer dat was, in ieder geval ‘voor het communistische tijdperk’.

‘We doen een onderzoek naar de waardenketen van wol,’ legde Andrew uit, in opdracht van het Ministerie, teneinde de situatie van het bedrijfsleven te verbeteren in Mazar-e Sharif. Dat gaat ze boven de pet. Dat was taalgebruik uit een andere wereld. Ze keken elkaar eens aan en knikten beleefd. Andrew’s betoog in het hete-aardappel-in-de-keel Oxford-Engels leverde ook glazige blikken op bij de vertaler. De Brit moest een onderzoeksrapport schrijven voor de donor dat ging over ondernemerschap, marketing, branding en service, woorden die op geen enkele manier de realiteit beschreef die deze boeren kenden.   Hoe zouden traditionele Afghaanse veehouders, die niet eens kunnen lezen en schrijven, moeten weten wat ‘branding’ betekent, dacht ik. Mijn studenten hadden al moeite met het begrip gehad. Deze werelden botsten. Ik moest op mijn tong bijten om Andrew niet te corrigeren.

‘Van welke diensten zou u als ondernemer gebruik willen maken?’

Het woord ‘service’ stelde de schapenhouders ook voor een probleem.

‘Wij zijn backwater boeren, wij weten niets. Wij staan volledig tot uw dienst,’ zeiden ze ten einde raad. We are at your service’ luidde de Engelse vertaling van het Dari. Ze wilden ons het liefst het antwoord geven dat wij wilden horen, maar ze hadden geen idee wat dat zou kunnen zijn. Ze begrepen niet wat wij van hen wilden.

‘Hebben ze bijvoorbeeld wel eens geld geleend bij een bank?’ hielp ik Andrew een handje.

Die mogelijkheid bestond bij hun weten niet in Mazar-e Sharif.

‘Als ze geld zouden kunnen krijgen, wat zouden ze er dan mee doen?’

‘De vrouwen willen graag sieraden kopen. En we hebben van alles en nog wat nodig voor het huis.’

Andrew probeerde het opnieuw. Ik schoof ongemakkelijk op mijn stoel. Zijn onvermogen zich in te leven in de realiteit van de boeren vond ik gênant.

‘En om te investeren in de zaak?’

‘Daar hebben we toch nooit genoeg geld voor.’

‘Zouden jullie geld willen lenen bij de plaatselijke bank?’

‘Ze vragen er te veel geld voor. Dat kunnen we niet betalen. De regering heeft beloofd te investeren in een leerlooierij en een fabriek voor het schoonmaken en verwerken van wol. Daarom zijn we blij met dit project, omdat de regering iets voor ons doet.’ Feitelijk was de overheid alleen in naam verantwoordelijk voor de ontwikkelingsprojecten, die volledig werden betaald en uitgevoerd door buitenlandse organisaties. De bedoeling was daarmee wel om de bevolking te laten zien dat de regering ze hielp.  Wanneer dat precies allemaal ging gebeuren, dat wisten ze niet.

‘Inshallah’.

‘Er worden haalbaarheidsstudies gedaan’, beantwoordde Ahmad Khalid die vraag tenslotte voor de boeren. Dat was hét antwoord op alle vragen in ontwikkelingssamenwerking.

Gedurende de volgende weken spraken we met boeren, producenten en handelaars. NGO’s richtten zich vooral op de boeren en richtten coöperaties op om economische ontwikkeling te stimuleren. Dat deze analfabeet waren maakte de taak er niet makkelijker op. Ik concludeerde dat we ons beter op de handelaars konden richten, tenminste als we export voor ogen hadden. Het schapenproject was slechts een jaar oud; alle inspanningen van de Thai, de Belgen en de Afghaanse overheid ten spijt, had het de levens van de boeren nog niet wezenlijk verbeterd. Tot nu toe waren de enigen die er van hadden geprofiteerd, naast de werknemers van het project, dertigduizend gehoefde viervoeters.

Toen mijn onderzoek was afgerond reisde ik terug naar Kabul om mijn rapportage te maken. Voor de PRT-vlucht naar Kabul waren geen stoelen vrij. Ik stelde de organisatie voor om een auto beschikbaar te stellen voor mijn terugreis. Ik reisde graag over de weg, omdat ik zo meer van het land kon zien. Een andere consultant die voor de Britse hulporganisatie werkte besloot met me mee te rijden. Voor ons transport zette de NGO een onopvallende grijze Toyota Corolla in, met chauffeur en een extra begeleider voor de veiligheid. De tocht van 425 kilometer kon in gunstige omstandigheden in vijf uur worden afgelegd, of acht uur duren wanneer het verkeer tegenzat. Snelweg A76 voert van de noordelijke steppe, via de Salangpas op meer dan 3300 meter hoogte, door Pul-e Chumri, naar het laagland van de Shomalivlakte. De Russen volgden deze route bij de inval van Afghanistan: de grondtroepen en tanks reden bij Termez in het huidige Oezbekistan het land binnen en trokken via Mazar-e Sharif door de Salangtunnel – ooit door henzelf aangelegd – naar Kabul. Naarmate we verder stegen in het gebergte daalde de temperatuur in de buitenlucht. Binnenin de 4WD blies de airconditioning warme lucht. Nu het verkeer was toegenomen was de smalle tunnel een grote flessenhals geworden. Bij de nauwe, onverlichte Salangtunnel ontstonden vaak files, maar deze keer niet. Daar aangekomen begon het zachtjes te sneeuwen. De winter was begonnen.

In Mazar-e Sharif (2)

Na de lunch in het pension vergezelde Andrew me op een verkenning van de stad. Onze eerste stop was de beroemde Hazrat Ali Moskee. Daar ligt volgens Afghanen de vierde orthodoxe kalief Ali, neef en schoonzoon van de profeet Mohammad, begraven. Iraakse moslims zijn het niet eens met die visie, die denken dat het graf van Ali in Najaf ligt. Afghanen geloven in de legende dat het lichaam van Ali na zijn dood door een vrouwelijke kameel werd weggedragen, om te voorkomen dat zijn vijanden er wraak op zouden kunnen nemen. Op de plek waar de kameel ineenzakte van vermoeidheid werd Ali ter aarde besteld. Dat zou op deze plek in Mazar-e Sharif zijn geweest. Sultan Ali Mirza liet Ali’s tombe in de eerste helft van de vijftiende eeuw bouwen. Honderdduizenden sjiieten maken jaarlijks tijdens Now Roz, het Perzisch Nieuwjaarsfestival, een pelgrimstocht naar deze moskee om Ali te eren.

De Blauwe Moskee met de kleine azuur- en kobaltblauwe tegeltjes, gerangschikt in ontelbare verschillende bloemenpatronen, was prachtig tegen de hemelsblauwe lucht en de opvliegende witte duiven, maar van miniatuurformaat. De schaal was veel kleiner dan ik op grond van foto’s had verwacht. Ik voelde me bijna een reus. Heilige gebouwen zijn er vaak op ontworpen om een individuele gelovige in het niet te doen zinken. In de Blauwe Moskee in Istanbul had ik me overweldigd gevoeld door de immense afmetingen van de gebedshal, imponerend in al zijn soberheid. Ik, die in geen jaren meer naar de kerk was geweest, ging naast de gelovigen op de Perzische tapijten zitten en bad: het was een diep spirituele ervaring geweest. Dat gebeurde me hier niet.

Mazar-e Sharif was ooit het centrum van de Afghaanse tapijtindustrie. Tijdens de burgeroorlog waren honderden dorpen en daarmee duizenden weefsters, naar Pakistan gevlucht. In de vluchtelingenkampen hadden ze de weefgetouwen weer opgezet en hun handarbeid hervat. De bloeiende handel in handgeknoopte tapijten was daarmee naar het buurland verschoven, die de producten op de wereldmarkt verkocht met een ‘Made in Pakistan’-label. Hoewel een groot deel van de weefsters was teruggekeerd naar het geboorteland, werd bijna negentig procent van alle Afghaanse tapijten nog steeds via Pakistan geëxporteerd. Ik wilde in Mazar onderzoeken of het mogelijk was om de handel terug te brengen naar Afghanistan.

Ten oosten van de moskee bevonden zich de tapijtwinkels. Op het heetst van de dag was er geen mens te bespeuren. De zaken gingen slecht. De meeste handelaars lagen te slapen bovenop hun koopwaar. Een handelaar gooide de handgeknoopte tapijten theatraal een voor een voor zich uit. Om ze bij ons aan te prijzen liep hij liep er op blote voeten over heen en weer. Hij zette mij aan hetzelfde te doen.

‘Voel je het verschil?’

‘Dit is een goedkoop tapijt, en dit’, hij stalde een rijk gedecoreerd donkerrood kleed met vleug uit, ‘is een van de beste’. Hij sloeg een hoek van het tapijt om. ‘Kijk, je moet het aantal knopen tellen. Dit zijn er meer dan 300. En die goedkope: dat zijn 80 knopen per vierkante centimeter.’ Ik voelde het fluweelzachte materiaal verleidelijk langs mijn voeten strelen.

‘Die vermiljoenrode basiskleur is verkregen met het sap van de granaatappel.’

Tapijthandelaars kochten de kant-en-klare tapijten in op het platteland, waar vrouwen thuis lange dagen aan het weefgetouw werkten. Soms gaven ze geverfde wol en patronen aan de vrouwen om er een gereed product voor terug te krijgen.

‘Tegenwoordig koop ik niet meer dan één tapijt per maand in.’

‘Hoe gaat het met de verkoop?’

Hij haalde zijn schouders op. Ook aan mij kon hij geen tapijt slijten; al had ik voldoende geld bij me gehad, dan zou ik er vast niet in slagen om de vracht op de vlucht naar Kabul te krijgen. Zeshonderd dollar leek me rijkelijk veel, zelfs voor een goed tapijt. Ik was geen tapijtkenner. Ik kocht wel een zilveren ketting en een zilveren amulet ingelegd met stukjes koper, lapis lazuli en turkoois.

Andere handelaars verkochten kelims, geweven dekens, en op quilts lijkende wandkleden, die ter decoratie in traditionele huizen en yurts in Turkmenistan en Bokhara hangen. De winkeliers waren aangewezen op buitenlanders, aangezien Afghanen de dure handgeknoopte tapijten niet konden betalen en de voorkeur gaven aan machinaal vervaardigde, veel goedkopere tapijten uit Turkije en Iran. Buitenlanders waren er niet veel in Mazar-e Sharif.

‘Onder de Taliban was het beter,’ zuchtte een handelaar. ‘Er kwamen toen meer buitenlanders, die voor NGO’s werkten.’

Een andere handelaar exporteerde af en toe kant en klare tapijten naar Pakistan. ‘Dat is een riskante onderneming. Onderweg worden tapijten die in de open laadbak van de truck liggen gestolen door dieven of corrupte douanebeambten in plaats van importbelasting te heffen.’

‘Waarom exporteren jullie niet direct?’

‘We hebben geen contacten meer met de westerse markt. Ooit wel. Voor de oorlog. Nu heb ik niet eens een paspoort meer. En om een visum te krijgen voor Amerika of Europa, dat is niet mogelijk.’

‘Er zijn niet voldoende goede faciliteiten hier. We kunnen alleen ruwe tapijten afleveren. Ze gaan voor de afwerking naar Pakistan en worden vervolgens van daar uit geëxporteerd.’

Het grootse deel van de winst ging aan hun neus voorbij.

‘Die Pakistani hebben ons in de tang. Wij moeten de chemicaliën om de tapijten te wassen bij hen inkopen. Die zijn niet in Afghanistan verkrijgbaar.’

Door die speciale wassing kreeg een nieuw tapijt de look en feel van een klassiek antiek tapijt waar een kenner veel geld voor neertelt.

Het was voor de Afghaanse tapijtindustrie van groot belang dat er voldoende faciliteiten waren, om te voorkomen dat de tapijten voor de afwerking naar Pakistan moesten worden gestuurd. Op zoek naar een was- en snijfaciliteit voor tapijten gaf de Britse hulporganisatie me de volgende dag een auto met chauffeur en een vertaler mee. We reden naar het nieuwe industriële park aan de zuidkant van de stad, waar er een zou zijn gevestigd. Ongeplaveide wegen leidden door een doolhof van ommuurde terreinen. Er viel weinig bedrijvigheid te bespeuren, in ieder geval geen af- en aanrijdende trucks. Op iedere straathoek stond een met een Kalasjnikov bewapende agent. De Minister van Binnenlandse Zaken zou die dag een bezoek aan de gouverneur van Balkh brengen. Twee dagen eerder waren vier politieagenten en een commissaris bij een aanslag in de aangrenzende provincie om het leven gekomen. De politie en het leger waren daarom in de hoogste staat van paraatheid.

Ik stapte net uit de auto om een foto van het braakliggende terrein te maken, toen een donkergroene pick-up met witte letters naast ons stopte. ‘Wat doen jullie hier?’ wilde de politie weten. Ze droegen de chauffeur op de achterbak van de auto open te maken. Terwijl een agent onder de motorkap keek en een ander een spiegel onder de auto door haalde op zoek naar explosieven, kwam een derde in de auto om mijn tas te doorzoeken. Ik pakte mijn camera en toonde de foto’s die ik ermee had gemaakt. Dit was een routine-check, dacht ik. Onze organisatie maakte gebruik van personenauto’s om onopvallend te kunnen reizen, omdat de grote witte SUV’s met de blauwe UN-letters vaak het doelwit waren van aanslagen. Maar ook zelfmoordenaars rijden in personenauto’s.

De agenten troffen problemen aan. De auto stond niet op naam van de NGO. Ik had geen identiteitskaart met het logo van mijn werkgever. De brief die ons toestemming gaf om onderzoek te verrichten in Mazar-e Sharif lag op kantoor. De politie droeg ons op hen te volgen naar het bureau voor verhoor. Ik nam de route aandachtig in me op, om zo te weten waar ik was. We reden ongeveer een kilometer en stopten aan de weg. Daar stonden politieauto’s op de oprit van een twee verdiepingen hoog lemen gebouw.

‘Volgt u mij,’ blafte de commandant, een oudere man met zwarte baard. De kleine gedrongen gestalte ging het gebouw binnen en gebaarde mij hem te volgen. Er schoot van alles door mijn hoofd. Ze konden mijn camera en geld in beslag nemen. Niemand wist waar ik was. Er kon ik weet niet wat allemaal gebeuren. Ik bleef voor de deur van het politiebureau staan.

‘Komt u mee,’ drong de commandant aan.

Ik schudde mijn hoofd. Ik wilde eerst met iemand van mijn organisatie bellen.

‘U mag niet bellen. U gaat mee naar binnen. Ik wil u een paar vragen stellen. U hebt geen papieren. U gedraagt zich erg verdacht. Wij moeten u verhoren.’ Hij sprak geen Engels, toch begreep ik de strekking van zijn woorden.

‘U garandeert mijn veiligheid?’ Hij beloofde het. Desondanks durfde ik het niet aan.

Met mijn armen over elkaar liep ik in de richting van de weg. Daar ging ik staan. De commandant verdween driftig stampend in het kantoor, in zijn kielzog gevolgd door mijn chauffeur en vertaler. Ik zag hem door een raampje op de eerste verdieping kijken naar wat er op de binnenplaats gebeurde. De politieagenten waren verbijsterd. Ze wisten niet goed wat te doen. In spiksplinternieuwe, door de Amerikanen gefinancierde, groene uniformen stonden ze me aan te gapen. De nieuwsgierige blikken negerend grabbelde ik in mijn tas naar mijn mobieltje. Daar zat geen krediet meer op. Ik pakte een telefoonkaart uit mijn portemonnee, kraste de code tevoorschijn, tikte die met trillende handen in en kreeg Andrew aan de lijn. Ik vertelde hem waar ik was. Hij beloofde om iemand te sturen die me bij de ondervraging kon bijstaan. Een jongere agent stapte aarzelend naar voren. ‘Wat is het probleem?’ vroeg hij in het Engels.

‘Ik heb geen probleem,’ zei ik zo kordaat mogelijk. ‘Jullie hebben kennelijk een probleem. Wat is jullie probleem?’

Aanvankelijk was ik er niet helemaal zeker van geweest of mijn aanpak de juiste was. Toen ik merkte dat de agenten me kennelijk niet hardhandig wilden aanpakken, groeide mijn vertrouwen. Ik liep heen en weer langs de kant van de weg. Minuten tikten weg en hulptroepen arriveerden niet. Na wat een uur leek, maar uiteindelijk slechts twintig minuten geweest moest zijn, kwam mijn vertaler opgelucht naar buiten met de commandant. Iemand van de NGO had gebeld met het hoofd van de geheime dienst in Mazar-e Sharif. Het was allemaal een misverstand. Ik was vrij om te gaan. De commandant probeerde zich een houding te geven. Hij wilde voorkomen dat mij iets zou gebeuren: ‘Het is vandaag niet veilig in de stad.’ Hij kon moeilijk beweren dat hij mij ervan verdacht een aanslag op de minister te willen plegen.

Andrew was behoorlijk geschrokken van mijn avontuur. We gingen naar de bar van het VN-pension om een stevige borrel te drinken op de goede afloop.

‘Geen dag zonder avonturen. Dat ik een consultant uit de handen van de politie moet redden is toch weer iets nieuws.’

‘Je hebt uitstekend gehandeld. Je wist precies waar je was. Daardoor was het zo eenvoudig om de juiste politiecommandant te vinden. Raakte je niet in paniek?’

‘Nee hoor,’ zei ik stoer. Na ruim twee jaar in Afghanistan was ik niet meer zo snel bang te krijgen.

 

In Mazar-e Sharif

Afghanistan was voor de meeste voedselproducten afhankelijk van import uit Pakistan, Iran en de Verenigde Arabische Emiraten. Diverse hulporganisaties hielden zich bezig met het onderzoeken van de economische kansen om Afghanistan de mogelijkheid te geven zelf te exporteren of om lokaal productie op te starten en zo de afhankelijkheid van import te verminderen. Een Britse NGO vroeg mij om een project in Mazar-e Sharif te adviseren over de economische mogelijkheden van het gebied. Het noorden van Afghanistan is klimatologisch geschikt voor landbouw. Het is minder heet in de zomer en minder koud in de winter dan de rest van het land. Het akkerland wordt bevloeid door hoger gelegen rivieren en er bestaat een goed systeem van irrigatiewegen, wat twee oogsten per jaar mogelijk maakt.

Mazar-e Sharif is de hoofdstad van de provincie Balkh, genoemd naar een stad die door Alexander de Grote werd gesticht en door de Mongoolse horden met de grond gelijk gemaakt. Mazar ontworstelde zich aan de schaduw van het roemruchte Balkh en groeide uit tot de belangrijkste stad in het noorden van het land, de op drie na grootste van Afghanistan. De provincie, grenzend aan Oezbekistan, is een belangrijk handelscentrum, dat direct importeert en exporteert van en naar Rusland en de voormalige Russische republieken.

Met een bevolking voor het merendeel bestaande uit Tajikken, duurde het lang eer de Taliban ook in het noorden de macht kon grijpen. Tot 1997 slaagde de Oezbeekse krijgsheer Dostum erin de gebieden in eigen handen te houden. Na 9/11 waren Balkh en de naburige provincies ook als eerste bevrijd van moslimextremisten. Sindsdien was het er relatief rustig gebleven. In tegenstelling tot het zuiden was er geen verzet tegen de nieuwe regering dat ingrijpen van coalitietroepen vereiste. Desondanks was er ook daar een militair PRT, dat ontwikkelingsactiviteiten ondersteunde. Zij hadden een lucht shuttle-service opgezet waar NGO’s gratis gebruik van konden maken. Ik vloog met deze PRT-vlucht naar Mazar-e Sharif voor een eerste verkenning.

Programmamanager Andrew, gestationeerd in Mazar-e Sharif om de programma’s van de Britse NGO te leiden, kwam me ophalen op de luchthaven. de ervaren Britse hulpverlener had gewerkt in dorpen en gemeenschappen in de meest afgelegen gebieden. Gekleed in shalwaar kameez, met baardje en pakul op het hoofd, kon hij ondanks een blonde haardos en staalblauwe ogen bijna opgaan in de menigte. Britten voelden zich thuis in dit landschap, zo had ik wel eens gemerkt. Ze leken er stiekem trots op onderdeel uit te maken van de Afghaanse geschiedenis, die ze ‘kennis van het terrein’ gaf. Ik zag Andrew, een van de weinige westerlingen in deze contreien, als een moderne Laurence van Arabië.

Vanaf het vliegveld tot het centrum van de stad was het een aaneenschakeling van benzinestations langs de nieuw aangelegde snelweg. De stad maakte een constructieboom door; op de vleugels daarvan werd grote economische groei verwacht. Aan de zuidkant, in de schaduw van een oude Russische graansilo, die al jaren niet meer functioneerde, was een nieuw industrieel park aangelegd met geld van de Duitse overheid. Ik installeerde me in een bewaakt VN-pension, gevestigd in een ruim opgezet ommuurd traditioneel Afghaans complex, waarbinnen zich een hoofdgebouw met eetzaal, ruime tuin, lage bijgebouwen met gastverblijven en een tennisbaan bevonden.

Amandelen waren vroeger het belangrijkste landbouwproduct van het noorden geweest. Afghanistan produceert een enorme variëteit, van de peperdure Rolls Royce onder de noten, de Saterbayi, tot de goedkopere Abdul Wahidi. Andrew en ik togen naar de openlucht notenmarkt in het centrum van de stad om te praten met amandelhandelaars. Stapels amandelen lagen daar uitgestald; het waren vooral detailhandelaars die hier hun inkopen deden. Een aantal handelaars weigerde resoluut medewerking te verlenen aan ons onderzoek. Toen ik foto’s wilde maken, kwam de president van de markt driftig aanlopen om ons weg te sturen. Later bleek dat de amandelhandelaars medewerking hadden verleend aan een Amerikaanse studie en vervolgens de eigen markt overstroomd hadden zien worden door goedkope amandelen uit Californië. Dat had het wantrouwen tegenover buitenlanders versterkt.

De grootse internationale donor in Afghanistan, US AID, besteedde haar ontwikkelingsdollars uit aan Amerikaanse NGO’s en for-profit consultancybureaus, die Amerikaanse consultants inhuurden om het werk op locatie uit te voeren. Afghanen zagen deze goed betaalde buitenlanders rondrijden in dure auto’s en begrepen niet waarom er zo weinig ten goede veranderde in hun eigen leven. Ze hadden moeite om te geloven dat die buitenlanders er waren om ze te helpen. De lokale amandelhandelaars verdachten hen er nu van te doen alsof, om nieuwe afzetmarkten te zoeken voor hun eigen producten.

Andrew en ik gingen op bezoek bij een Amerikaanse consultancy firma uit Washington, die was gevestigd in een zwaar bewaakt kantoor in Mazar-e Sharif op het terrein van het provinciale departement van het Ministerie van Landbouw. De opbouwwerkers gingen het weer proberen met amandelen. Het hoofd van het Amerikaanse team met landbouwdeskundigen legde ons uit: ‘Onze organisatie heeft zichzelf ten doel gesteld om de boeren te helpen door de productiviteit van de landbouw te verhogen. We gaan duizenden boomgaarden rehabiliteren en tienduizenden nieuwe amandelbomen planten’. De begunstigden van het project waren de boeren. ‘Ze verbouwen het land nog op de traditionele wijze. We leren ze irrigeren, hooggekwalificeerde zaden en kunstmest te gebruiken, en hoe ze hun waar het beste kunnen oogsten.’

Hij verzekerde ons dat het puur toeval was dat een partij afgekeurde Amerikaanse amandelen in Afghanistan belandde. ‘De productiekosten van amandelen in de US zijn veel hoger dan in Afghanistan, zodat de concurrentie altijd in het voordeel van de laatste uitvalt’.

Nadrukkelijk zei hij niet met Afghaanse handelaars te willen werken: ‘Die zijn alleen uit op eigen gewin. Die knijpen de boeren af.’ Een marktkoopman vertrouwde ons toe: ‘We importeren soms goedkopere amandelen uit Tajikistan en verkopen die als Afghaans product aan handelaars uit Kabul en het buitenland.’ Afghaanse boeren wisten ook best hoe ze het systeem naar hun hand moesten zetten. Beproefde methoden om handelaars om te tuin te leiden waren het mengen van goedkopere soorten met duurdere, goede met bittere, of het verzwaren van zakken met stenen.

Een andere Amerikaanse NGO claimde een fabriek te hebben opgezet om amandelen te verwerken voor de export. Wekenlang probeerde ik deze te bezoeken via een kennis, het hoofd van de organisatie. De verantwoordelijke persoon was net het land uit. Telkens kwam hij met een ander excuus waarom het niet zou kunnen. Uiteindelijk had ik een afspraak met de Afghaanse president en vicepresident van de lokale Dry Fruits & Nuts Association. Zij stelden voor ons te ontmoeten in de fabriek in het industriële park.

Andrew en ik klopten aan de poort en werden binnengelaten door een Afghaanse conciërge. We ontmoetten de Afghaanse ondernemers, beiden in westers kostuum. Het nieuwe witte gebouw had geen elektriciteit of stromend water, zo vertelden ze, maar ze hadden goede hoop dat die er binnen een jaar zouden komen. Ze deden de deur van het gebouw van het slot. Een weidse, lege fabriekshal gaapte voor ons. Ik vermoedde al dat de fabriek niet operationeel was. Dat er slechts sprake was van een leeg omhulsel had ik in de verste verte niet kunnen bedenken. ‘Onze leden hebben 75.000 US dollar bijeengebracht voor het gebouw en nog eens 60,000 US dollar voor de machines.’ Frustratie en teleurstelling dropen van hen af.

‘De machine die de NGO ons adviseerde aan te schaffen bleek bij aflevering in Kabul niet naar behoren te functioneren. Het tweedehandsje van Amerikaanse makelij was ongeschikt voor de Afghaanse noten. Tijdens het kraken van de schil braken de kernen.’ Anders dan de Amerikaanse amandelen waren de Afghaanse allemaal verschillend van afmeting en vorm.

‘En juist voor die kernen betaalt de Indiase markt zo grif!’

Met de hand noten kraken bleek efficiënter dan met de machine. Het geld voor de machine kregen ze terug, de investering in de fabriek waren ze kwijt. Na dit fiasco was de vereniging zieltogend. De mannen waren naarstig op zoek naar een andere bestemming voor de fabriekshal. Ze waren boos op de NGO die de vereniging had overgehaald om de fabriek te beginnen. Op websites en in PR-materiaal maakte die hulporganisatie nog steeds goede sier met de fabriek die zij in Mazar-e Sharif zouden hebben opgezet.

 

Kapitalisme is vies

De studenten van de American University of Afghanistan zijn de crème de la crème van het land. Ze moeten een toelatingsexamen afleggen en een cursusjaar aan de universiteit kost een vermogen. Elk jaar zijn twee beurzen beschikbaar voor studenten voor wie de opleiding financieel onbereikbaar is. Ze krijgen er ze een opleiding die vergelijkbaar is met die aan een willekeurige Amerikaanse universiteit. De sfeer op de campus is ruimdenkend; meisjes en jongens hebben gezamenlijk les en er kan vrijuit gediscussieerd worden over religie, kunst, geschiedenis en politiek, iets wat ondenkbaar is op een Afghaanse universiteit. Ook als mensen van gedachten verschillen, moeten ze naar elkaar luisteren. Ik geef les in de Business Course. De studenten vragen me naar het homohuwelijk en het Nederlandse beleid om softdrugs te legaliseren. Ze leggen me uit dat rente heffen op een lening haram – verboden – is volgens de Islam. Gokken is ook haram, omdat je zo niet eerlijk je geld verdient.

Het Amerikaanse lesboek met voorbeelden van neonverlichte hamburger Drive Ins en shopping malls, prijzenslagen bij supermarktketens, E-commerce, credit card schulden en de Just Do It-mentaliteit, is voor de Afghaanse studenten ver van hun bed. Ze kennen geen stock exchange, geen Enron-schandaal, geen patatgeneratie, geen spoorwegstakingen, en geen macht van de mega-brands. Ze dragen zelf voorbeelden aan. Macdonalds kennen ze uit de tijd dat ze in Pakistan woonden. Zijne Koninklijke Hoogheid, weldoener van de Islamitische wereld, de Agha Khan, en de plaatselijke Berlusconi, media mogol, Ehsan Bayat, en toch ook Microsoft oprichter Bill Gates. Geldontwaarding kennen ze: dankzij de stijgende prijzen van geïmporteerde voedselproducten, kunnen ze met de Afghani steeds minder kopen. In de oude Afghaanse schoolboekjes leerden kinderen tellen met geweren, nu tellen economen het belangrijkste Afghaanse exportproduct, opium, mee in het bruto nationaal product.

Een les over economie waarin de begrippen kapitalisme, socialisme en communisme aan de orde komen, mondt uit in een heftige discussie. Nederlandse studenten accepteren deze begrippen met een schouderophalen. De Afghaanse studenten vinden het kapitalisme maar niets: ‘Kapitalisme is vies!’ zo zegt een student. ‘De rijken worden rijker, de armen worden armer. Afghanistan volgt onder de invloed van Amerika het kapitalisme. Je kunt de gevolgen overal om ons heen zien!’  De straten zijn vol met bedelaars, kinderen, weduwen, drugsverslaafden en dagloners die geen werk hebben kunnen vinden, terwijl in Kabul marmeren paleizen met gouden kranen uit de grond gestampt worden.

‘Dat is toch niet de schuld van het kapitalisme,’ zeg ik, ‘dat is corruptie. Hoge politici en hun familieleden krijgen lucratieve contracten toegeschoven van de regering. Ze knijpt een oogje toe bij wapen- en opiumhandel.’

‘Al die Amerikanen die hier hun miljoenen komen besteden, zogenaamd om ons te helpen, zijn ook corrupt. Ze steken het geld in eigen zak. Dat is kapitalisme.’

‘Bij mij op de hoek van de straat woont een man in een oude legertank. Hij is invalide, en heeft geen werk. Hoe moet hij meeprofiteren van het kapitalisme?’

‘Mijn neef heeft een restaurant met 5 koks. Die verdienen 300 US$ per maand, en hij verdient duizenden! Dat is toch niet eerlijk.’

‘Stel, dat jij heel hard werkt voor een test, en een collega bereidt zich nauwelijks voor. Ik geef jullie een gemiddeld cijfer voor de test. Vind je dat dan eerlijk?’ werp ik tegen.

De Afghaanse regering moet voor de armen zorgen, zijn de studenten van mening. Banen scheppen. Scholen bouwen. Gezondheidszorg vrijstellen voor de allerarmsten. Zorgen voor een eerlijke verdeling van de welvaart. Ze zijn te jong om het communisme in Afghanistan te hebben meegemaakt, maar de doctrine van hun ouders generatie is blijven hangen. Tijdens het regime van de Taliban had niemand iets. De vrijheid heeft een rijke elite doen ontstaan onder de huidige machthebbers, terwijl gewone Afghanen hun leven niet verbeterd hebben gezien. Deze studenten zijn de kinderen van deze elite – welke de beursstudenten zijn weet ik niet – en gelukkig begaan met het lot van de minder bedeelden.

In de lesstof is een landenindex opgenomen op basis van economische vrijheid. De Verenigde Staten, Australië en Singapore gaan aan kop, terwijl communistische landen, als China, Korea en Cuba, ergens onderaan bungelen. Economische indicatoren geven aan, dat welvaart bijna evenredig afneemt met de economische vrijheid. Of de overheid de redding van Afghanistan moet betekenen, valt te betwijfelen. Als deze jongens en meisjes het straks voor het zeggen hebben, dan mogen zij het bepalen.

Welkom thuis, Karzai!

Zaterdagochtend 10 voor zeven. Een enorme knal. Het davert en echoot lang na. Opwaaiend stof is in de wijde omtrek te zien. Het is op 500 meter afstand van waar ik woon, in Karte Parwan, vlak bij de bioscoop Baharistan. Rondvliegende scherven beschadigen de ruiten van mijn huis. Mijn chowkidar gaat op onderzoek uit en weet te vertellen dat het een bus met officieren van het Afghaanse nationale leger betreft. Volgens de omstanders kwamen alle vijftig inzittenden van de bus om het leven als een van hen een bom laat ontploffen. De bom is van zodanige kracht, dat er van de bus weinig tot niets overblijft. Vanwege Ramadan is het op dit tijdstip niet druk op straat, en valt het aantal slachtoffers onder de omstanders mee.

Karzai komt terug van een ambtsbezoek aan collega Bush waar hem wederom alle steun werd beloofd voor de wederopbouw van zijn land. Hij heeft het nodig. Ondanks alle positieve berichten, over de nieuwe wegen, scholen voor meisjes en de verminderde kindersterfte, neemt het aantal strijders dat zich tegen het door de Amerikanen gesteunde regime keert toe. De inflatie doet de prijzen omhoog gieren, er zijn geen banen gecreëerd, elektriciteit is niet toereikend en de winter nadert. Een goede voedingsbodem voor wanhopigen, die ondanks alle miljarden aan buitenlandse hulp hun leven niet verbeterd zien. ‘Onder de Taliban hadden we het beter’, is iets wat ik steeds vaker mensen hoor zeggen.

Iedere dag horen we over ontvoeringen en aanslagen vinden steeds vaker plaats in de nabijheid van de hoofdstad, in provincies die voorheen als rustig gezien werden. Karzai’s recente poging om de Taliban aan de onderhandelingstafel uit te nodigen komt als mosterd na de maaltijd. De Taliban, die een enorme klap opliep in 2001, wordt sterker, terwijl de steun voor de regering af neemt. De bom op de vroege zaterdagmorgen als de Afghaanse president wakker wordt in zijn hoofdstad is als een vuist op tafel.

 

Protesten

Een Britse stichting die zich inzette voor het behoud van de traditionele Afghaanse kunstnijverheid en architectuur had me gevraagd om ze te helpen een lokaal kantoor te openen. Deze organisatie begon een school voor oude ambachten en restaureerde vervallen koopmanshuizen in het oude handelscentrum van de binnenstad. De Foundation had net een vervallen negentiende-eeuws fort betrokken. Qala-e Norboja lag op een heuvel in Karte Parwan, even buiten het centrum van de stad, naast de voormalige Britse ambassade, een relikwie uit het koloniale tijdperk.

Op een ochtend in mei had ik een ontmoeting met de directeur en oprichter van de organisatie op deze lokatie. Rory Stewart, schrijver en politicus, was al een levende legende. Vlak na de bevrijding wandelde de dertiger dwars door het door oorlog verwoestte land, van Herat naar Kabul, alleen en midden in de winter. Dat leverde een internationale bestseller op, Tussenstations. De Schotse aristocraat, voormalig tutor van de Britse prinsen William en Harry, charterde Prins Charles als beschermheer van zijn Turquoise Mountain Foundation.

Stewart gaf me een rondleiding over het terrein. Studenten kalligrafie en houtsnijwerk waren druk aan het werk in een van de bijgebouwen. Hij ging me voor door een poort in het hoofdgebouw en liep naar een rechthoekige binnentuin met vijver. Omhoogkijkend zag ik op de noordelijke hoek een toren. In een van de kelders was een hammam. Dikke lemen muren om warmte vast te houden in de winter, koelte in de zomer.  In vervallen staat verkerende vertrekken toonden het houten skelet van het uit twee verdiepingen bestaande traditionele bouwwerk. Plafonds werden gestut met ronde houten balken, muren opnieuw gepleisterd en vermolmde houten vloerdelen vervangen. Binnen waren arbeiders bezig met het afwerken van de binnenmuren.

Vervolgens liepen Rory en ik door de poort van het fort naar buiten, over het grintpad, terug naar het nabijgelegen kantoorgebouw. We namen plaats in zijn werkkamer, die uitzicht gaf op de lager gelegen tuin en de daken van de omringende huizen. De renovatie van dit gebouw was pas voltooid, het was aan de gevel voorzien van prachtig bewerkte houten kozijnen en luiken, en van binnen rijkelijk gedecoreerd met handgeknoopte Perzische tapijten, antiek notenhouten meubilair en keramische schalen uit Istalif. Ook de tuin werd in de oude stijl hersteld, met oplopende terrassen en waterpartijen. De ramen stonden open om wat frisse lucht binnen te laten. Stewart werd weggeroepen door het hoofd van de technische dienst.

Door de geopende ramen drongen geluiden van de buitenwereld binnen. Het duurde even eer ik ze kon plaatsen. In de verte klonk geroep. Geschreeuw. Ik keek in de richting van het geluid en zag een rookkolom opstijgen boven de huizen. Het lawaai leek dichterbij te komen. Ik belde een kennis. Zodra er iets aan de hand was in de stad, was hij de eerste die het wist. Hij had niets gehoord, maar beloofde het uit te gaan zoeken. Binnen vijf minuten belde hij terug. Zijn stem klonk gealarmeerd.

‘Een Amerikaans konvooi heeft een ongeluk veroorzaakt in Khair Khana. Daarbij zijn enkele Afghanen om het leven gekomen. Woedende omstanders organiseren een spontane demonstratie tegen de buitenlanders. De meute zette zich in beweging. Mensen van alle kanten stromen toe om zich bij de colonne te voegen. Ze schreeuwen anti-Amerika- en anti-Karzai-leuzen en steken autobanden in brand. Blijf daar voorlopig, tot we weten hoe ernstig het is,’ raadde hij me aan.

Ik bracht Rory op de hoogte. Hij hield overleg met zijn beveiliging. Een bewaker posteerde zich op de toren om uitzicht te houden op de omgeving. Het geluid kwam heel dichterbij, een golf van lawaai, een amorfe massa, geschreeuw zonder dat er woorden te onderscheiden waren. Dichte rookkolommen stegen in de verte op.

‘Ik wil naar huis,’ zei ik tegen Rory. Voor geen goud wilde ik opgesloten zitten in het fort, nu er in de stad iets gaande was. ‘De menigte is nog ver weg. Wil ik ze voor zijn, dan moet ik nu gaan.’

Rory schudde zijn hoofd: ‘Ik kan je geen chauffeur meegeven om je thuis te brengen. Je eigen chauffeur komt er niet doorheen.’ Hij voelde zich verantwoordelijk. Niemand mocht naar huis. Ik bracht de rest van de  dag door op het kantoor van de stichting.

Tegen de avond leek het rustig en stuurde Rory een auto om mij thuis te brengen. Ons wachthuisje stond niet voor de deur. Ik bonsde op de poort. Zia deed open. Hij droeg een Kalasjnikov om zijn schouder. Mijn huisgenoot Roger kwam vanuit het huis naar buiten lopen, ook gewapend met een AK-47. Ik wist niet eens dat we een dergelijk wapenarsenaal binnen de muren hadden. Zia deed een kettingslot aan de binnenzijde op de deur.

Roger vertelde: ‘Zia en ik hadden de wapens tevoorschijn gehaald. We zaten hier op de stoep. Ik kon de menigte aan horen komen. Het geluid kwam snel dichterbij. Geweerschoten klonken. Ik kon woorden onderscheiden, weg Amerika, weg Karzai, weg buitenlanders, meer geweerschoten. De menigte kwam door onze straat. Angstig wachtten we op gebonk op onze deur. Dat bleef uit.’ Juist omdat we geen uithangbord op de deur hadden, geen bewakingshokje voor de poort, sloegen ze onze deur over. Roger en Zia hadden opgelucht adem gehaald. ‘Het lawaai golfde weg. Op een bepaald moment waren ze in die hoofdstraat links van ons,’ wees Roger. Even later dreef rook voorbij. Vanuit de tuin probeerden ze te zien waar het vandaan kwam. Het kantoor van de DFID, een Britse hulporganisatie, was vlak achter ons. ‘Toen zagen we vlammen naar de lucht rijzen. Het was het gebouw van Care International aan de hoofdstraat. Vlammen en rookkolommen stegen boven de bebouwing uit.’

Roger werd door vrienden en kennissen op diverse locaties in de stad op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen. Het was een chaos. De demonstratie bewoog zich snel voort, op weg naar de Amerikaanse ambassade in Wazir Akhbar Khan. Ze raasde door het centrum van Kabul, door Shar-e Now en Qualla-e Fatullah, waar zich de meeste kantoren van buitenlandse hulporganisaties bevonden. Het personeel van Care was gelukkig al gevlucht voordat het gebouw in de brand werd gestoken. We hoorden van vrienden en kennissen die werkten voor buitenlandse organisaties dat hun kantoren en pensions waren overvallen. Al het personeel had zich verscholen in stalen bunkers of was geëvacueerd naar safe houses. De Nederlandse ambassade lag op de route van de menigte. Hun wachthuisje was afgebrand. Verder had de bewaking geen problemen gehad om mensen buiten de compound te houden. Het personeel werd naar de militaire ISAF-luchthaven geëvacueerd. Andere organisaties lieten medewerkers naar Dubai vliegen. Een beveiligingsbedrijf had, om het eigen pand te verdedigen, het vuur geopend op de menigte en slachtoffers gemaakt. Maar ook lokale ondernemers waren getroffen. Winkels en kantoren waren leeggeroofd. Overal waren lukraak vernielingen aangericht. Op dat moment was het onmogelijk om een goede inschatting te maken van de situatie, of we nog gevaar liepen of niet.

Mijn huisgenoot Tim kwam thuis met zijn fotograaf. Ze hadden in de stad foto’s van de demonstratie gemaakt. Toen de menigte zich tegen hen keerde, hadden ze enkele spannende momenten meegemaakt.

‘Toen in februari, bij de Deense ambassade, waren het een paar honderd mensen. Nu zijn het er duizenden.’

We hielden huisberaad. Geen van ons werkte voor een organisatie die evacuaties regelde. De Franse ambassade had Elle per SMS geadviseerd de volgende dagen binnen te blijven. Ik hoorde niets van de Nederlandse ambassade. Een vriendin van Tim werkte voor het Afghaanse telecombedrijf Roshan; zij boden ons allemaal onderdak aan. We kregen een uur tijd om noodzakelijkheden te pakken. Onze beveiliging kwam ongewapend in burger kijken hoe we het maken. Daar hadden we weinig aan gehad. Roger stuurde ze naar huis. Zia bleef achter om het huis te bewaken. Precies om zes uur stopten twee SUV’s met gewapende bewakers voor onze poort. Ze plaatsten twee bewapende mannen in de straat terwijl wij in de auto’s stapten. Het was doodstil in de stad. We reden naar het kantoor van Roshan in Wazir Akbar Khan, waar de buitenlandse werknemers wachtten op vervoer naar hun compound. Het hoofd van de beveiliging droeg de managers uit voorzorg op zich over de auto’s te verspreiden. In een konvooi van tien auto’s reden we door lege straten naar Jalalabad Road. Binnen de muren van de zwaarbewaakte compound haalde ik opgelucht adem.

Tim gaf commentaar voor de BBC: ‘In Irak veranderde alles van de een op de andere dag. Vandaag is de dag dat alles in Afghanistan verandert.’ We wisten toen nog niet precies wat er was gebeurd. Ook de anderen vergeleken die dag met de aanval op de Amerikaanse ambassade in Islamabad, Pakistan, in 1979.

Ik was het niet met hen eens. Ik geloofde niet dat de Afghaanse bevolking zich tegen de regering en de buitenlandse militairen had gekeerd. Onder de demonstranten waren relschoppers, dieven en onruststokers, die van de gelegenheid gebruik maakten om fietsen en auto’s te stelen, winkels en kantoren leeg te roven, vernielingen aan te richten, wachthuisjes en autobanden in de brand te steken. Het geweld had zich evengoed tegen de lokale winkels gekeerd als tegen kantoren van de buitenlandse organisaties. Dichtbij de Amerikaanse ambassade waren ze niet gekomen.

’s Avonds werd een avondklok ingesteld. Het Afghaanse Nationale Leger had de controle over de stad in handen. Karzai vaardigde een decreet uit dat op demonstranten en onruststokers direct het vuur geopend zou worden. De volgende dag gaf het hoofd van de beveiliging van Roshan ons nog geen toestemming om naar huis terug te keren. Ik genoot een dag langer van de luxe in de stafbungalows, 24 uur per dag stroom, airconditioning, gestevende lakens en een goedgeoutilleerde kantine. Niemand mocht naar kantoor. De stemming was die van een zomerkamp.

Een dag later waagden Roger en ik het erop. In de stad was de rust weergekeerd. Tanks en groene pick-ups met machinegeweren stonden op de voornaamste kruispunten en bewaakten de toegangswegen. We reden langs de Nederlandse ambassade, waar het afgebrande wachthuis al was opgeruimd. De eerste nacht in mijn eigen bed sliep ik onrustig. De volgende dag was het al bijna of er nooit iets was gebeurd.

Waarom zijn zij er nog steeds?

Begin maart 2006 stond een hoge ambtenaar van het voormalige communistische regime terecht wegens oorlogsmisdaden. Het was voor het eerst in vijfentwintig jaar dat er een rechtszaak voor oorlogsmisdaden plaatsvond in Afghanistan. Asadullah Sarwari was in de jaren zeventig hoofd van de KHAD, de Afghaanse intelligentiedienst, die politieke tegenstanders van het socialistische regime oppakte, folterde en regelmatig zonder vorm van proces executeerde. Hij werd schuldig bevonden aan moord en andere schendingen van de mensenrechten. Het opperste gerechtshof veroordeelde de vierenzestigjarige man ter dood.

Ik maakte een afspraak voor een interview met Dr. Sima Samar, arts en voorzitter van de Onafhankelijke Mensenrechtencommissie van Afghanistan om haar te vragen naar een reactie op het vonnis. Veel te vroeg voor het interview op het kantoor aangekomen, zag ik de voormalige vicepresident van Afghanistan in een gewapend konvooi van goudkleurige SUV’s met getinte ramen arriveren. Eenmaal binnen de muren van het kantoor stroomden bodyguards uit de auto’s. De vrouwelijke politicus met een uitgesproken mening vreesde voor haar leven. Zij was tevens Minister van Vrouwenzaken in het eerste kabinet van Karzai geweest. Felle kritiek op de Islamitische wetgeving, de Sharia, had haar impopulair gemaakt bij conservatieve groeperingen in het land. Ze werd gedwongen af te treden.

Dr. Samar, een kleine vrouw, met kortgeknipt grijs haar en metalen brilletje, nodigde me uit in haar werkkamer. Het ruime vertrek had grote ruiten aan een zijde en was ingericht met houten meubilair en kamerplanten. Overal stonden en lagen boeken en rapporten. We namen plaats in een zithoek, zij op een fauteuil, ik op de bank. Ik zette mijn recorder aan.

Ze was positief over het vonnis: ‘Het is een grote stap in het proces van vrede en verzoening.’ Mensenrechtenorganisaties hadden juist veel kritiek op het proces. Een stap vooruit voor het vredesproces, maar een terugslag voor de justitiële rechtsgang. Sarwari werd vlak na de val van het communistische regime in 1992 gearresteerd. Hij wachtte dertien jaar in zijn cel op een proces zonder ooit officieel in staat van beschuldiging te zijn gesteld. Tijdens de rechtszaak werd de oud-officier niet bijgestaan door een advocaat, omdat hij zich er geen kon veroorloven. De rechtszitting nam slechts één dag in beslag, zodat de beklaagde amper de gelegenheid had om bewijsstukken in te zien of getuigen te ondervragen.

‘Ons rechtssysteem is nog niet in staat om met oorlogsmisdaden om te gaan. Zelfs een oorlogsmisdadiger heeft recht op een eerlijk proces,’ beaamde Dr. Samar, toen ik haar daarop wees. ‘Ik ben tegen de doodstraf, omdat het voormalig hoofd van de KHAD licht zou kunnen schijnen op de locaties van massagraven en betrokkenheid van personen bij mensenrechtenschendingen. Sarwari kan een deur openen naar gerechtigheid in dit land. Sterft hij, dan sterft de waarheid met hem.’

Dr. Samar was ervan overtuigd dat de huidige vrede in Afghanistan niet lang kon duren, wanneer er geen gerechtigheid plaatsvond. De Afghaanse mensenrechtencommissaris sprak vol lof over de Nederlandse regering die een rechtszaak tegen twee Afghaanse oorlogsmisdadigers had gevoerd. ‘Onder het Taliban-regime zou het onmogelijk zijn geweest om dergelijke misdaden te onderzoeken. Nu bestond die mogelijkheid wel.’ De twee voormalige hoge ambtenaren van de KHAD werden schuldig bevonden.

Nederland wilde afrekenen met haar imago van veilige haven voor oorlogsmisdadigers. In 2005 had ik een uitgeprocedeerde Afghaanse asielzoeker geïnterviewd. Hij was in 1998 naar Nederland gekomen, op de vlucht voor de Taliban. Terwijl zijn vrouw en drie kinderen – twee daarvan werden in Nederland geboren – wel een verblijfsvergunning kregen, was zijn asielaanvraag afgewezen. Asielzoekers met een vermeend oorlogsverleden komen niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op basis van artikel 1F van het Vreemdelingenverdrag. De voormalige politieagent moest op de hoogte zijn geweest van de onrechtmatige arrestaties, folteringen en executies van het socialistische regime waar hij voor werkte, zo was het oordeel van de IND.

Uit een onderzoek van Human Rights Watch naar oorlogsmisdaden en schendingen van de mensenrechten in het Afghaanse jaar 1371[1], vlak na de val van de socialistische regering, toen facties elkaar bevochten om de macht in Kabul, bleek de betrokkenheid van prominente politici. ‘Iedereen heeft bloed aan zijn handen,’ was een veelgehoorde kreet. In de strijd tegen de Taliban waren krijgsheren die zich bereid verklaarden de coalitietroepen te helpen beloond. Vijf jaar na de bevrijding hadden deze voormalige militieleiders machtige posities op kunnen bouwen met geld dat ze hadden gekregen van de CIA. Twee grootschalige campagnes van de Verenigde Naties, Demobilization Disarmament and Rehabilitation, waarbij ex-strijders een omscholingscursus konden volgen, en Disbandment of Illegally Armed Groups, waarbij lokale krijgsheren ontwapend werden, hadden ogenschijnlijk tot resultaten hadden geleid. In bepaalde gebieden echter bleken de Amerikaanse soldaten het op een akkoordje te hebben gegooid met lokale krijgsheren om de handhaving van de vrede te bewerkstelligen.

Onder hen waren prominente leden van de Noordelijke Alliantie, zoals Marshal Fahim, de commandant die Kabul en Kunduz had ingenomen na de val van de Taliban. Deze belangrijke strategische partner van het westen werd in Bonn benoemd tot vicepresident en Minister van Defensie. Uit het onderzoek van HRW bleek dat hij tijdens de burgeroorlog de zogenaamde Afshar-campagne tegen sjiitische milities had geleid, waarbij honderden het leven hadden gelaten. De Afghaanse bevolking gruwelde van de legitimatie van de krijgsheren die tijdens de burgeroorlog niet alleen de stad hadden vernield met raketten en artillerievuur, maar zich ook schuldig hadden gemaakt aan roof, moord, martelingen, ontvoeringen en verkrachtingen. Later realiseerde President Bush zich dat de strategie verkeerd had uitgepakt. Fahim werd uit beide posten ontslagen, maar profiteerde van zijn bevoorrechte positie op een andere wijze: hij verdiende miljoenen met de handel in diesel, waar door de opening van een elektriciteitscentrale op diesel en de vele legerbases in de stad die 24 uur per dag dieselgeneratoren hadden draaien, grote vraag naar was ontstaan. Inwoners van Kabul wisten precies wanneer hij zich door de stad verplaatste: hij reisde altijd met zijn bodyguards in een konvooi van tien terreinauto’s met geblindeerde ramen, waarvoor hele wegen in de hoofdstad voor lange tijd afgesloten werden om te voorkomen dat hij het doelwit van een aanslag zou worden. .

Een Afghaanse vriend had mij verteld: ‘Die zogenaamde vrijheidsstrijders, zij die Kabul kapot hebben gemaakt, zij zitten nu in het parlement. Het zijn schurken. Deze mujahedeen hebben mensen doen vluchten, families uit elkaar gerukt. Honderden mensen zijn vermoord. Niemand spreekt er meer over. Niemand doet er iets aan. Krijgsheren verdienen miljoenen in de drugshandel. Omdat ze nu vrienden zijn van het westen, kunnen ze kennelijk alles maken. In sommige provincies hebben de VS een akkoord gesloten met die krijgsheren. Ze hebben carte blanche gekregen. En na vijf jaar vrijheid teelt de drugs weliger dan ooit tevoren. Afghanistan produceert tachtig procent van alle opium in de wereld. Wij zijn een narcostaat.’

Door de westerse interventie was een nieuwe politieke orde ontstaan; wie goed was en wie fout, dat werd bepaald door de westerse agenda. Alle etnische groepen waren betrokken bij misdaden, volgens het rapport van Human Rights Watch. Generaal Abdul Rashid Dostum, de Oezbeekse chef-staf van het Afghaanse leger, de Hazara-vicepresident Abdul Karimi Khalili, het Pathaanse parlementslid Abdul Sayyaf en de Tajikse Minister van Energie Ismail Khan zouden zich allemaal schuldig hebben gemaakt aan mensenrechtenschendingen. Ook de veelgeprezen vrijheidsstrijder Ahmed Shah Massoud zou zich hebben bezondigd aan onnodig bloedvergieten. Karzais naam ontbrak op de lijst.

Mevrouw Samar schonk me nog wat groene thee bij uit een thermoskan. Ze legde me uit dat het onderzoek naar oorlogsmisdaden nog moest beginnen. ‘We hebben een Actieplan voor Vrede, Rechtvaardigheid en Verzoening opgesteld. De regering Karzai heeft ermee ingestemd. Het documenteren van oorlogsmisdaden is daarvan een belangrijk onderdeel.’

Toen UNAMA[2] in 2002 een onderzoek wilde instellen naar een massagraf in Dasht-e Leili, in het noorden van het land, bleek dat onmogelijk. Het massagraf bevatte duizenden lichamen van Taliban, krijgsgevangenen die onder de verantwoordelijkheid van Generaal Dostum vielen. De meeste gedetineerden zouden door gebrek aan zuurstof zijn gestikt tijdens transport in een container. Overlevenden zouden zijn doodgeschoten. Het onderzoek werd gehinderd door intimidatie en willekeurige arrestaties van mogelijke getuigen. Volgens Dr. Samar hadden de internationale gemeenschap en de Afghaanse regering veel meer kunnen doen om het onderzoek te helpen. Niemand garandeerde de veiligheid van de onderzoekers. De Mensenrechtencommissie had Afghaanse artsen opgeroepen om te assisteren bij het forensisch onderzoek. Niemand had zich aangemeld.

Een journalist van het nationale persagentschap Pajhwok vond in september 2005 een massagraf in de oostelijke provincie Paktika. Het bevatte meer dan 1000 lichamen, soldaten van de negende brigade van het Afghaanse leger. Deze hadden zich eind jaren tachtig aan de mujahedeen overgegeven. De krijgsheer die verantwoordelijk zou zijn voor de dood van de militairen stond kandidaat voor de parlementsverkiezingen. Danish Karokhel, directeur van Pajhwok, was er van overtuigd dat de gouverneur van de provincie daarom geen onderzoek instelde. ‘Hij heeft nog steeds veel macht in de provincie. Ooggetuigen van het bloedbad durven de waarheid niet te vertellen uit angst dat de krijgsheer hen om het leven brengt,’ aldus de Afghaanse journalist. ‘Wie garandeert hun veiligheid zodra zij getuigen?’

Dr. Samar vond dat het onderzoek moest beginnen met de militaire coup in 1978. ‘Er zijn honderden massagraven in ons land, zo niet duizenden. Stelt niemand onderzoek in naar dergelijke misdaden, dan is vervolging van de schuldigen onmogelijk. Hoe zou de bevolking van Afghanistan ooit kunnen vergeten wat er gebeurd is?’

Voorzichtig polste ik de arts over door de Hazara gepleegde misdaden. Samar is Hazara. Anders dan de meer conservatieve Pashtun hecht deze bevolkingsgroep niet zoveel belang aan de segregatie van vrouwen. Meisjes gaan naar school. Vrouwen mogen werken. Karzai had in 2005 Hazara Habibi Sorobi benoemd tot de gouverneur voor de provincie Bamiyan, de eerste en tot dan toe enige vrouwelijke provinciale bestuurder.

Ze reageerde abrupt: ‘Ook al hebben zij zich schuldig gemaakt aan gewelddadigheden, dat valt in het niet vergeleken met het onrecht dat hen is aangedaan.’

Om te voorkomen dat schuldigen in de regering en het parlement vervolging ontliepen, voorzag het plan niet in een amnestie voor ernstige vergrijpen. Dokter Samar benadrukte dat punt: ‘Onze prioriteit is het verwijderen van schenders van de mensenrechten uit de regering en van andere officiële posten. De bevolking van Afghanistan eist het. Zij hebben het niet vergeten. Vraag het aan de mensen op straat: de slager, de kruier, de winkelier. Zij klagen: “Waarom zijn zij er nog steeds”? Om hun vertrouwen in de huidige regering te herstellen, is het nodig dat de schuldigen worden bestraft.’ Haar organisatie deed een opinieonderzoek dat concludeerde dat een groot deel van de bevolking voor vervolging van de schuldigen was.

Eens vroeg ik een Afghaanse kennis waarom zijn moeder niet naar Afghanistan was teruggekeerd. ‘Haar hele familie is vermoord. Degene die daar verantwoordelijk voor is, zit nu in het parlement. Dat kan ze niet vergeven.’ Een ander drama vormden de tienduizenden die spoorloos waren verdwenen, waarvan de nabestaanden nooit zekerheid hadden gekregen over hun lot. Ook de echtgenoot van Dr. Samar, die werd gearresteerd tijdens de Russische bezetting, kwam nooit meer terug.

De vrouw vertelde mij over haar persoonlijke trauma: ‘Iedere dag ging ik naar het kantoor van de premier voor informatie over vermiste familieleden. Maandenlang, dag in, dag uit, van half negen tot half vijf, zat ik daar te wachten op nieuws. Asadullah Sarwari had een kantoor in dat gebouw, waar nu het Ministerie van Vrouwenzaken is gehuisvest. Toen ik zelf Minister werd, kon ik het niet opbrengen om er binnen te gaan. Zelfs na drieëntwintig jaar niet.’



[1] Afghanistan volgt de Perzische jaartelling. 1371 komt overeen met 1992-1993 in de gregoriaanse kalender.

[2] United Nations Assistance Mission Afghanistan, een onderdeel van de UN.

Voedselhulp voor weduwen

Onder het draconische bewind van de Taliban, die vrouwen verbood om buitenshuis te werken, begon de huporganisatie CARE International met het verstrekken van voedselhulp aan weduwen. Vijf jaar na de val van het regime doet de organisatie dat nog steeds, op meerdere punten in Kabul, aan ruim 7.000 gezinnen, waarvan de vader veelal is omgekomen in de burgeroorlog.

Deze vrouwen zijn nog steeds aangewezen zijn op voedselhulp, omdat er geen werk is, omdat de kosten van het levensonderhoud omhoog zijn gegaan of omdat er in de koude winter extra gestookt moet worden. De familie van hun overleden man wil niet dat ze de familie ten schande maken door te werken of door te bedelen om voedsel, terwijl ze zelf niet altijd bereid zijn om de zorg van de weduwe en haar kinderen op zich te nemen.

DSC_0027     DSC_0139 Girl DSC_0032 DSC_0036 DSC_0081

Cartoonrellen

In februari besloot de Nederlandse regering met steun van de oppositiepartijen tot de uitzending van Nederlandse militairen naar Uruzgan. Ik was die week in Nederland om een conferentie over Afghanistan bij te wonen en volgde het Kamerdebat op de televisie. Ik vond het belangrijk dat er een ‘ja’ kwam.

Net in die week publiceerde een Deense krant spotprenten van de profeet Mohammed. Een golf van protest verspreidde zich over de Arabische wereld; binnen de Islam is het verboden Mohammed af te beelden. Ook in Afghanistan braken rellen uit. Het was lastig om op afstand een goede indruk te krijgen van de situatie. Daarom reisde ik zo snel mogelijk terug naar Kabul. Dat zou je net zien. Maandenlang gebeurde er niets. Was er daar wat gaande, was ik er niet.

Op weg van het vliegveld naar huis zag ik dat tanks de verkeerspleinen en belangrijkste wegen in het centrum van Kabul bewaakten. Ik belde mijn contactpersoon bij het Amerikaanse leger, de kolonel, om me bij te praten.  Een dag eerder keek hij toe hoe de Afghaanse Nationale Politie op de Amerikaanse legerbasis in Bagram het vuur opende op een stenen gooiende menigte die de basis wilde bestormen.

‘De Afghaanse politie heeft het goed gedaan,’ vertelde hij. ‘Wij hebben niet hoeven ingrijpen. Op een bepaald moment raakten ze door hun kogels heen, die hebben wij ze toen verstrekt.’ Er kwamen zes mensen om. Hij verzuchtte: ‘Nadat we die lijken hadden verbrand, was de protesten niet zo erg. Toen we de koran door de wc hadden gespoeld in Guantánamo was het erger. Wanneer is iemand anders eens het mikpunt van de demonstraties!’

‘Dat hebben jullie aan jezelf te danken. Jullie denken te kunnen bepalen wie de good guys en wie de bad guys zijn. Jullie trappen deuren in en zijn dan verbaasd dat mensen verontwaardigd reageren.’ Ik verbaasde me vaak over de arrogantie van Amerikanen.

‘Wij trappen geen deuren in!’

‘Jij niet persoonlijk. Ik ben niet zo zeker van de 16,000 anderen!’

‘Wat doen jullie dan straks, daar in Uruzgan?’

‘Wij nemen een zak geld mee,’ grijnsde ik. ‘Dat is de Dutch Approach.’

‘Hoeveel geld precies? Hoeveel denk je dat genoeg zal zijn om de Afghanen tevreden te stellen?’

‘Waarom denk jij dat mensen het zo hoog opnemen?’ keerde ik terug naar het oorspronkelijke onderwerp van gesprek. Dit was de vraag die iedereen bezighield.

‘Het is die verrekte Arabische mentaliteit. Het zijn opgewonden standjes.’

‘Afghanen zijn geen Arabieren. Het zijn Perzen.’

Daar haalde hij zijn schouders over op: ‘Om het even. De winter is voorbij. The bad guys are coming out. Het lenteoffensief begint.’

De volgende morgen ging ik met een kennis die voor een bewakingsbedrijf werkte de stad verkennen. Hij plaatste een kogelvrij vest tegen het portier aan mijn kant. Het was griezelig rustig in de straten van Kabul, waar normaal gesproken auto’s bumper aan bumper stonden. Helikopters cirkelden in de lucht. ANA en ANP hielden patrouilles. De stad was in opperste paraatheid. Het leek wel oorlogsgebied. Verkeer werd tot het strikt essentiële beperkt.

Een Nederlands opinieprogramma op tv vroeg me om telefonisch in de uitzending de gebeurtenissen van commentaar te voorzien. Er was geen Nederlandse journalist in Kabul. De gastvrouw wilde ook mijn mening weten over de aanstaande missie. Veel militairen zouden overwegen ontslag te nemen wanneer ze naar Uruzgan moeten. Zonder aarzelen antwoordde ik dat er weliswaar gevaren aan de missie kleefden, maar dat er zonder stabiliteit van wederopbouw geen sprake kon zijn. Ik was voor de interventie.

Ook de volgende dag bleef het relatief rustig in Kabul. In de loop van de middag vond er een kleine demonstratie plaats bij de Deense ambassade in Wazir Akbar Khan, die ordelijk verliep. In de rest van het land was de situatie nog steeds explosief. Mullah Dadullah, een prominente leider van de Taliban, zette 100 kilo goud op het hoofd van de tekenaar van de Deense spotprenten. Vijf kilo goud was de beloning voor het ombrengen van een Deense, Noorse of Duitse militair. Vrijdag was Ashura, de tiende dag van Moharram, waarop Sji’ieten rouwen om de dood van Imam Hussain. President Karzai hield tijdens een ceremonie in de Chandawalmoskee een toespraak waarin hij zijn landgenoten opriep om tolerant te zijn en gezamenlijk te strijden tegen gezagsondermijnende elementen.

Na de hele week opgesloten te hebben gezeten in huis besloten we op vrijdag tot een excursie. Vrienden van huisgenoot Roger werkten voor The Halo Trust, een organisatie die mijnen opruimde. Ze stelden voor het Bala Hissar, het grote fort, te bezoeken. Dit viel onder het beheer van het Afghaanse Nationale Leger en was bezaaid met landmijnen. Verboden terrein voor het publiek. We reden met twee 4WD’s naar de andere kant van de stad. Het was doodstil op straat.

‘We zijn van Halo Trust. We moeten de site inspecteren,’ baste Roger tegen twee militairen aan de poort van het fort. Onze chauffeur vertaalde het droog in het Dari. De soldaten haalden er een officier met pilotenzonnebril en spiegelende glazen bij. Zijn grote snor knikte minzaam, toen hij het bevel aanhoorde. De slagboom ging tergend langzaam omhoog. Roger spoorde de chauffeur vrolijk aan zo snel mogelijk door te rijden. ‘Voor ze van gedachten veranderen!’ Bergen steen gaven de contouren aan van de fundamenten van muren en torens van het eens zo roemruchte bouwwerk dat al dienst deed in de tijd van koning Babur.

Ik had een boek van Roger geleend over de Great Game, het politieke machtsspel tussen Rusland en Engeland om invloed in centraal-Azië in de negentiende eeuw. Afghanistan werd daarvan het slachtoffer, omdat de Britten bang waren dat de Russen de parel in hun kroon, India, vanuit het centraal Aziatische land zouden kunnen binnenvallen. ‘Vind je de paralellen met de huidige situatie niet griezelig? Afghanen hebben zich altijd verzet tegen buitenlandse overheersers.’ Roger knikte: ‘We zijn hier altijd een haarbreedte verwijderd van een volgende opstand of oorlog.’

In 1840 hielpen de Britten een vriendelijk gezinde vorst op de troon in Kabul. Britse en Indische troepen werden in de stad gestationeerd om Sjah Shuja bij te staan in de strijd tegen rivaliserende stammen en troonpretendenten. De buitenlanders amuseerden zich kostelijk met cricketwedstrijden, concerten en schaatsen. Ze dronken alcohol en hadden omgang met Afghaanse vrouwen, tot afkeer van de Islamitische autoriteiten en strenggelovige bevolking. Deze ging gebukt onder verhoogde prijzen voor voedsel in de bazaar, opgedreven door de aanwezigheid van de troepen, en zware belastingen die de nieuwe administratie en de Sjahs luxe levensstijl moesten bekostigen. Elke opstand tegen de nieuwe koning werd hardhandig afgestraft. Onvrede broeide onder de bevolking.

Sjah Shuja had zijn intrek genomen in het ommuurde fort, het Bala Hissar, met zijn troepen en huishoudelijke staf, zodat het Britse garnizoen in open terrein kamp had moeten opslaan. Een menigte bestormde de barakken waarin de Britse officiers gehuisvest waren. Sjah Shuja deed nog halfslachtige pogingen om zijn bondgenoten te hulp te schieten, maar kon niet voorkomen dat legerofficier Alexander Burnes aan het mes werd geregen. Gezant William MacNaghten werd later doodgeschoten tijdens vredesonderhandelingen.

Midden in de winter blies het Britse leger de aftocht. Een kolonne van 16,000 man, soldaten en burgers, ging op weg naar het Britse kamp in Jalalabad. Slechts één man, de legerarts, zou daar een week later aankomen. De overigen kwamen in de besneeuwde bergpassen om het leven. Degenen die de aanvallen van Afghaanse strijders overleefden vroren dood van de kou. Het was de grootste nederlaag ooit geleden door het koloniale Britse leger. Zonder buitenlandse militaire steun overleefde het regentschap van Shah Shuja niet lang. Hij werd een jaar later vermoord.

Terwijl we over de kale vlakte wandelden naar de hogere plateaus van het fort keek Roger naar mij: ‘Heb je al gelezen over de tweede Anglo-Afghaanse oorlog?’ Ik schudde van nee, zo ver ben ik nog niet gekomen.

Veertig jaar later kwam het wederom tot een confrontatie. De Britse missie, onder leiding van Sir Louis Cavagnari, waande zich veilig in de nieuwe residentie binnen de muren van het grote fort. Bij een opstand werden hij en zijn staf vermoord. De burgemeester van Kabul zou het afgehouwen hoofd van de Britse resident triomfantelijk door de stad hebben gedragen. De Britten stuurden een troepenmacht uit India om de stad in te nemen. De oproerkraaiers zagen het daglicht voor het laatst vanaf de galg in Bala Hissar. Een deel van het handelscentrum van de stad werd met de grond gelijk gemaakt. Het fort werd opgeblazen. ‘Nu ziet het er zo uit.‘ Hij gebaarde om zich heen. Zijn betovergrootvader was generaal in het Britse koloniale leger.

Op het hoogste punt van het fort stond een houten huisje waarin de twee soldaten woonden die het fort bewaakten. Een van hen, in donkergroen uniform, zat buiten op een metalen bed, met uitzicht over de stad. Hij stopte een muziektape in een cassetterecorder en draaide aan de knoppen van het apparaat tot er krakerige muziek uitkwam. Zijn collega wandelde een stukje met ons mee langs de buitenmuren van het fort. ‘Niet van het pad gaan,’ waarschuwde hij. Het pad van platgetrapt gras was gebaand door hem en zijn maat. Aan de overzijde van een natuurlijke kloof, waar een weg doorheen liep, was een stuk van de oude stadsmuur te zien. Vanaf deze hoogte leek de stad op een verzameling doosjes uitgestrooid over de glooiende uitlopers van de Hindu Kush. Aan de horizon gloorden haar toppen nog steeds bedekt met sneeuw. Dit was een van de momenten waarop ik mezelf moest knijpen om te zien of ik wel wakker was.

Roger stond wijdbeens, met de handen diep in de zakken van zijn fleecejack, aan de rand van de afgrond uit te kijken over de lagergelegen bebouwing. Zijn wangen waren rood van de frisse wind. ‘Vele jaren later zullen we ons dit moment herinneren, dat we hier waren, toen er nog niemand anders was, om dit land te helpen om eigen benen te staan,’ riep hij me melodramatisch toe. Hij stak beide handen triomfantelijk in de lucht. Ik grijnsde om het overmoedige gebaar.

Verroeste tanks en lege hulzen uit een recent verleden getuigden van een meer recente oorlog. John van The Halo Trust inspecteerde drie enorme hulzen die uit een zandberg staken. ’Russisch,’ constateerde hij. Kijkend naar de munitie zei Roger: ‘Afghanistan heet niets voor niets het kerkhof van koninkrijken.’

Karzai’s beroep op de vergevingsgezindheid van zijn landgenoten viel lang niet bij iedereen in goede aarde. Parlementslid Sayyaf noemde de Deense cartoons een misdaad en riep zijn landgenoten op tot een krachtige reactie: ‘Om te voorkomen dat in de toekomst iemand ooit weer iets dergelijks doet.’ Hij was van mening dat de Veiligheidsraad van de VN Denemarken en alle andere landen die de cartoons publiceerden streng zou moeten veroordelen. In het Afghaanse parlement werd een resolutie besproken om de Deense uitgever voor het gerecht te brengen: ‘We vragen de Islamitische Republiek van Afghanistan om een diepe haat uit te spreken voor Denemarken.’ Uit de lokale media maakte ik op dat deze mening gedeeld werd door veel Afghanen.

Een dag later ging ik op bezoek bij de Nederlandse generaal Willemse in het hoofdkwartier van ISAF. Hij had een spannende week achter de rug. Tijdens een demonstratie werd het Noorse kamp in Maymana, hoofdstad van de noordelijke Faryab-provincie, belegerd. De Noren vroegen het ISAF-hoofdkwartier in Kabul om luchtsteun. Willemse was als plaatsvervangend commandant nauw betrokken bij de besluitvorming over de aard van de luchtsteun. Een Nederlandse F-16 loste, toen laag overvliegen geen effect had, enkele waarschuwingsschoten om de menigte uiteen te jagen. Willemse vertelde hoe het tot die beslissing kwam: ‘De commandant van ISAF en ik stonden voor de keuze. Moeten we onze toevlucht nemen tot geweld om het kamp te beschermen? Besluiten we om te agressief in te grijpen, dan kan de situatie escaleren. Doen we niets, dan loopt het kamp misschien schade op. Het was een moeilijke beslissing. Ik was nog niet eerder in een dergelijke situatie geweest.’

De generaal dacht dat de demonstraties niet alleen tegen de cartoons of tegen het westen gericht waren: ‘Bij de demonstratie in Maymana kon je merken dat er een organisatie achter zat, die heeft mogelijk de Afghaanse overheid in diskrediet wil brengen, om aan te tonen dat de Afghaanse overheid de touwtjes niet in handen heeft. Het is waarschijnlijk ook een stukje onvrede bij de bevolking, die niet alle vooruitgang en ontwikkeling ziet die ze had verwacht.’

Gerustgesteld door de bewering van de generaal dat het rustig was, waagde ik me zondag voor het eerst weer op straat. Ik wandelde vanaf mijn huis door Shar-e Now, langs het park en door Chicken Street naar het Mustafa Hotel. De sfeer op straat was gespannen. Afghaanse voorbijgangers keken naar me alsof ik er beter niet zou kunnen zijn. Bij aankomst in het hotel trof ik iedereen in de bar aan. Er werd door de buitenlanders luid gediscussieerd over de gebeurtenissen van de afgelopen week. Iedereen was het erover eens: wat de westerse media ook fout gedaan mag hebben, de reactie van extreme moslims om er gewoon op los te slaan was buiten elke proportie. Wais en Haroon hielden zich afzijdig van de discussie.

‘Wat vinden jullie ervan?’ richtte ik me tot hen. ‘Waar komt die woede vandaan?’ Haroon was zeker van zijn zaak. ‘Je mag Mohammed geen gezicht geven. Dat is heiligschennis!’ Zijn hese stem sloeg over.

‘Om dan te gaan moorden!’ riep ik uit.

Haroon deed gekrenkt het zwijgen toe na mijn uitroep. Wais kneep bedachtzaam de ogen ietsjes toe en trok een mondhoek op: ‘De meute wordt gemanipuleerd. Waarom worden nu pas die cartoons bekend gemaakt? Denk je dat die analfabeten toegang hebben tot Deense kranten en tijdschriften?’ Op mijn vraag wie daar achter zat, wierp hij samenzweerderig een blik op de Amerikanen die aan de bar hingen. ‘Daar hebben we het een andere keer over.’

Zonder nadenken merkte ik op dat de sfeer op straat nog steeds gespannen was. ‘Ben je komen lopen? Ben je helemaal gek geworden! Je weet toch dat er gewaarschuwd wordt voor ontvoeringen! Er zijn gisteren twee Nepalese gurka’s ontvoerd in Shar-e-Now. Vandaag zijn twee Filippino’s van straat gehaald! Weet je wel wat ze doen zodra ze een ongelovige te pakken krijgen? Eerst slaan ze je verrot, dan verkrachten ze je. Dan snijden ze je met veel plezier de kop af.’

Het bleef rustig in Kabul. Ook in de rest van het land verstomden de protesten. De cartoon-rellen kostten dertien mensen het leven.