Geen stembiljet ontvangen

De nieuwe Islamitische Republiek van Afghanistan had naar westers model de vorm van een democratie met een president aan het hoofd gekregen. Dat was bepaald in een nieuwe grondwet. Die was de modernste in de regio: ze kende gelijke rechten toe aan mannen en vrouwen. In 2004 waren de eerste presidentsverkiezingen gehouden, waarbij vrouwen voor het eerst hun stem mochten uitbrengen.

Hamid Karzai was met een ruime meerderheid verkozen tot de eerste democratisch verkozen president. Hij was in juni 2002 met instemming van de westerse landen benoemd tot hoofd van een overgangsregering. De fotogenieke president Karzai, altijd onberispelijk gekleed in de traditionele zijden Afghaanse chapan[1], de karakteristieke karakul[2]-muts op het hoofd, had internationaal bijna de status van een rockster. Hij genoot het vertrouwen van de Amerikaanse president George W. Bush. De stamleider had aanvankelijk de Taliban gesteund en was overgelopen naar de oppositie toen zijn vader bij een aanslag van de extremisten werd vermoord. In Afghanistan noemde iedereen hem ‘de burgemeester van Kabul’, omdat zijn macht niet verder reikte dan de stadsgrenzen. Hij had geen eigen leger en moest daarom door bewakers van het Amerikaanse bedrijf DynCorps worden beschermd.

De volgende belangrijke mijlpaal voor de kersverse democratie was de installatie van een parlement. De parlementsverkiezingen in september 2005 waren groot nieuws. Het waren de eerste in dertig jaar. Vanuit de hele wereld stroomden de journalisten toe. Dagelijks arriveerden nieuwe gasten in het Mustafa Hotel. ’s Avonds stonden ze op het terras om via satelliettelefoons de redacties in eigen land van het nieuws te voorzien. De Taliban en Al Qaeda hadden aangekondigd de verkiezingen te saboteren. Een bekende Nederlandse oorlogscorrespondent kwam in Kabul aan om een dag later weer af te reizen naar Kandahar waar hij meer spektakel verwachtte. Van daaruit belde hij: ‘Hoe is de situatie in Kabul?’

‘Hier is het rustig,’ zei ik. ‘Hoe is het in Kandahar?’

Hot and dangerous. Zo heb ik het graag.

Een Franse televisieploeg vond het kennelijk zo gevaarlijk in Kabul dat ze op straat in kogelvrij vest verslag deed van de situatie. Ook een Amerikaanse fotograaf was op alles voorbereid. Hij toonde me een flak jacket dat hij via EBay had gekocht, een vest van de vierde categorie, de hoogste graad van beveiliging, met keramische platen aan de voor-, zij- en achterkant.

Het Ghazi stadion waar de Taliban hun executies hadden uitgevoerd was het Mekka voor deze journalisten. Op 9 september vond in dat stadion een herdenkingsdienst voor Ahmad Shah Massoud plaats, die vier jaar eerder op die dag bij een zelfmoordaanslag was omgekomen. Journalisten stonden uren in de brandende zon om een foto te kunnen maken van president Karzai, die de dienst bijwoonde. Degenen die geen perskaart hadden weten te bemachtigen wachtten buiten tevergeefs om toegelaten te worden. Een Amerikaanse journaliste vertelde van haar ervaring in het stadion: ‘Ik ging op de middenstip staan en bedacht wat er hier gebeurd is. Er ging een rilling door mijn lichaam.’

Op een ochtend was er ineens opwinding onder de journalisten. ‘De Minister van Defensie is bij een aanslag om het leven gekomen!’ riep een Duitse verslaggever. Hij had dat op een nieuwslijn gelezen. ‘Hij was in de auto op weg naar de herdenking van Massoud in de Pansjirvallei. Er is ook een helikopter met hoogwaardigheidsbekleders op weg naar dezelfde dienst verongelukt. Dat kan geen toeval zijn. Het zijn gecoördineerde aanslagen! Dat moet werk van Al Qaeda zijn. Nou zal je het hebben!’ Het bleek loos alarm: de Minister van Defensie zat niet in de auto die werd beschoten. De helikopter kon alle inzittenden veilig op de grond zetten.

Dagen voor de verkiezingen had geen muur meer plaats voor nieuwe aanplakbiljetten. Afghaanse muziek en verkiezingsslogans schalden uit luidsprekers van met posters beplakte bestelauto’s die door het centrum van de stad rijden. Ik ging een kijkje te nemen bij het Afghaanse persagentschap Pajhwok. Het was met 600 verslaggevers een van de grootste persbureaus van Afghanistan. Het opbloeien van de vrije media was een van de grote successen die de bevrijding teweeg had gebracht.

Danish Karokil, de directeur van het persagentschap, een slanke dertiger in stemmig grijs westers kostuum met goed verzorgde donkere baard, verwelkomde me vanachter een enorm bureau vol papier. Vanzelfsprekend kon er tijdens het Taliban-regime van vrije nieuwsgaring geen sprake zijn. Karokil was een van de vier journalisten die gedurende die tijd in Kabul werkte en vandaar de westerse media informeerde. In de nieuwe grondwet van Afghanistan was vrijheid van pers vastgelegd. Dat wilde niet zeggen dat het eenvoudig is voor een Afghaans journalist om zijn vak uit te oefenen.

‘Een van onze verslaggevers werd onlangs ontvoerd door de gouverneur van Nangarhar. Hij kon pas vrij komen nadat Reporters Sans Frontières druk op Karzai uitoefende. Een journalist in Ghardez kreeg geen perskaart voor de verkiezingen. Reizen verslaggevers naar de verafgelegen provincies dan kunnen ze daar niet op hulp van de politie rekenen. Die begrijpt vaak niet eens wat het werk van een verslaggever behelst.’  Na een bezoek aan een dorp bracht Karokil zelf eens drie uur door op een politiebureau, om uit te leggen wat hij daar had gedaan: ‘Ze konden mijn papieren niet lezen.’

Onlangs ontdekte de journalist dat in drie dorpen op slechts 25 km afstand van Kabul, Pul-e Sharki, Maipar en Beinemshawari, de bewoners niets van de aanstaande verkiezingen afwisten. ‘Niemand heeft een stembiljet ontvangen. Geen aankondiging. Vijfhonderd mensen die niet wisten dat we vorig jaar presidentsverkiezingen hebben gehad!’  De registratie van kiezers was een VN-operatie. Bij de presidentsverkiezingen bleef het aantal kiezers beperkt tot zes miljoen. Dit jaar waren er ruim 12 miljoen registratiekaarten uitgedeeld.

Karokil verontschuldigde zich om de telefoon aan te nemen en nodigde me uit om zaterdag de voorbereidingen voor de verkiezingen te volgen op hun bureau.

Vrijdag is de islamitische heilige dag. Iedereen heeft dan vrij in Afghanistan. Vrouwen en meisjes gaan vaak voor een dagje uit naar Barg-e Zanana, het vrouwenpark. Na lang zoeken had ik een vrouwelijke tolk gevonden om daar met me mee naar toe te gaan.

Voor een klein bedrag kocht ik een serie flinterdunne armbanden op de vlooienmarkt in het park en liet mijn handen versieren met henna. Vrouwen bewogen ritmisch op muziek uit een klein radiootje. Een vrouw nodigde mij uit om te dansen. . Omstanders klapten enthousiast mee op de maat van muziek om me te begeleiden. Vanachter de tralies van de boerka, met hoofddoek of ontbloot hoofd genoten ze van een popconcert. Een Iraanse zanger die mateloos populair was in Afghanistan trad op. In de pauze legde een vrouw uit hoe het stemmen in zijn werk zou gaan.

Farida, de Managing Editor van Pajhwok, verzuchtte op zaterdagochtend om 8 uur, voor aanvang van de redactievergadering: ‘Het is nog steeds niet eenvoudig voor een vrouw om in Afghanistan te werken.’ Ze zat de vergadering voor en, al was bijna de helft van haar verslaggevers vrouw, zij was de enige die aan de redactietafel plaatsnam. Farida was een moderne Afghaanse vrouw, met lang golvend haar, gouden oorbelletjes en hoge hakken, die ze later zou verwisselen voor gemakkelijke, platte slippers.

De verhalen van de verkiezingen waren: waar gaat president Karzai stemmen, hoeveel geld besteden de kandidaten aan hun PR-campagnes, welke maatregelen neemt ISAF om te voorkomen dat er incidenten plaatsvinden, wat zijn de plannen van het Ministerie van Gezondheidszorg voor eventuele noodsituaties. Karokil schoof om 9 uur aan tafel met het nieuws dat een vrouwelijke kandidaat in Nuristan de vorige avond was aangevallen. Na afloop van de vergadering vertrokken verslaggevers met notitieblok in de hand om de verhalen voor de dag te onderzoeken.

Farida bleef achter om de nieuwsdesk te bemannen. Mijn tas viel van een stoel open op de grond en de blauwe stof van mijn boerka werd zichtbaar. ‘Waarom heb jij een boerka in je tas?’ vroeg ze met grote ogen en opgetrokken wenkbrauwen.

‘Voor noodgevallen.’

‘Dat heb je helemaal niet nodig. Ze zullen een Europese journaliste echt niets doen. ‘

Om kwart over twee in de middag sprak Farida de verzamelde verslaggevers bemoedigend toe: ‘Pajhwok is nu bekend in het land, de mensen verwachten iets van ons. Voor degenen die morgen op straat zijn, wees voorzichtig.’ Hoofdredacteur Dost vulde haar woorden aan: ‘Het moet onze dag worden. Wij willen de verkiezingen voor ons opeisen. Het nieuws komt van ons, niet van de BBC! Mocht je Karzai spreken, vraag hem dan of hij op een man of een vrouw stemt!’

De spanning leek de laatste paar weken geleidelijk tot een hoogtepunt te worden opgevoerd. Een Nederlandse journalist vertelde op de radio aan de vooravond van de verkiezingen dat de rust in Kabul moest worden beschouwd als de stilte voor de storm.

Achttien september viel op een zondag. Vanwege de verkiezingen had iedereen officieel een vrije dag gekregen. Om vier uur ‘s ochtends hoorde ik journalisten vertrekken op weg naar de stemlokalen. In de ochtend was het rustig op straat. Ik wandelde rond het middaguur, toen de ergste drukte was geluwd, naar het stemlokaal in de Malalai High School aan de overkant van de straat. Er stond bewapende bewaking van het Afghaanse nationale leger voor de poort. De soldaten bekeken mijn perskaart aandachtig en doorzochten mijn cameratas op explosieven.

Een man kwam met vier vrouwelijke familieleden gehuld in zwarte sluiers net uit het stemlokaal toen ik daar aankwam. Hij liet me trots zijn blauwe wijsvinger zien. ‘Ik woon in de Verenigde Staten. Ik wilde zo graag stemmen dat ik er speciaal voor naar Afghanistan ben gekomen.’ Binnen drukte een oudere dame haar vinger in de inkt. Er waren twee stembiljetten met elk duizenden namen, voorzien van een symbool voor de stemmers die niet konden lezen. Het duurde een kwartier voor de vrouw vanachter het kartonnen stemhokje vandaan kwam. De beambten van het stemlokaal, leraressen van de Malalai High School, hielpen haar vervolgens om het gele biljet in de linker doos te stoppen en het blauwe biljet in de rechterdoos.

Alle dreigementen van de Taliban ten spijt deden er zich in Kabul nauwelijks incidenten voor tijdens de verkiezingen. Bij een raketaanval op het JEMB-kantoor aan de Jalalabad Road kwam iedereen met de schrik vrij. Het was een anticlimax. De uitslagen van de verkiezingen zouden zeker nog een maand op zich laten wachten. De meeste journalisten reisden de dag na de verkiezingen al weer af.

Half november werden de resultaten van de verkiezingen bekend. Ruim zes miljoen mensen hadden hun stem uitgebracht. Voormalige Taliban-leden, krijgsheren en oorlogsmisdadigers wonnen zetels in het nieuwe parlement. Ze hadden de democratie kennelijk omarmd. Zo werd krijgsheer Abdul Sayyaf een van de nieuwe parlementsleden. Hij stelde zich ook kandidaat voor de functie van Kamervoorzitter en verloor die strijd nipt. Vrouwengroepen juichten: ze behaalden alle 68 voor hen gereserveerde zetels in de Wolesi Jirga. Slechts vijf voor vrouwen bestemde zetels in de provinciale raden van het conservatieve zuiden en oosten bleven wegens gebrek aan kandidaten vacant.



[1] Mantel.

[2] Lamswollen.

Zorgen voor zieken loont niet in Afghanistan

Vier jaar na het beëindigen van de oorlog in Afghanistan loopt een inwoner van Kabul meer kans om het leven te komen bij een verkeersongeval dan door oorlogsgeweld.

Afghan hospital

In een van de buitenlandse ziekenhuizen kan hij rekenen op goede verzorging. In de lokale ziekenhuizen is de kwaliteit van de zorg onder de maat en heeft het personeel zelf kopzorgen: van haar salaris kan zij niet rondkomen.

Doodgereden op straat

De zevenjarige Farida werd twee dagen geleden op straat door een auto aangereden. Ze heeft een ernstige verwonding aan het hoofd en ligt aan de beademing, maar de conditie van het meisje is inmiddels gestabiliseerd. ’Vergeet oorlogsgeweld of terrorisme. Je hebt in Kabul vandaag de dag meer kans om dood gereden te worden op straat,’ zegt de Italiaanse chirurg Gino Strada, algemeen directeur van traumacentrum Emergency. Iedere dag laten vijf kinderen het leven bij een verkeersongeval in Kabul, waar amper vier jaar geleden paard en wagen nog het straatbeeld bepaalden. Patiënten komen uit alle delen van het land per taxi of met eigen vervoer naar het Italiaanse traumacentrum, waar medische hulp gratis is. Een internationale staf van chirurgen staat vierentwintig uur per dag paraat om noodzakelijke operaties, tot reconstructieve chirurgie aan toe, uit te voeren. Er arriveren dagelijks twee à drie patiënten met steek- of kogelwonden, slachtoffers van gewone criminaliteit. ‘Afghanistan is nog steeds geen vredig land.’ Strada plukt een lange zwarte haar uit het bed van een van de patientjes, een meisje van acht jaar, dat geraakt werd door een afgedwaalde kogel. ‘Kun je tegen de moeder zeggen dat ze niet bij haar dochter in bed mag klimmen,’ instrueert hij een verpleegkundige. ‘Om infecties te voorkomen.’ Strada: ‘Wij geven patiënten de zorg die we zelf graag willen hebben.’

Voor 30 Usd per maand

‘Daar ga je heen om dood te gaan,’ zegt Abdullah, mijn tolk, over het academisch ziekenhuis Ali Abad. De gebouwen verkeren in slechte staat van onderhoud, verf bladdert van de muren, licht ontbreekt op de lange gangen en de apparatuur is verouderd. Dokter Azizullah Amir, hoofd van de afdeling Interne Geneeskunde, vertelt dat er een miljoen USD besteed is aan de renovatie van het oudste hospitaal van Kabul. Buitenlandse hulporganisaties stelden de apparatuur beschikbaar. Op de afdeling Neurochirugie doen de artsen hun ronde over overvolle zalen, waar de hygiënische condities te wensen overlaten en een penetrante geur hangt. Ook de hal staat vol met bedden; een van de patiënten ligt op een matras op de grond. De meeste patienten hebben hoofdletsel opgelopen bij een verkeersongeluk. ‘Voor een CT-scan sturen we iemand naar het militair hospitaal,’ zegt Aziz desgevraagd. Medische zorg is gratis, maar medicijnen komen voor rekening van de patiënt zelf. Familieleden moeten voedsel meebrengen en de zorgtaken op zich nemen. De arts klaagt over gebrek aan motivatie, toewijding en een professionele werkhouding bij de verpleegkundigen. ‘Zij hebben zelf zorgen. Ze werken zes dagen per week, acht uur per dag, voor maar 30 USD per maand. In Kabul heeft een gezin 300 USD per maand nodig om van rond te kunnen komen.’ Gediplomeerde artsen verdienen 50 USD. ‘Dat ben ik alleen al kwijt aan vervoer naar het ziekenhuis,’ aldus de arts.

Met behulp van God

Het kinderziekenhuis Indira Ghandi heeft ruim negentig vacatures openstaan. ‘Er zijn maar weinig vrouwen die voor een salaris van 35 USD per maand bij ons willen komen werken,’ zegt Dr. Yousufzai, plaatsvervangend directeur van het ziekenhuis. De Afghaanse arts legt de vinger op de zere plek: ‘Het budget voor de gezondheidszorg is niet toereikend. De 60.000 Afghani die we per kwartaal van het Ministerie van Gezondheidszorg krijgen is niet eens voldoende om het ziekenhuis één dag in bedrijf te houden. Met behulp van donaties van ISAF en buitenlandse hulporganisaties lukt het ons om vrijwel alle medische kosten voor onze patiënten te betalen. We runnen het ziekenhuis met de hulp van God.’ Zo beloofde de Indiase president Singh tijdens een staatsbezoek aan Afghanistan het ziekenhuis een paar miljoen USD. In de laatste vier jaar is het hoofdgebouw gerenoveerd en ging de capaciteit van het ziekenhuis van 250 naar 375 bedden, maar de salarissen van het personeel bleven hetzelfde. De afdeling Ondervoeding beslaat een hele verdieping van het hoofdgebouw. Zes zalen vol baby’s, peuters en kleuters met grote ogen, holle wangen en uitgemergeld lichaampjes. De Franse organisatie Action Contre le Faim betaalt de salarissen van de verpleegkundige staf van de afdeling.

Als iemand benen wil

De Italiaan Alberto Cairo, directeur van het orthopedisch centrum van het Rode Kruis, zegt over de lokale ziekenhuizen: ‘het personeel daar is niet geïnteresseerd in de patiënt. Het verloop is hoog, artsen en verpleegkundigen verdienen bij door het verkopen van medicijnen en door geld te vragen voor het openhouden van een deur of het verschonen van een bed.’ Hij vraagt zich ook af of alle donaties wel goed terechtkomen. Het Rode Kruis opende het centrum 18 jaar geleden voor het verstrekken van prothesen aan oorlogsslachtoffers. Op zaal kijkt de twintigjarige Hassan sip. ‘Gewoon stommigheid,’ moppert zijn vader. Hij vertelt dat zijn zoon een gevonden mijn mee naar huis nam, waar deze ontplofte. Hassan verloor daarbij een been. Landelijk gezien maken mijnen iedere maand ruwweg 100 nieuwe slachtoffers. Najimuddin, hoofd van de Afdeling Fysiotherapie, verloor 18 jaar geleden beide benen toen hij op een mijn stapte. Na zijn revalidatie kon hij in het centrum aan de slag als fysiotherpeut. ‘Wij kunnen niet alle problemen in Afghanistan oplossen,’ geeft Cairo toe, ‘maar we hebben 35.000 mensen aan prothesen geholpen. Als iemand benen wil, dan kan hij ze bij ons gratis komen halen.‘ Alle medewerkers van het centrum zijn zelf gehandicapt. Met een salaris van 220 USD per maand zijn zij in vergelijking met collega’s elders in ieder geval riant betaald.

Is dit een oorlogsgebied?

Ook al hadden een kleine tienduizend buitenlandse militairen hun kamp opgeslagen in de stad, in 2005 leek nog Kabul onaangedaan. In het centrum hing de chaotische, levendige atmosfeer van een oosterse openluchtbazaar. Traditionele lage winkeltjes van leem, baksteen en hout met open gevels en handgeschilderde uithangborden toonden schaapskarkassen, roterende gegrilde kippen op spit, barbecues met vlees op spiesen, afgehouwen kalfskoppen en -poten, versgebakken naan en vers groente en fruit. Appels, sinaasappels, granaatappels en meloenen lagen opgestapeld in piramiden. Verkopers stonden achter handkarren met aardappelen, wortels en uien, zeep, shampoo en schoonmaakmaterialen luidkeels hun waar aan te prijzen. Tweedehands kleding hing tentoongespreid over muurtjes en hekken. Heuvels amandelen, rozijnen en walnoten lagen op zeil op de grond.

Krakkemikkige oude taxi’s, splinternieuwe Toyota Corolla’s, witte 4WD’s en aftandse stadsbussen hielden zich aan geen enkele in het westen geldende verkeersregel. Ze manoeuvreerden luid toeterend voorwaarts in de zee van voertuigen. Moedige fietsers waagden zich tussen het voortstuwende verkeer en balanceerden soms gevaarlijk dicht langs de rand van open riolen. Oversteken was een hachelijk onderneming voor voetgangers bij afwezigheid van zebrapaden en functionerende stoplichten. Ik draaide het autoraampje open om foto’s te maken. Een kakafonie van claxons, motoren en straatventers sloeg me om de oren.

Voetgangers krioelden door elkaar. Stamleden in traditionele kleding, de shalwaar kameez,[1] met een longee[2], kufi[3] of pakul[4] op het hoofd, wandelden op hun gemak voorbij onze stilstaande auto. Een enkeling gluurde even vluchtig door het autoraam. Onder de witte, zwarte en geblokte tulbanden waren de gezichten donker, tanig en gegroefd als van woestijn- en bergbewoners. De menigte was een golf van witte, grijze en beige shalwaars. Ik zag een jongeman in gebleekte spijkerbroek en felgekleurd T-shirt en een bebaarde zestiger in donker kostuum met een snit van dertig jaar geleden. De weinige vrouwen op straat respecteerden de hijab[5]. Het fleurige zachtblauw van de in het oog springende boerka’s was een zucht van schoonheid in het kleurloze straatbeeld. Een groepje vrouwen school onder ruime zwarte omslagdoeken die alleen het gezicht vrijlieten. Met kinderen op de arm en aan de hand liepen ze op hun gemak te winkelen.

De chauffeur stuurde de auto door een straat met aan de linkerkant winkels met fornuizen, kooktoestellen en gasflessen, en aan de andere zijde winkels met touw en gereedschappen. De hele stad leek omarmd door bergen. Het verafgelegen Hindu Kuschgebergte torende uit boven de bebouwing. De rotsformaties gaven hun zachtbruine kleur af aan de stedelijke omgeving, zodat deze bijna weg viel tegen de achtergrond. Het genadeloos felle zonlicht versterkte dat effect. Alle kleur vervaagde tot schakeringen van beige tot zachtgeel en lichtbruin met een muisgrijze ondertoon. Omdat de airconditioning het niet deed, liet ik het raampje openstaan. De buitenlucht bracht hitte en stof mee, geen verkoeling. Zweet liep langs mijn slapen. Ik was nog niet gewend aan een hoofddoek. De warmte sloeg zich als een deken om me heen. Toch voelde het niet drukkend aan, niet zoals in een vochtend klimaat. Scherpe, droge lucht prikkelde mijn neus.

De weg draaide om een aantal heuvels om uiteindelijk te stuiten op de Deh Mazang-rotonde, waar het hoofdkantoor van de verkeerspolitie ooit was gevestigd. Het was nu een ruïne. Op de rotonde kwam een witte minibus van rechts aanscheuren, zonder aanstalten te maken om vaart te minderen. Een grote stadsbus doemde op aan de linkerzijde van de auto, gelijk een olietanker uit een dichte mist. De chauffeur van de minibus taxeerde de situatie. Hij minderde wat vaart, stak zijn hand uit het geopende raam en gebaarde de bus voor te gaan. Hier golden geen regels anders dan het recht van de sterkste. Eerder zag ik al dat de Afghaan even zo gemakkelijk een rotonde linksom nam, tegen het verkeer in, om zo snel mogelijk daar te komen waar wij moesten zijn.

Na de rotonde kwamen we op een brede kaarsrechte boulevard uit, de Darulaman Road, die we in zuidwestelijke richting volgen. Waar het centrum van Kabul grotendeels aan de gesel van verwoesting tijdens de burgeroorlog in de jaren negentig is ontsnapt, daar kreeg dit gedeelte van de stad de volle laag. Twee krijgsheren verschansten zich aan weerszijden in de heuvels en bestookten elkaar vandaar met raketten en mortieren. Bij de bombardementen werden paleizen, overheidsgebouwen en woningen in de omgeving zwaar beschadigd en gingen vele mensenlevens verloren. Daarom wilde ik na aankomst in Kabul als eerste hier naar toe. Om de afschrikwekkende getuigen van de oorlog in het gezicht te kijken.

Mijn tolk Sabor, in een wollen, westers kostuum, donkerblauw jasje met goudkleurige knopen en een grijze broek met vouw – ondanks de hitte – merkte op dat er al veel nieuw was gebouwd in de laatste vier jaar. De vijftiger leek door zijn sneeuwwitte baard en dikke buik op de Kerstman. Met zijn baan op het Ministerie van Publieke Werken verdiende de jurist 60 US$ per maand, niet genoeg om zijn gezin van te kunnen onderhouden. Tolken in de middaguren gaf hem de kans bij te verdienen. Door hardhorendheid was zijn bruikbaarheid beperkt. ‘Er is hier al veel hersteld,’ zei hij. Maar de indruk van verwoesting overheerste. Gevels doorzeefd met kogelgaten. Hoogbouw zonder façade toonde scheefgezakte vloeren en kille geraamtes van gebouwen. Enkele half afgebrokkelde muren verrezen uit stapels betonblokken als stompjes uit een tandeloze mond.

Halverwege de boulevard konden we eindelijk uit de auto stappen om foto’s te maken van de verwoesting. Een meisje kwam voorbij met een kudde geiten. Bij de ruïnes hing wasgoed aan lijntjes te drogen. ‘Daklozen en teruggekeerde vluchtelingen hebben leegstaande panden betrokken, waarvan de eigenaars dood zijn of in het buitenland wonen,’ legde Sabor uit. Even verderop waren mannen bezig met het herstel van een huis. Bakstenen uit neergehaalde muren werden op hopen gegooid en gesorteerd voor hergebruik. Sabor sprak een van hen aan in het Dari, de in Kabul gangbare taal. Hij bleek te zijn teruggekeerd naar zijn eigen huis. ‘We vluchtten voor de bombardementen. We lieten alles achter. Niemand wist dat we vertrokken. De hond bleef achter. Onze geiten. Alle bezittingen. We trokken de deur achter ons dicht, denkende dat we een maand later terug zouden kunnen komen.’ Het duurde twintig jaar voor ze hun vaderland weer zagen. Het huis was een lege ruïne.

In de loop der jaren waren tussen de 5 en 6 miljoen mensen op de vlucht geslagen voor het oorlogsgeweld. ‘Waar zijn jullie geweest?’ vroeg Sabor. Iran is het antwoord. Verreweg de meeste Afghaanse vluchtelingen waren in tijdelijke kampen in Iran en Pakistan terechtgekomen. Daar werden ze opgevangen in tenten onder veelal abominabele omstandigheden, in de verwachting dat de ontheemden snel zouden kunnen terugkeren naar hun vaderland. Sommige van de kampen bestaan al ruim twintig jaar. Doordat de gewelddadigheden aanhielden groeide een hele generatie Afghanen buiten het vaderland op. De Pakistaanse kampen waren de geboorteplaats van de Taliban-beweging die later de macht in Afghanistan greep.

‘Waarom ben je niet gebleven?’

‘Het leven in Iran is niet gemakkelijk voor Afghaanse vluchtelingen.’

De man keek naar de grond, pakte een stuk hout, waarschijnlijk van een kozijn of een deurpost, en bekeek het taxerend. Hij gooide het met een mismoedig gebaar in een hoek op een hoop afval. Ondanks pogingen van de Pakistaanse en Iraanse regeringen om hen te stimuleren terug naar Afghanistan te keren, woonden miljoenen Afghanen er nog.

Het wegdek van de kilometerslange boulevard zat vol putten en gaten. Asfalt ontbrak grotendeels. Op oude foto’s had ik gezien dat hier ooit een tramlijn had gelopen die in de jaren twintig door Duitse ingenieurs was aangelegd. Daar was geen spoor meer van te bekennen. Uitgebrande en verroeste wrakken van auto’s, trucks en bussen lagen aan weerszijden van de weg waar eens populieren stonden. Aan het einde van de boulevard tekende het silhouet van het Darulaman Paleis zich als een mirage tegen de horizon af. Gelegen op een heuvel, domineerde het grijze vierkant met rijen zwarte gaten, open galerijen en vier geraamten van koepels haar directe omgeving.

Tegen het einde van de boulevard stapte ik weer uit de auto om foto’s te maken. Ik struinde door hopen stenen en brokken cement op zoek naar goede invalshoeken voor een foto. Vier kinderen met piekerig haar en vuile snoetjes speelden tikkertje in de puinhopen: drie kleine meisjes van een jaar of acht, negen en een geestelijk gehandicapte jongen die wat ouder was. Er waren geen ouders in de buurt. Ze stonden even stil om voor een foto te poseren en renden toen weer door. Even verderop stonden aan de linkerzijde van de boulevard drie zwartgeblakerde gebouwen, de muren getekend door kogelgaten en raketinslagen. Het ommuurde complex van een voormalige luciferfabriek werd bewaakt door een Afghaanse militair met een Kalasjnikov. Sabor aarzelde. Ik liep door. Hij had geen andere keus dan achter me aan te hobbelen.

De soldaat versperde de toegang. Ik deed demonstratief mijn camera af en stopte deze in de tas die om mijn schouder hing. Toen gebaarde hij met zijn hoofd dat we verder konden lopen. Sabor had moeite om mijn tempo bij te houden toen we de vlakte overstaken naar de gebouwen. Hij veegde het zweet met een zakdoek van zijn voorhoofd. Het jasje ging uit en de hemdsmouwen werden opgestroopt. Puffend bood hij aan om mijn fotoapparatuur te dragen. Ik gaf hem het vederlichte statief. Mannen stonden bij de waterpomp te praten. Een oudere met witte baard, witte shalwaar kamees en een witte tulband op het hoofd kwam ons tegemoet. Hij vroeg wat we kwamen doen. Het zinde hem niet dat de soldaat aan de poort ons had binnengelaten. Alleen de malek[7], hijzelf, mocht buitenstaanders toestemming geven om het terrein te betreden. Snuivend van verontwaardiging liep de oude man weg. De voormalige luciferfabriek was een tijdelijke huisvesting voor ontheemden.

Toen we het gebouw betraden maakten de meeste bewoners zich uit de voeten. Op de eerste verdieping kwamen we Fariq tegen. Hij woonde met zijn moeder en drie jonge kinderen in een kamer van acht bij vier, die ze deelden met een andere familie. In het midden hing een geïmproviseerde afscheiding van plastic zeil. De muren waren zwart van het stof en roet. Op het kale beton op de grond lag zeil. Ramen zonder glas. Dekens en matrassen, kookgerei en pannen lagen netjes opgestapeld in een hoek. Het gezin van Fariq was het platteland ontvlucht tijdens de laatste strenge winter, toen kou en gebrek aan voedsel vele levens had gekost in hun dorp. De man deed gehaast zijn verhaal: ‘Nadat mijn vrouw van de honger stierf, besloot ik met het gezin naar Kabul te vertrekken om een beter bestaan op te kunnen bouwen. De regering beloofde land om ons permanent in de stad te kunnen vestigen.’ Op het platteland leefde het gezin van het land en het vee. ‘Ik heb geen geld. Ik heb hier geen werk kunnen vinden. De eerste paar maanden kregen we nog voedsel van een internationale hulporganisatie. Dat stopte van de ene op de andere dag. Af en toe brengt iemand wat meel.’

Afval hoopte zich op. De regering had beloofd het te laten ophalen, maar dat was nog niet gebeurd. Een week geleden waren twee kinderen door een gat in de muur van de bovenste verdieping van het gebouw gevallen. Vaag om zich heen gebarend constateerde Fariq: ’Dit is toch geen omgeving om kinderen groot te brengen.’ De familie was misschien nog slechter af dan in het geboortedorp. Toch kwam het niet in zijn hoofd op om terug te keren. Hij hoopte op een betere toekomst in Kabul. De jonge regering stond voor enorme problemen en kon die nog niet het hoofd bieden

Tegen het einde van de dag brachten we een bezoek aan de dierentuin. Afghaanse families slenterden langs de kooien met panters, konijnen, pauwen, wolven, makaken, wolven en uilen in de Kabul Zoo, de kleinste dierentuin ter wereld. Er was niet veel te zien. Een bombardement had het aquarium vernield. Herten en konijnen waren door de vechtende partijen meegenomen om op te eten. Marjan, de enige nog overgebleven leeuw, was kort geleden overleden. Ruim twintig mannen stonden, hingen en zaten op hun hurken bij de berenkooi. Toen ik voorbij liep draaiden bijna tegelijkertijd alle hoofden mijn kant op. Een familie zat in de schaduw van de bomen te picknicken. De vrouwen hadden hun boerka teruggeslagen om een ijsje te eten. Ik wilde een foto van ze maken. ‘Dat moet je eerst vragen,’ zei Sabor, ‘dat vinden de mannen vast niet goed. Zo is onze cultuur.’

Toen ik op mijn camera wees wenkten de vrouwen me dichterbij te komen. Een slanke jonge vrouw met lichtgroene ogen, omrand met zwarte kohl, stond op om me te begroeten. Ze had de blauwe boerka van nylon met ingeperste plooien omgeslagen, zodat ik haar gezicht kon zien. De geborduurde kap omsloot haar haar; het gewaad golfde om het slanke lichaam. Ze droeg een kleurrijke gebloemde jurk tot op de enkels. Lange vingers met roodgelakte nagels pakten mijn hand en leken hem niet meer los te willen laten. Ze maakte gastvrij een plek naast zich vrij op de kussens. Zweet liep langs mijn slapen. De warmte kleefde aan me. Ik ging zitten. In de schaduw was het aangenaam koel.

‘Welkom in Afghanistan. Nice to meet you.’ Leila leerde Engels op school. De familie kwam uit Hairaton City, vlakbij Mazar-i-Sharif, in het noorden van het land. Ze waren voor een paar dagen op toeristisch bezoek in de hoofdstad, waar ze door de oorlog in geen jaren waren geweest. ‘Ben je getrouwd?’ In welke cultuur dan ook is dat altijd de eerste vraag die aan een vrouw wordt gesteld. ‘Trouw dan met mijn broer,’ stelde ze voor. ‘Hij is een goede kok.’ We lachten samen. Broer ging een ijsje voor me halen bij een van de stalletjes. ‘Is het niet warm, die boerka?’ Ze haalde haar schouders op.

‘Je hebt zulke lichte ogen. Je zou niet opvallen in mijn land,’ dacht ik hardop.

‘Zou ik de boerka ook dragen, wanneer ik in jouw land zou wonen?’

Ik schudde het hoofd. ‘Dan zou je vast jeans dragen.’

‘Echt waar?’ Haar stem klonk ongelovig. ‘Waarom?’

‘Iedereen draagt jeans in Nederland. En gympen!’

Ze schoof haar voeten naar voren: hooggehakte schoenen met roodgelakte nagels. Dat was verboden geweest onder de extremistische Taliban. Ook Leila’s moeder en tante, met hun donkerbruine ogen en olijfkleurig gezichten omlijst door witte boerka’s, waren mooi. Ze vonden het goed dat ik foto’s van hen maakte. We namen afscheid van het gezelschap en wandelden terug naar de auto. ‘Ze komen uit Mazar,’ snoof Sabor laatdunkend. Hij vervolgde: ‘Daar zijn ze ruimdenkender dan in Kabul. Het ligt vlakbij de grens met Oezbekistan. Ze drinken er zelfs wodka.’

Was dit een oorlogsgebied? Toen ik bezig was met de voorbereidingen voor de reis, hadden de Taliban aangekondigd de aanstaande parlementsverkiezingen te saboteren. Het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken had reizen naar Afghanistan afgeraden. Mijn Afghaanse contacten hadden me gerustgesteld door te zeggen dat de media het erger maakten dan het was. Nu wist ik dat zij gelijk hadden gehad. Het was absoluut niet zo gevaarlijk als ik uit de berichten in de media had opgemaakt.



[1] Een tuniek tot op de knieën en een ruimvallende broek.

[2] Afghaanse tulband met lange slip over de schouders.

[3] Geborduurde cap.

[4] Een bruine gebreide wollen muts.

[5] Verplichte hoofdsluier voor vrouwen.

[6] Islamitische wetgeving.

[7] Hoofdman van een gemeenschap.